← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.3 Rolnummer: C.04.0211.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Insolventierecht Invoerdatum: 2005-06-14 Raadplegingen: 526 - laatst gezien 2026-07-04 20:46 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De termijn van vijftien dagen voor het instellen van hoger beroep tegen ieder vonnis dat ter zake van faillissement wordt gewezen, is van toepassing op ieder vonnis dat uitspraak doet over rechtsvorderingen en geschillen rechtstreeks ontstaan uit faillissementen en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat het stelsel van het faillissement beheerst

(1).
(1)Cass., 27 feb. 1997, AR C.96.0057.F en C.96.0175.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970227.8, nr
  1. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn. Onsplitsbaar geschil Vrije woorden: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn. Onsplitsbaar geschil Termijn Vonnis ter zake van faillissement Wettelijke bepalingen: Wet - 18-04-1851 - Art.465,eerste Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING Hoger beroep Termijn Vonnis ter zake van faillissement Wettelijke bepalingen: Wet - 18-04-1851 - Art.465,eerste Fiche 3 De vernietiging van een rechterlijke beslissing brengt de vernietiging mee van een andere die het gevolg ervan is, al is deze laatste door een rechtscollege van een ander taalgebied uitgesproken en al werd ook daartegen eerder een cassatieberoep ingesteld (Impliciete oplossing). Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Burgerlijke zaken Vrije woorden: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Burgerlijke zaken Vernietiging van een beslissing Beslissing die het gevolg ervan is Ander taalgebied Vroeger cassatieberoep Tekst van de beslissing Nr. C.04.0211.N WILLEMS, naamloze vennootschap, met zetel te 9600 Ronse, Industriepark, Klein Frankrijk 29, ingeschreven in het handelsregister te Oudenaarde, nummer 28.192, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  2. B.M. in haar hoedanigheid van curator over het faillissement van NV Aluminium Europe, kantoor houdende te ,
  3. D.C., in haar hoedanigheid van curator over het faillissement van NV Aluminium Europe, kantoor houdende te , verweersters. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 oktober 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Christine Matray heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Feiten Bij overeenkomst van 3 juni 1992 verbond de NV Aluminium Europe zich ertoe aluminiumprofielen, voor de bouw van veranda's, te vervaardigen en te leveren aan eiseres. Eind januari 1996 kwam de NV Aluminium Europe haar contractuele verplichtingen t.o.v. eiseres niet meer na. Bij vonnis van 12 februari 1996 verklaarde de Rechtbank van Koophandel van Bergen de NV Aluminium Europe failliet. Eiseres stelde een vordering in voor de Rechtbank van Koophandel te Oudenaarde tegen verweersters, zijnde de curatoren over het faillissement van de NV Aluminium Europe, strekkende tot de veroordeling wegens verbreking van de overeenkomst tot betaling van diverse sommen, en tot compensatie met het openstaand factuurbedrag dat verweerster nog verschuldigd was. Bij vonnis van 2 april 1996 verklaarde de Rechtbank van Koophandel te Oudenaarde rechtdoende bij verstek van verweersters, de vordering van eisers ontvankelijk en deels gegrond. Tegen dit verstekvonnis tekenden verweersters verzet aan. Bij vonnis van 18 februari 1997 verklaarde de Rechtbank van Koophandel te Oudenaarde het verzet ontvankelijk doch ongegrond en bevestigde de rechtbank het verstekvonnis. Het vonnis op verzet van 18 februari 1997 werd op 12 juni 1997 aan de verweersters betekend. De verweersters stelden hoger beroep in, zowel tegen het verstekvonnis als tegen het vonnis op verzet, bij verzoekschrift ingediend ter griffie op 9 juli
  4. In zijn arrest van 16 oktober 1998 deed het Hof van Beroep te Gent de bestreden vonnissen teniet, verklaarde zich territoriaal onbevoegd om kennis te nemen van het geschil en verwees de zaak naar het Hof van Beroep te Bergen. In de procedure die daarop volgde heeft het Hof van Beroep te Bergen op 16 september 2003 een arrest gewezen waarin het beslist dat, ingevolge het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 16 oktober 1998, er definitief is beslist dat het hoger beroep van verweersters ontvankelijk was. Tegen het arrest van het Hof van Beroep te Bergen werd een voorziening in cassatie ingesteld (A.R. nr. C.04.0082.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050616.3). IV. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 574, 2°, en 860 van het Gerechtelijk Wetboek ; artikel 465, lid 1, van de wet van 18 april 1851 inzake faillissement, bankbreuk en uitstel van betaling, dat is Boek III van het Wetboek van Koophandel, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van de faillissementswet van 8 augustus 1997 (B.S. 28 oktober 1997, err. B.S. 7 februari 2001). Aangevochten beslissingen Het arrest stelt vast : "Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 9.7.1997, hebben (de verweersters) q.q. hoger beroep ingesteld tegen het verstekvonnis dd. 2.4.1996 van de Rechtbank van Koophandel te Oudenaarde en tegen het vonnis dd. 18.2.1997 op verzet en op tegenspraak bij toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Oudenaarde. Het verzetvonnis dd. 18.2.1997 werd bij exploot dd. 12.6.1997 op verzoek van (eiseres) aan (de verweersters) betekend" (p. 2 van het bestreden arrest), en "
  5. Naar luid van artikel 831, al. 2, van het Gerechtelijk Wetboek behoren indien de faillietverklaring in België geschiedt voorwaarde die in casu vervuld is de 'desbetreffende geschillen' uitsluitend tot het bevoegdheid van de rechtbank in wier arrondissement het faillissement is geopend. De 'desbetreffende geschillen' waarvan sprake in artikel 631 van het gerechtelijk wetboek zijn deze die -zoals voorzien in artikel 574, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek- rechtstreeks uit het faillissement ontstaan en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat het stelsel van het faillissement beheerst (Laenens, J., Overzicht van rechtspraak, De bevoegdheid (1979-1992), T.P.R., 1993, p. 1599, nr. 175, met verwijzing naar Arrondissementsrechtbank Brussel, 18.12.1978, B.R.H. 1979, 22).
  6. Het onderwerpelijk geschil voldoet aan het criterium van artikel 574, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en wel om volgende redenen : Ten onrechte stelt het verzetvonnis a quo dat de vordering van (eiseres) op de eerste plaats gesteund was op de vraag om aan (de verweersters) verbod te horen opleggen om de door (eiseres) geaccepteerde wisselbrieven ter betaling aan te bieden, evenals op de ontbinding der samenwerkingsovereenkomst tot stand gekomen met toepassing van de algemene aankoopwaarden aan (eiseres). Vooreerst ligt het bewijs niet voor dat er onder partijen een wilsovereenstemming werd bereikt nopens de toepasselijkheid van de aankoopvoorwaarden van (eiseres) op de samenwerkingsovereenkomst. Het bestaan van dergelijke voorwaarden wordt bovendien door (eiseres) niet bewezen. De vordering in verband met het op te leggen verbod om wisselbrieven aan te bieden vindt zijn oorsprong in het gegeven dat volgens (eiseres) de bedragen der wissels niet meer verschuldigd zijn nu deze gecompenseerd dienen te worden met de door haar gevorderde schadevergoeding. Onder partijen wordt discussie gevoerd nopens de vraag of het beginsel van de schuldvergelijking op hun respectievelijke vorderingen toepasselijk is. De NV Aluminium Europe werd op 12.2.1996 in staat van faillissement verklaard. De curatoren hebben de handelsactiviteiten van de gefailleerde verdergezet tussen 4.3.1996 en 30.3.
  7. Vanaf 1.4.1997 is de onderneming van de hand gedaan aan de Groep Remi Claeys. De vordering van (eiseres) zoals ingesteld voor de eerste rechter richt zich tot de curatoren, die aangesproken worden in verbreking van de samenwerkingsovereenkomst en in veroordeling van de boedel in betaling van schadevergoeding. Het betreft in casu een betwisting ontstaan ingevolge de voortzetting van de curatoren van de handelswerkzaamheden van de gefailleerde vennootschap. Dergelijke betwisting valt onder artikel 574, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek (vgl. Gent, 19.3.1981, Pas., 1981, II, 88). Maar er is meer. Ook de problematiek van de schuldvergelijking die het lot van de gevorderde bedragen en van de wisselbrieven domineert, vindt zijn oorsprong in het faillissement en de oplossing ervan wordt gevonden in het bijzonder faillissementsrecht (onder meer de artikelen 444, 445 en 450 van de oude Faillissementswet en het artikel 17, 2°, van de nieuwe Faillissementswet)" (p. 5-6 van het bestreden arrest). Het bestreden arrest doet de beroepen vonnissen teniet, verklaart zich territoriaal onbevoegd om kennis te nemen van het geschil en verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Bergen en verklaart het aldus impliciet doch zeker het hoger beroep van de verweersters tegen de vonnissen van de eerste rechter ontvankelijk. Grieven Overeenkomstig artikel 465, lid 1, (oud) van de Faillissementswet (Boek III van het Wetboek van Koophandel) zijn vonnissen in zaken van faillissement uitvoerbaar bij voorraad en is de gewone termijn om daarvan in hoger beroep te komen slechts vijftien dagen, te rekenen vanaf de betekening. Artikel 860, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden zijn voorgeschreven op straffe van verval. In de zin van artikel 465, lid 1, (oud) van de Faillissementswet (Boek III van het Wetboek van Koophandel) moet onder "ieder vonnis dat terzake van faillissement wordt gewezen" worden verstaan onder meer ieder vonnis dat uitspraak doet over vorderingen en geschillen die rechtstreeks ontstaan uit het faillissement en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat het stelsel van het faillissement beheerst. In de hierboven weergegeven overwegingen stelt het bestreden arrest o.m. vast dat het geschil voldoet aan het criterium van artikel 574, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat de rechtbank van koophandel, zelfs wanneer partijen geen handelaar zijn, kennis neemt van vorderingen en geschillen rechtstreeks ontstaan uit het faillissement en het gerechtelijk akkoord overeenkomstig de voorschriften van de Faillissementswet en de wet betreffende het gerechtelijk akkoord, en waarvan de gegevens voor de oplossingen zich bevinden in het bijzonder recht dat van toepassing is op het stelsel van het faillissement en het gerechtelijk akkoord. Aldus stelt het bestreden arrest onder meer vast dat : "De vordering van (eiseres) zoals ingesteld voor de eerste rechter richt zich tot de curatoren, die aangesproken worden in verbreking van de samenwerkingsovereenkomst en in veroordeling van de boedel in betaling van schadevergoeding. Het betreft in casu een betwisting ontstaan ingevolge de voortzetting van de curatoren van de handelswerkzaamheden van de gefailleerde vennootschap. Dergelijke betwisting valt onder artikel 574, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek (vgl. Gent, 19.3.1981, Pas., 1981, II, 88). Maar er is meer. Ook de problematiek van de schuldvergelijking die het lot van de gevorderde bedragen en van de wisselbrieven domineert, vindt zijn oorsprong in het faillissement en de oplossing ervan wordt gevonden in het bijzonder faillissementsrecht (onder meer de artikelen 444, 445 en 450 van de oude Faillissementswet en het artikel 17, 2°, van de nieuwe Faillissementswet)". Uit voornoemde vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat het hoger beroep van de verweersters, waardoor de appèlrechters waren gevat, vonnissen betreft in zaken van faillissement, waarop artikel 465, lid 1, (oud), van de Faillissementswet (Boek III van het Wetboek van Koophandel) van toepassing is, namelijk vonnissen die uitspraak doen over vorderingen en geschillen die rechtstreeks ontstaan uit het faillissement en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat het stelsel van het faillissement beheerst. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest, dat het vonnis op verzet van 18 februari 1997 bij exploot van 12 juni 1997 aan eiseres werd betekend en dat de verweersters bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 9 juli 1997 hoger beroep hebben ingesteld, blijkt dat het hoger beroep van de verweersters niet binnen de in artikel 465, lid 1, (oud), van de Faillissementswet (Boek III van het Wetboek van Koophandel) bepaalde termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de betekening, werd ingesteld. De appèlrechters, die de vonnissen van de eerste rechter vernietigen en aldus het hoger beroep van de verweersters impliciet doch zeker ontvankelijk verklaren, schenden derhalve de in de aanhef van het middel als geschonden aangeduide wetsbepalingen. V. Beslissing van het Hof A. Middel Overwegende dat artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden voorgeschreven zijn op straffe van verval ; Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijke artikel 465, eerste lid, van het Wetboek van Koophandel, de termijn om hoger beroep in te stellen tegen ieder vonnis dat terzake van faillissement is gewezen vijftien dagen bedraagt, te rekenen vanaf de betekening ; Dat in de zin van genoemde bepaling, onder vonnis dat terzake van faillissement wordt gewezen, moet worden verstaan ieder vonnis dat uitspraak doet over rechtsvorderingen en geschillen rechtstreeks ontstaan uit faillissementen en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat het stelsel van het faillissement beheerst ; Overwegende dat de appèlrechter oordeelt dat "het onderwerpelijk geschil voldoet aan het criterium van artikel 574, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek" ; dat hij aldus oordeelt dat het hoger beroep vonnissen betreft die uitspraak doen over vorderingen en geschillen die rechtstreeks ontstaan uit het faillissement en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat het stelsel van het faillissement beheerst ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat het vonnis op verzet van 18 februari 1997 aan eiseres werd betekend op 12 juni 1997 en dat de verweersters bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 9 juli 1997, hoger beroep hebben ingesteld, dit is buiten de in voormeld artikel 465, eerste lid, bepaalde termijn van vijftien dagen ; Overwegende dat de appèlrechter, alvorens hij zich territoriaal onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het geschil en de zaak verwijst naar het Hof van Beroep te Bergen, de beroepen vonnissen teniet doet ; dat hieruit volgt dat hij de hogere beroepen van de verweersters tegen de vonnissen van de eerste rechter ontvankelijk verklaart ; Dat de appèlrechter aldus zijn beslissing niet naar recht verantwoordt ; Dat het middel gegrond is ; B. Uitbreiding Overwegende dat de vernietiging van het bestreden arrest de vernietiging meebrengt van het arrest van het Hof van Beroep te Bergen van 16 september 2003, dat het gevolg is van het vernietigde arrest ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest en het arrest van het Hof van Beroep te Bergen van 16 september 2003 ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde arresten ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers en Christine Matray, en in openbare terechtzitting van elf maart tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050616.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110107.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970227.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070924.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.