← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.4 Rolnummer: C.02.0133.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht Invoerdatum: 2005-06-14 Raadplegingen: 524 - laatst gezien 2026-07-04 20:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Geen nieuwe steunmaatregel kan geacht worden regelmatig te zijn ingevoerd als de EG-Commissie niet tijdig door de voorafgaande procedure van het voornemen van een Lid-Staat om hem in te voeren op de hoogte werd gebracht

(1).
(1)Cass., 19 jan. 2001, AR C.96.0091.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010119.7, nr 41, met concl. X. De Riemaecker. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Nieuwe steunmaatregelen Invoering Commissie Aanmeldingsplicht Miskenning Regelmatigheid Fiche 2 Wanneer een steunmaatregel, waarvan de wijze van financiering deel uitmaakt, met miskenning van de aanmeldingsplicht ten uitvoer is gelegd, zijn de nationale rechterlijke instanties in beginsel verplicht de terugbetaling te gelasten van de specifiek ter financiering van de tot steun geheven belastingen of bijdragen. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Steunmaatregelen Financiering Invoering Aanmeldingsplicht Miskenning Bijdragen Nationale rechterlijke instanties Verplichting Fiche 3 Het staat de Commissie te beoordelen of de steunmaatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, maar die bevoegdheid staat los van deze van de nationale rechterlijke instanties toe te zien op de vrijwaring van de rechten van de justitiabelen in geval van schending van de aanmeldingsplicht
(1).
(1)Zie Cass., 19 jan. 2001, AR C.96.0091.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010119.7, nr 41, met concl. X. De Riemaecker. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Steunmaatregelen Commissie Nationale rechterlijke instanties Bevoegdheid Fiche 4 Artikel 88, lid 3, EG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de heffing van bijdragen die specifiek dienen ter financiering van een steunregeling die bij een beschikking van de Commissie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, voor zover deze bijdragen met terugwerkende kracht worden opgelegd voor een periode die aan de datum van deze beschikking voorafgaat
(1).
(1)H.v.J. EG, 21 okt. 2003, gevoegde zaken C-261/01 en C.261/01, Belgische Staat en Van Calster en Cleeren en Openbaar Slachthuis N.V., Jur., 2003, ... . Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Steunmaatregelen Beslissing van de Commissie Gemeenschappelijke markt Verenigbaarheid Bijdragen Financiering Terugwerkende kracht Geoorloofdheid Tekst van de beslissing Nr.C.02.0133.N VOEDERS VELGHE DE BACKER, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 8870 Emelgem (Izegem), Zwaluwstraat 1, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nummer 84.969, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, met kabinet gevestigd te 1210 Sint-Joost-ten-Noode, Kunstlaan 7, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 5 september 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 10 (ex 5) en 88, lid 3, (ex art. 93, lid 3) van het Verdrag van Rome van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag), goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, geconsolideerde versie van Amsterdam van 2 oktober 1997, goedgekeurd bij wet van 10 augustus
  1. de artikelen 1 en 9, ,§2, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van de internationale rechtsregel met rechtstreekse werking wanneer die in conflict komt met een norm van nationaal recht. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoofdberoep van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond. Het wijzigt het beroepen vonnis, behalve in zover het de vordering ontvankelijk verklaart. Opnieuw uitspraak doende verklaart het de vordering van eiseres ongegrond. In antwoord op de stelling van eiseres dat de verplichting tot terugbetaling wegens inbreuk op artikel 88, lid 3, EG-Verdrag, bestaande in het niet op voorhand melden aan de Commissie, van de steunmaatregelen vervat in de wet van 24 maart 1987, niet retroactief ongedaan kon worden gemaakt door de latere wet van 23 maart 1998 daar de nationale rechter, gezien de rechtstreekse werking die toekomt aan artikel 88, lid 3, EG-Verdrag, de "terugwerkende kracht" van de wet van 23 maart 1998 buiten toepassing moest laten, overweegt en beslist het bestreden arrest "met het Arbitragehof" (arrest nr. 17/2000 van 9 februari 2000) : "dat het verzuim van de verplichte voorafgaande mededeling van een steunmaatregel aan de Commissie niet het onaantastbare recht kan doen ontstaan voor altijd te worden vrijgesteld van elke betaling van de betwiste heffing, wanneer de betaling ervan gegrond is op een nieuwe akte, de Wet van 23 maart 1998, waarvan de overeenstemming met het EG-Verdrag en de Grondwet onbetwistbaar is (...)". In antwoord op de stelling van eiseres dat de positieve verklaring van de Commissie, bij schrijven van 9 augustus 1996 m.b.t. de verenigbaarheid van de wet van 23 maart 1998 met de "gemeenschappelijke markt", alleen betrekking heeft op de toekomst, geen goedkeuring inhoudt van de retroactieve instandhouding van de bijdragen verschuldigd krachtens de reglementering van 1987 en dat de Commissie trouwens geen bevoegdheid heeft om te beslissen dat de inbreuk die op artikel 88, lid 3, EG-Verdrag werd gepleegd achteraf uitgewist kan worden, verwijst het bestreden arrest andermaal "naar bovenstaande beslissing van dit hof luidens dewelke de inbreuk op artikel 88, lid 3, wegens de niet-aanmelding van de reglementering van 1987 geen blijvend recht van vrijstelling van betaling van de betwiste heffing heeft doen ontstaan". Grieven
  2. Eerste onderdeel Schending van de boven ingeroepen EG-Verdragsbepalingen en van het algemeen rechtsbeginsel. Artikel 88, lid 3, (ex 93 lid 3) EG-Verdrag luidt als volgt : "De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 87 onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken Lid-Staat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid". Artikel 88, lid 3, laatste volzin heeft rechtstreekse werking. De ongeldigheid van uitvoeringsmaatregelen die werden getroffen in strijd met het verbod vervat in deze verdragsbepaling en met miskenning van de voorgeschreven aanmeldingsplicht, kan niet achteraf worden gedekt. Het recht op terugbetaling van onrechtmatig - d.i. met inbreuk op de vermelde verdragsbepaling en de daarin opgelegde aanmeldingsplicht opgelegde en betaalde heffingen, kan niet retroactief, door middel van een nationale regularisatiewet worden opgeheven. Een eventuele aanmelding - post factum, door een latere regularisatie - en de daaropvolgende goedkeuringsverklaring van de Europese Commissie kunnen slechts gevolgen hebben voor de toekomst. Het toekennen aan de latere wet en de latere goedkeuringsverklaring van de Commissie van een retroactief regulariserend effect "post factum" waarbij de begane inbreuk op artikel 88, lid 3, EG-Verdrag wordt uitgewist of gedekt en de daaraan verbonden rechten en verplichtingen van het verleden teniet gedaan, is manifest strijdig met deze verdragsbepaling die zij aldus van elk nuttig effect zou beroven. Door, in strijd met deze regels die inherent zijn aan artikel 88, lid 3, EG-Verdrag, te oordelen dat de vastgestelde inbreuk op artikel 88, lid 3, EG-Verdrag en de daaruit volgende rechten en verplichtingen, nl. het recht van eiseres op terugbetaling van de krachtens de Dierengezondheidswet van 24 maart 1987 en zijn uitvoeringsbesluit onrechtmatig betaalde heffingen, retroactief konden worden uitgewist respectievelijk teniet gedaan op grond van een "nieuwe akte, de wet van 23 maart 1998" en een "positieve verklaring" in een brief van de Commissie dd. 9 augustus 1996, heeft het arrest zoals door eiseres omstandig gesteld in haar beroepsconclusie de boven vermelde verdragsbepalingen geschonden. In zover er een conflict zou bestaan tussen de bepalingen van de wet van 23 maart 1998 en artikel 88, lid 3, EG-Verdrag, diende het hof van beroep in het bestreden arrest voorrang te verlenen aan laatstgenoemde bepaling. Door dit niet te doen heeft het bestreden arrest het in het middel ingeroepen algemeen rechtsbeginsel geschonden. Door de hierboven gekritiseerde miskenning van de ingeroepen verdragsbepaling en door hieraan elk nuttig effect te ontnemen door het laten prevaleren van een nationale wet die de vastgestelde inbreuk uit het verleden en de daaruit ontstane rechten en verplichtingen van het verleden uitwist, heeft het bestreden arrest tenslotte ook de door artikel 10 (ex-art.5) EG-Verdrag aan de nationale rechter opgelegde fundamentele verplichting miskend tot het handhaven van de verdragsverplichtingen en het vermijden van alle maatregelen die de verwezenlijking van doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen.
  3. Tweede onderdeel Schending van de artikelen 1 en 9, ,§2, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof alsook van de ingeroepen verdragsbepalingen en het ingeroepen algemeen rechtsbeginsel. In zoverre het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de hierboven gekritiseerde overweging en beslissing waren "opgelegd" door het Arbitragehof in zijn arrest van 9 februari 2000, miskent het de artikelen 1 en 9, ,§2, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. Het is inderdaad zo dat dit arrest de overweging bevat die in het bestreden arrest ongeveer is overgenomen en hierboven in het eerste onderdeel werd gekritiseerd. Bedoelde overweging uit het arrest van het Arbitragehof luidt als volgt : "Het verzuim van de verplichte voorafgaande mededeling van een steunmaatregel aan de Commissie, kan niet het onaantastbare recht doen ontstaan voor altijd te worden vrijgesteld van elke betaling van de betwiste heffing, wanneer de betaling ervan gegrond zou zijn op een nieuwe akte waarvan de overeenstemming met het EG-Verdrag en de Grondwet onbetwistbaar zou zijn. Die akte zou slechts ongrondwettig zijn indien zij zelf de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met de in het middel vermelde bepalingen zou schenden". Deze overweging komt voor in de overwegingen : "Ten aanzien van de middelen die zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 14 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, en met de algemene beginselen van niet-retroactiviteit van de wetten en scheiding der machten" De bovenvermelde overweging uit het arrest van het Arbitragehof die te maken heeft met de door het Arbitragehof ten onrechte aangenomen mogelijkheid om een inbreuk op artikel 88, lid 3, EG-Verdrag en de daaruit ontstane rechten en verplichtingen retroactief uit te wissen door een latere "nieuwe akte" (nationale wet), kan volgens eiseres niet beschouwd worden als een "beslecht rechtspunt" in de zin van artikel 9, ,§2, van de bijzondere wet op het Arbitragehof. Dit blijkt uit de context van de "middelen" ten aanzien waarvan de overweging zich situeert. Het zich ("op bindende wijze") uitspreken over de rechtsgevolgen van een inbreuk op artikel 88, lid 3, EG-Verdrag, valt overigens buiten de bevoegdheid van het Arbitragehof zoals die bepaald is in artikel 1 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 en beperkt is tot uitspraken over "bevoegdheidsregels" en "bestaanbaarheid met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet". In zoverre het bestreden arrest de in het eerste onderdeel gekritiseerde overweging en beslissing zou toeschrijven aan het gezag van gewijsde of de bindende kracht van bovenvermelde overweging uit het arrest van het Arbitragehof, schendt het de artikelen 1 en 9, ,§2, van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof nu bedoelde overweging geen "beslecht rechtspunt" in de zin van deze bepaling is noch, gezien artikel 1 van dezelfde wet, kan zijn. Zelfs indien bedoelde overweging - ten onrechte - zou beschouwd worden als deel uitmakend van de "beslechte rechtspunten" en derhalve, overeenkomstig artikel 9, ,§2, van de Bijzondere Wet, in principe bindend zou zijn, kon het bestreden arrest zich door deze overweging toch niet gebonden achten omdat zij strijdig is met een andere overweging uit hetzelfde arrest waarbij het Arbitragehof overwoog dat "(de aangevochten bepalingen) het de verzoekende partijen evenwel niet onmogelijk (maken) voor de rechtscolleges de schending van artikel 88 (vroeger artikel 93), lid 3, EG-Verdrag in te roepen en derhalve de daaruit voortspruitende rechten te laten gelden is inderdaad strijdig met de litigieuze overweging in hetzelfde arrest dat dergelijk recht op vrijstelling van betaling van een onrechtmatig opgelegde heffing, retroactief kan beëindigd worden krachtens een latere wet. Door, ondanks deze tegenstrijdigheid, zich toch gebonden te achten door laatstgenoemde overweging, heeft het bestreden arrest eveneens artikel 9, ,§2, van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof geschonden. In zover het Arbitragehof in de bedoelde overweging een stelling heeft verkondigd die, om de redenen uiteengezet in het eerste onderdeel, strijdig is met artikel 88, lid 3, EG-Verdrag, kon deze overweging de andere rechtscolleges, in casu het Hof van Beroep te Brussel, niet binden. Zelfs indien het artikel 9, ,§2, van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof dergelijke bindende kracht zou inhouden, diende het hof van beroep de voorrang te geven aan de rechtstreeks werkende verdragsbepaling van artikel 88, lid 3, EG-Verdrag waaraan de litigieuze overweging uit het arrest van het Arbitragehof een verkeerde betekenis toekende zodat aan deze bepaling elk nuttig effect werd ontnomen. Door zich desalniettemin gebonden te achten door deze overweging van het Arbitragehof, heeft het bestreden arrest niet alleen artikel 9, ,§2, van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof doch ook de artikelen 10 (ex 5) en 88, lid 3, EG-Verdrag en het in het middel ingeroepen algemeen rechtsbeginsel geschonden. IV. Beslissing van het Hof Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag, de Commissie van de Europese Gemeenschappen van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte wordt gebracht ; Dat ten aanzien van nieuwe steunmaatregelen die de Lid-Staten voornemens zijn in te voeren, een voorafgaande procedure is ingesteld zonder welke geen enkele steunmaatregel geacht kan worden regelmatig te zijn ingevoerd ; Overwegende dat wanneer een steunmaatregel waarvan de wijze van financiering deel uitmaakt met miskenning van de aanmeldingsplicht ten uitvoer is gelegd, de nationale rechterlijke instanties in beginsel verplicht zijn de terugbetaling te gelasten van de specifiek ter financiering van de tot steun geheven belastingen of bijdragen ; Dat het aan de Commissie staat te beoordelen of de steunmaatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt maar dat die bevoegdheid los staat van de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties toe te zien op de vrijwaring van de rechten van de justitiabelen in geval van schending van de aanmeldingsplicht ; Overwegende dat bij koninklijk besluit van 11 december 1987 betreffende de verplichte bijdragen aan het Fonds voor de gezondheid en de productie van de dieren, met ingang van 1 januari 1988, aan de slachthuizen en uitvoerders een bijdrage werd opgelegd per geslacht of levend uitgevoerd rund, kalf of varken ; dat dit koninklijk besluit evenwel niet overeenkomstig artikel 88, lid 3, EG-Verdrag, aan de Commissie is aangemeld ; Overwegende dat, krachtens artikel 14 van de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, bepaalde bijdragen worden opgelegd vanaf 1 januari 1988 aan de slachthuizen en de uitvoerders ; dat dit artikel preciseert dat de verplichte bijdragen enkel verschuldigd zijn voor "nationale dieren" en niet verschuldigd zijn voor ingevoerde dieren en evenmin, vanaf 1 januari 1997, voor uitgevoerde dieren ; dat het artikel eveneens preciseert, wat de ingevoerde dieren betreft, dat de verplichte bijdragen die met ingang van 1 januari 1987 werden betaald, aan de schuldeisers in beginsel zouden worden terugbetaald ; Dat, volgens de vaststellingen van het arrest, die steunmaatregel voorafgaandelijk werd aangemeld bij de Commissie ; dat de Commissie bij beschikking van 9 augustus 1996 de verenigbaarheid van die steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt heeft vastgesteld ; Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij arrest van 21 oktober 2003, Van Calster en Cleeren, gevoegde zaken 261/01 en 262/01, oordeelt dat voor zover voormelde wet van 23 maart 1998 met terugwerkende kracht bijdragen voor de periode van 1 januari 1988 tot en met 8 augustus 1996 oplegt, zij onrechtmatig is, op grond dat dienaangaande niet is voldaan aan de verplichting van artikel 88, lid 3, EG-Verdrag om de steunregeling vóór de tenuitvoerlegging aan te melden, en op grond dat de onrechtmatigheid niet ongedaan wordt gemaakt door het feit dat deze maatregel bij een eindbeslissing van de Commissie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt werd verklaard ; Dat de Commissie aan wie een andere taak dan aan de nationale rechter is toevertrouwd niet bevoegd zou zijn te beslissen dat een in strijd met artikel 88, lid 3, EG-Verdrag, ten uitvoer gelegde steunmaatregel rechtmatig is en aldus niet zou kunnen toestaan dat bijdragen retroactief zouden kunnen worden geïnd ; Dat daaruit volgt dat artikel 88, lid 3, EG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd dat het te dezen in de weg staat aan de heffing van bijdragen die specifiek dienen ter financiering van een steunregeling die bij een beschikking van de Commissie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, voor zover deze bijdragen met terugwerkende kracht worden opgelegd voor een periode die aan de datum van deze beschikking voorafgaat ; Overwegende dat de appèlrechter vaststelt dat er een regelmatige aangifte is geweest van de steunmaatregel, dat de bijdragen gebaseerd waren op de wet van 23 maart 1998 en een naar het interne recht toegelaten retroactieve werking hadden ; Dat hij vervolgens oordeelt dat er geen reden was om aan te nemen dat verweerder de geïnde bedragen moest terugstorten aan eiseres, ongeacht de periode waarop de bedragen betrekking hadden ; Dat hij zodoende artikel 88, lid 3, EG-Verdrag schendt ; Dat het onderdeel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers en Eric Stassijns, in openbare terechtzitting van elf maart tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010119.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060427.7 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081205.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.