← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050315.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050315.8 Rolnummer: P.05.0097.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2005-06-14 Raadplegingen: 470 - laatst gezien 2026-07-04 17:29 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het Hof stelt ambtshalve een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof wanneer het onderzoek van het cassatiemiddel twijfel doet ontstaan omtrent de mogelijke schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet door artikel 9 Drugwet, in die zin uitgelegd dat alleen een beklaagde die voor een drugmisdrijf wordt vervolgd onder de in dat artikel bepaalde voorwaarden in aanmerking kan komen voor de toepassing van de Probatiewet, zelfs indien hij niet voldoet aan de bij de artikelen 3 en 8 van deze laatste wet gestelde voorwaarden, en niet een beklaagde die niet voor een dergelijk drugmisdrijf wordt vervolgd, maar waarvan de rechter vaststelt dat, mocht hij in de omstandigheden waarin hij het hem ten laste gelegde misdrijf heeft gepleegd, eveneens zijn vervolgd wegens een drugmisdrijf, de rechter hem dan bij toepassing van artikel 9 Drugwet die gunst zou hebben toegestaan. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Hof van Cassatie Behandeling voor het Hof Onderzoek van het cassatiemiddel Mogelijke schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet Ambtshalve prejudiciële vraag Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 29-06-1964 - Artt.3en8 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Hof van Cassatie Behandeling voor het Hof Onderzoek van het cassatiemiddel Mogelijke schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet Ambtshalve prejudiciële vraag aan het Arbitragehof Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 29-06-1964 - Artt.3en8 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Vrije woorden: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Behandeling voor het Hof Onderzoek van het cassatiemiddel Mogelijke schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet Ambtshalve prejudiciële vraag aan het Arbitragehof Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 29-06-1964 - Artt.3en8 Tekst van de beslissing Nr. P.05.0097.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, vervolgende partij, tegen D'H S M S, verweerder, beklaagde. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 9 november 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een verzoekschrift een middel voor. Dit verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van het middel Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat de verweerder schuldig is aan diefstallen en vaststellen dat hij deze pleegde in staat van wettelijke herhaling; dat zij hem vervolgens veroordelen tot een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van honderd euro met gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een periode van vijf jaar mits naleving van probatievoorwaarden; Overwegende dat de appèlrechters dit uitstel van tenuitvoerlegging verantwoorden door de vaststelling dat "(verweerder) klaarblijkelijk tevens drugmisdrijven (...) heeft gepleegd die door eenheid van misdadig opzet verbonden zijn met de thans bewezen bevonden feiten voorwerp van de betichtingen" en dat "de omstandigheid dat het openbaar ministerie voor deze drugmisdrijven een afzonderlijke vervolging zou instellen of nalaat een vervolging in te stellen, niet voor gevolg (kan) hebben dat aan de (verweerder) hierdoor het voordeel van artikel 9 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica zou worden ontnomen"; Overwegende dat artikel 9 Drugwet bepaalt dat eenieder die de in artikel 2bis, ,§ 1, Drugwet genoemde stoffen, met het oog op eigen gebruik, op onwettige wijze vervaardigt, verkrijgt of onder zich heeft, in aanmerking kan komen voor de toepassing van de bepalingen van de Probatiewet van 29 juni 1964, zelfs indien hij niet voldoet aan de bij de artikelen 3 en 8 van laatstgenoemde wet gestelde voorwaarden met betrekking tot vroegere veroordelingen die hij mocht hebben opgelopen, zulks onverminderd de bepalingen van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek; dat de bepalingen van het eerste lid van artikel 9 ook van toepassing zijn op personen die, met het oog op eigen gebruik, kosteloos of tegen betaling het gebruik voor anderen hebben vergemakkelijkt, voornoemde stoffen hebben verkocht of te koop aangeboden, behalve indien deze misdrijven gepaard gaan met de verzwarende omstandigheden bedoeld in artikel 2bis, ,§ 2, b), ,§,§ 3 en 4 Drugwet; Overwegende dat de rechter voor de bepaling van de op te leggen strafmaat en het eventuele uitstel van tenuitvoerlegging ervan slechts rekening mag houden met de feiten die het voorwerp van de strafvordering uitmaken of hebben uitgemaakt en die bewezen zijn verklaard; Dat de rechter die niet gevat is te oordelen over het feit of een beklaagde zich aan een drugmisdrijf schuldig heeft gemaakt, niet vermag te oordelen of het drugmisdrijf gepleegd werd met éénzelfde misdadig opzet met het misdrijf dat bij hem aanhangig gemaakt is, en beantwoordt aan de omschrijving, vermeld in artikel 9 voornoemd; Overwegende dat de in het dispositief van dit arrest geformuleerde prejudiciële vraag rijst; Dat het Hof ambtshalve die vraag aan het Arbitragehof stelt; OM DIE REDENEN, HET HOF, Schort elke verdere uitspraak op totdat het Arbitragehof bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vraag: "Schendt artikel 9 Drugwet, zoals gewijzigd bij artikel 14 van de wet van 3 mei 2003, de artikelen 10 en 11 Grondwet, artikel 9 Drugwet in deze zin uitgelegd dat alleen de beklaagde die voor een drugmisdrijf wordt vervolgd, onder de in dat artikel bepaalde voorwaarden in aanmerking kan komen voor de gunst van de toepassing van de bepalingen van de Probatiewet, zelfs indien hij niet voldoet aan de bij de artikelen 3 en 8 van laatstgenoemde wet gestelde voorwaarden met betrekking tot de vroegere veroordelingen die hij mocht hebben ondergaan, en niet de beklaagde die niet voor een dergelijk drugmisdrijf wordt vervolgd maar waarvan de rechter vaststelt dat, mocht hij in de omstandigheden waarin hij het hem ten laste gelegde misdrijf heeft gepleegd, eveneens zijn vervolgd wegens een drugmisdrijf, de rechter hem dan bij toepassing van artikel 9 Drugwet die gunst zou hebben toegestaan ?" Houdt de kosten aan. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van vijftien maart tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050315.8 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060404.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.