← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050315.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050315.9 Rolnummer: P.05.0077.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2005-06-14 Raadplegingen: 323 - laatst gezien 2026-07-03 13:03 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 5 Noch de artikelen 246 tot 248, Wetboek van Strafvordering, noch enige andere wettelijke bepaling staan eraan in de weg dat, wanneer de buitenvervolgingstelling van één of meerdere wel of niet-nominatief aangewezen verdachten gepaard gaat met de verwijzing naar de correctionele rechtbank van één of meerdere andere verdachten, de benadeelde een tot dan toe niet-vermelde persoon rechtstreeks kan dagvaarden wegens een wanbedrijf of een overtreding waarvoor de correctionele rechtbank ingevolge de verwijzing is gevat

(1).
(1)Zie de andersluidende conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Strafzaken Onderzoek Raadkamer Verwijzing van meerdere verdachten naar de correctionele rechtbank Beslissing van buitenvervolgingstelling van meerdere wel en meerdere niet-nominatief aangewezen verdachten Rechtstreekse dagvaarding door de benadeelde van tot dan toe niet-vermelde personen voor de correctionele rechtbank Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Raadkamer Verwijzing van meerdere verdachten naar de correctionele rechtbank Beslissing van buitenvervolgingstelling van meerdere wel en meerdere niet-nominatief aangewezen verdachten Rechtstreekse dagvaarding door de benadeelde van tot dan toe niet-vermelde personen voor de correctionele rechtbank Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Raadkamer Verwijzing van meerdere verdachten naar de correctionele rechtbank Beslissing van buitenvervolgingstelling van meerdere wel en meerdere niet-nominatief aangewezen verdachten Rechtstreekse dagvaarding door de benadeelde van tot dan toe niet-vermelde personen voor de correctionele rechtbank Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Vrije woorden: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Onderzoek Raadkamer Verwijzing van meerdere verdachten naar de correctionele rechtbank Beslissing van buitenvervolgingstelling van meerdere wel en meerdere niet-nominatief aangewezen verdachten Rechtstreekse dagvaarding door de benadeelde van tot dan toe niet-vermelde personen voor de correctionele rechtbank Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Vrije woorden: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Onderzoek Raadkamer Verwijzing van meerdere verdachten naar de correctionele rechtbank Beslissing van buitenvervolgingstelling van meerdere wel en meerdere niet-nominatief aangewezen verdachten Rechtstreekse dagvaarding door de benadeelde van tot dan toe niet-vermelde personen voor de correctionele rechtbank Ontvankelijkheid Fiches 6 - 10 Concl. adv.-gen. Werquin, Cass., 15 maart 2005, AR P.05.0077.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Strafzaken Onderzoek Raadkamer Verwijzing van meerdere verdachten naar de correctionele rechtbank Beslissing van buitenvervolgingstelling van meerdere wel en meerdere niet-nominatief aangewezen verdachten Rechtstreekse dagvaarding door de benadeelde van tot dan toe niet-vermelde personen voor de correctionele rechtbank Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Raadkamer Verwijzing van meerdere verdachten naar de correctionele rechtbank Beslissing van buitenvervolgingstelling van meerdere wel en meerdere niet-nominatief aangewezen verdachten Rechtstreekse dagvaarding door de benadeelde van tot dan toe niet-vermelde personen voor de correctionele rechtbank Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Raadkamer Verwijzing van meerdere verdachten naar de correctionele rechtbank Beslissing van buitenvervolgingstelling van meerdere wel en meerdere niet-nominatief aangewezen verdachten Rechtstreekse dagvaarding door de benadeelde van tot dan toe niet-vermelde personen voor de correctionele rechtbank Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Vrije woorden: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Onderzoek Raadkamer Verwijzing van meerdere verdachten naar de correctionele rechtbank Beslissing van buitenvervolgingstelling van meerdere wel en meerdere niet-nominatief aangewezen verdachten Rechtstreekse dagvaarding door de benadeelde van tot dan toe niet-vermelde personen voor de correctionele rechtbank Ontvankelijkheid VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Onderzoek Raadkamer Verwijzing van meerdere verdachten naar de correctionele rechtbank Beslissing van buitenvervolgingstelling van meerdere wel en meerdere niet-nominatief aangewezen verdachten Rechtstreekse dagvaarding door de benadeelde van tot dan toe niet-vermelde personen voor de correctionele rechtbank Ontvankelijkheid Nota: P.05.0077.N Advocaat-generaal Th. Werquin heeft in substantie gezegd: Het eerste middel De vraag is of de benadeelde nog over actiemogelijkheden beschikt wanneer over dezelfde feiten - ongeacht de kwalificatie, die geen misdaad uitmaken, reeds uitspraak werd gedaan door het onderzoeksgerecht. 1. In geval van niet-nominatieve buitenvervolgingstelling mag niemand door de benadeelde rechtstreeks worden gedagvaard
(1). Een beschikking van buitenvervolgingstelling tot afsluiting van een onderzoek tegen onbekende belet dat een partij, die beweert benadeeld te zijn door het misdrijf waarvoor het onderzoek is ingesteld, diegenen die zij als de daders van dit misdrijf beschouwt voor het strafgerecht kan dagvaarden
(2). Na onderzoek tegen onbekenden geldt de beschikking van buitenvervolgingstelling immers tegenover eenieder en een rechtstreekse dagvaarding van om het even wie is dan ook onwettig
(3). De buitenvervolgingstelling wordt dus geacht te gelden voor elkeen
(4). In een arrest van 30 november 1982, heeft Uw Hof geoordeeld dat wanneer het onderzoeksgerecht bij de afsluiting van het gerechtelijk strafonderzoek heeft beslist dat er geen aanleiding is om wegens een bepaald misdrijf tegen wie ook vervolgingen in te stellen, de benadeelde niet meer vermag, door een rechtstreekse dagvaarding op grond van hetzelfde feit, een rechtsvordering tot herstel van de schade bij het onderzoeksgerecht in te stellen
(5). In een arrest van 14 juni 1909, heeft Uw Hof geoordeeld dat die beschikking (van buitenvervolgstelling), ofschoon zij geen betrekking had op een met name genoemde persoon, belette dat het feit zelf waarvoor die beschikking was verleend, nog rechtstreeks ter kennisneming aan het vonnisgerecht kon worden voorgelegd, aangezien het vonnisgerecht, bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing, had beslist dat er in de huidige stand van de zaak geen reden was om dat feit aan het vonnisgerecht voor te leggen
(6). Na een beslissing van buitenvervolgingstelling door de onderzoeksgerechten kan de heropening van het gerechtelijk strafonderzoek wegens nieuwe bezwaren enkel door het openbaar ministerie en niet door een burgerlijke partij gevorderd worden
(7). 2. In geval van nominatieve buitenvervolgingstelling kan de verdachte op wiens naam een buitenvervolgingstelling werd verleend niet door de benadeelde rechtstreeks gedagvaard worden. In een arrest van 25 juni 1951, heeft Uw Hof geoordeeld dat, zelfs indien zij zich beroept op het bestaan van nieuwe bezwaren, de partij, welke beweert door een misdrijf benadeeld te zijn, niet ontvankelijk is om de persoon die zij als de dader van het misdrijf beschouwt, rechtstreeks voor de strafrechter te dagvaarden wanneer de raadkamer, bij welke het feit dat aan de dagvaarding ten grondslag ligt aanhangig is gemaakt, ten gunste van gezegde persoon een beschikking van buitenvervolgingstelling gewezen heeft
(8). Dezelfde oplossing dient ook toegepast te worden wanneer ter gelegenheid van een nominatieve buitenvervolgingstelling, een andere verdachte naar de rechtbank zou zijn verwezen
(9). 3. Wanneer de raadkamer één of meer personen, die zij, na onderzoek, als daders aanziet, naar het vonnisgerecht verwijst, kan de benadeelde een andere verdachte rechtstreeks dagvaarden. Uit de beslissing van de raadkamer kan niet afgeleid worden dat zij die verdachte stilzwijgend buitenvervolging gesteld heeft. In een arrest van 27 mei 1935, heeft Uw Hof vastgesteld dat op vordering van de procureur des Konings, een opsporingsonderzoek tegen onbekenden is ingesteld wegens verwondingen door onvoorzichtigheid, toegebracht aan C., dat de raadkamer zich in haar beschikking ertoe beperkt alleen de beklaagde D., overeenkomstig de vordering van het openbaar ministerie, uit dien hoofde naar de correctionele rechtbank te verwijzen, dat het openbaar ministerie, in geen enkele fase van de rechtspleging, een vordering heeft genomen tegen de eisers (H.en DH.) en dat de onderzoeksrechter hen trouwens niet in verdenking heeft gesteld. Het Hof leidt hieruit af dat de beschikking geen uitspraak inhoudt over de bezwaren die kunnen bestaan tegen een andere dan D., dat een dergelijke uitspraak geenszins kan afgeleid worden uit het louter stilzwijgen van de beschikking op dit punt en dat de beschikking niet kan worden geacht een beslissing te bevatten die niet erin is uitgedrukt. Het Hof overweegt dat de onderzoeksrechter, die gevorderd is een opsporingsonderzoek in te stellen, weliswaar tot taak heeft alle mogelijke verdachten op te sporen en de wettelijke opdracht heeft alle daders van en de medeplichtigen aan het in de inleidende vordering aangegeven feit op te sporen en tegen hen alle handelingen te verrichten die hij nodig acht en die de wet toestaat, de opdracht van de raadkamer daarvan essentieel verschilt, dat genoemd rechtscollege, dat oordeelt over de impact van de daden van het opsporingsonderzoek op de vervolging, uitspraak doet over de strafvordering, maar binnen de perken van de vorderingen van het openbaar ministerie en van de wettige inverdenkingstellingen door de onderzoeksrechter en dat de raadkamer zich bijgevolg schuldig zou hebben gemaakt aan machtsoverschrijding indien zij de eisers (H.en DH.) die bij het begin of in de loop van het onderzoek nooit in verdenking werden gesteld, naar het vonnisgerecht zou hebben verwezen, terwijl zij door het parket nooit waren vervolgd of door de onderzoeksmagistraat in verdenking waren gesteld, en dat derhalve uit het feit dat de raadkamer die verwijzing niet heeft bevolen niet kan worden afgeleid dat zij de eisers (H. en DH.) impliciet buitenvervolging zou hebben gesteld
(10). Ontvankelijk is een rechtstreekse dagvaarding door de benadeelde van andere personen dan degenen die, na een regelmatig onderzoek door de raadkamer wegens hetzelfde feit naar hetzelfde gerecht zijn verwezen, als aan de rechtstreeks gedaagden hetzelfde feit wordt ten laste gelegd. De wet sluit een rechtstreekse dagvaarding niet uit, omdat het onderzoeksgerecht t.o.v. de rechtstreeks gedaagde geen beslissing heeft genomen
(11). Wanneer ter gelegenheid van een nominatieve buitenvervolgstelling, een verdachte door de raadkamer naar het vonnisgerecht wordt verwezen, kan de benadeelde andere personen voor het vonnisgerecht rechtstreeks dagvaarden. 4. In geval van nominatieve buitenvervolgingstelling, zonder verwijzing naar het vonnisgerecht van een verdachte door de raadkamer, kan de benadeelde een andere verdachte rechtstreeks dagvaarden
(12). In een arrest van 22 juni 1988, waaruit blijkt dat de raadkamer in haar beschikking van buitenvervolgingstelling uitspraak deed ten aanzien van bepaalde verdachten en het bestreden arrest de ingediende klacht met burgerlijke partijstelling tegen andere verdachten niet ontvankelijk verklaarde wegens die beschikking van buitenvervolgingstelling, heeft Uw Hof geoordeeld dat, krachtens de artikelen 246,247 en 248 van het Wetboek van Strafvordering, na een beslissing van buitenvervolgingstelling door de onderzoeksgerechten, alleen het openbaar ministerie de heropening van een onderzoek kan vorderen op grond van nieuwe bezwaren, dat een burgerlijke partij daartoe niet bevoegd is en dat voor de toepassing van die regel nochtans vereist is dat het moet gaan om dezelfde verdachte als degene die buiten vervolging is gesteld, en om hetzelfde feit als het in dezelfde beslissing omschreven feit
(13); het bestreden arrest werd aldus vernietigd. Een nominatieve buitenvervolgingstelling houdt niet meer in dan de beslissing over één verdachte en bevat niet de beslissing dat voor het onderzochte feit niemand wordt vervolgd
(14). 5. In een arrest van 12 oktober 1909, heeft Uw Hof vastgesteld dat de procureur des Konings, na een door de burgerlijke partijen tegen onbekenden ingediende klacht wegens openbare beledigingen door daden en gebaren, de onderzoeksrechter heeft gevorderd daarover een opsporingsonderzoek in te stellen, dat de raadkamer op diens vordering R.M. uit dien hoofde naar de correctionele rechtbank heeft verwezen, maar dat de beschikking niet beslist dat er geen voldoende bezwaren bestaan tegen wie dan ook en dat er geen grond bestaat om iemand anders te vervolgen en dat het bestreden arrest vaststelt dat het openbaar ministerie de eisers M. en D. nooit in verdenking gesteld heeft en hen niet heeft vermeld in zijn tot de raadkamer gerichte vordering. Het Hof leidt hieruit af dat de raadkamer dus geen uitspraak dient te doen te hunnen aanzien en dat, ten gevolge van haar beschikking waarbij de enige beklaagde (R.M.) tegen wie het openbaar ministerie een vordering tot vervolging had genomen, naar het vonnis was verwezen, de onderzoeksrechter volledig en definitief ontslagen was van zijn onderzoek over het bij hem aanhangig gemaakte feit zodat het middel dat gericht was tegen het bestreden arrest, in zoverre het besliste dat de rechtstreekse dagvaarding door de benadeelde van M. en D. ontvankelijk was, verworpen werd
(15). Uit dit arrest kan afgeleid worden dat, aangezien de raadkamer binnen de perken van de wettige inverdenkingstellingen door de onderzoeksrechter en de vorderingen van de procureur des Konings beslist, indien de raadkamer, na een verdachte naar het vonnisgerecht te hebben verwezen, beslist dat er geen redenen zijn om iemand anders te vervolgen, de benadeelde geen ander persoon rechtstreeks voor het vonnisgerecht kan dagvaarden. Die beslissing betekent dat de rechtspleging is afgegrendeld ten aanzien van alle andere mogelijke verdachten. Indien nieuwe bezwaren tegen een ander persoon voorhanden zijn, dan zal een heropening van het onderzoek door het openbaar ministerie moeten gevorderd worden, zoniet zou er geen rekening worden gehouden met het gezag van gewijsde van de beslissing van de raadkamer
(16). 6. Uit het bestreden arrest blijkt dat: -bij beschikking van de raadkamer van 26 april 2000, C.A., C..G. en C.Y. naar de correctionele rechtbank werden verwezen, en dat C.G. en een onbekende derde buiten vervolging werden gesteld; - P.N. en A.D. door C.C., C.C., H.P. en C.G. rechtstreeks voor de correctionele rechtbank werden gedagvaard; -de feiten, waarvoor beklaagden C.A., C.G. en C.Y. naar de correctionele rechtbank werden verwezen en de onbekende dader mededader buiten vervolgd werd gesteld dezelfde zijn als deze waarvoor P.N. en A.D. rechtstreeks werden gedagvaard. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - De raadkamer, in haar motivering (stuk 90), oordeelt dat de vordering van het openbaar ministerie terecht is en derhalve in zijn geheel kan worden ingewilligd; - Volgens de vordering van het openbaar ministerie (stuk 86) was de vijfde onbekende(n) tegen wie het onderzoek was gericht, en die verdacht was wegens de feiten omschreven onder de tenlasteleggingen A en B; - Volgens de vordering van het openbaar ministerie (stuk 87) zijn er voldoende bezwaren gebleken lastens de vijfde verdachte wat betreft de feiten omschreven onder de tenlasteleggingen A en B. Het bestreden arrest heeft wettig beslist dat: - C.C., C.C., H.P. en C.G. niet op ontvankelijke wijze rechtstreeks P.N. en A.D. voor de correctionele rechtbank hebben kunnen dagvaarden; -Het ontdekken van" nieuwe bezwaren" kan desgevallend aanleiding geven tot een nieuw gerechtelijk onderzoek maar rechtvaardigt geenszins een rechtstreekse dagvaarding na een buitenvervolgingstelling van een onbekende derde. 7.Besluit: verwerping van het eerste middel in zoverre het ervan uitgaat dat, aangezien het ging om een niet nominatieve buitenvervolgingstelling, P. N. en A.D. in het gerechtelijk onderzoek niet werden betrokken en, aldus, niet dezelfde personen waren als degenen die buiten vervolging werden gesteld, zodat de rechtstreeks dagvaarding voor de correctionele rechtbank ontvankelijk was. ___________________________
(1)Cass., 19 okt. 1977, A.C. 1978, 226; 14 juni 1909,Pas., I, 310
(2)Noot
(3)onder Cass., 19 okt. 1977, A.C. 1978, 226
(3)De Peuter, De rechtstreekse dagvaarding van de benadeelde voor de strafrechtbank, in Strafrecht voor rechtspractici nr.1, 1985, 69
(4)Hélie, Traité de l'instruction criminelle,1863-1869,nr.2883
(5)A.C.,1982-1983, nr.202
(6)Pas., 1909, I,310
(7)Cass., 7 sept. 1982, A.C., 1982-1983, nr.18
(8)A.C., 1951, 635
(9)Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, 2003, nr.580
(10)Pas.,1935,I, 261 ; Cass., 6 juni 1939, Pas., 1939, I, 290
(11)Noot
(3)onder Cass., 19 okt. 1977, A.C., 1978, 226; contra: in een arrest van 24 september 1991, A.C.,1991-92, nr.43, bekritiseerd door Verstraeten, De actiemogelijkheden van de benadeelde partij voor en na de beslissing tot regeling van de rechtspleging, R.W. 1992-1993, 182, heeft het Hof geoordeeld dat door de beschikking van de raadkamer van 27 januari 1988, waardoor eiser, als verdachte, naar de correctionele rechtbank werd verwezen, onder meer wegens valsheid in geschrifte en gebruik van vervalste geschriften, de zaak definitief aanhangig werd gemaakt bij het vonnisgerecht, zodat de onderzoeksrechter definitief van het onderzoek ontslagen was, dat hieruit volgt dat een heropening van het onderzoek wegens dezelfde feiten ingevolge een klacht met stelling van burgerlijke partij door een benadeelde gericht tegen eventuele andere verdachten niet meer mogelijk was en dat zulks het geval is ook wanneer, zoals te dezen, de aangeklaagde feiten een misdaad zouden opleveren, zodat het voor degene die beweert schade te hebben geleden niet mogelijk zou zijn een andere eventuele dader van of een deelnemer aan die feiten rechtstreeks voor het vonnisgerecht te dagvaarden.)
(12)contra: Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, 2003, nr.582, aangezien een nominatieve buitenvervolgingstelling zonder verwijzing van een andere verdachte voor het vonnisgerecht een einde aan de rechtspleging stelt; Verstraeten, De burgerlijke partij en het gerechtelijk onderzoek, 1990, nr.541-542-545, die van mening is dat door de buitenvervolgingstelling de zaak slechts voorlopig wordt onttrokken aan de onderzoeksrechter, en dat bijgevolg de rechtbank uitsluitend kan geadieerd worden door een uitspraak van het onderzoeksgerecht wanneer dit op definitieve wijze haar rechtsmacht met betrekking tot het feit uitput.
(13)A.C. 1987-1988, nr.655; zie ook Cass.fr., 6 maart 1957, D.,1958,25 met uitleg in Verstraeten, De burgerlijke partij en het gerechtelijk onderzoek, 1990, nr.548; 5 mei 1981,Bull.,ch.crim.,1981,402
(14)contra: Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, 2003, p.295,nr.582, en Verstraeten, De burgerlijke partij en het gerechtelijk onderzoek, 1990, nr.541, die verwijzen naar een arrest van het Hof van 7 september 1982, A.C., 1982-1983, nr.18, volgens hetwelk de artikelen 246, 247 en 248 van het Wetboek van Strafvordering niet enkel van toepassing zijn in het geval dat de kamer van inbeschuldigingstelling beslist heeft dat er geen grond is tot verwijzing van de verdachte naar het hof van assisen, maar bepalingen zijn met een algemene draagwijdte,die gelden in alle gevallen waarin de onderzoeksgerechten een gerechtelijk onderzoek hebben afgesloten door een beslissing van buitenvervolgingstelling en dat hieruit volgt dat, na een beslissing van buitenvervolgingstelling door de onderzoeksgerechten, de heropening van het gerechtelijk strafonderzoek wegens nieuwe bezwaren enkel kan worden gevorderd door het openbaar ministerie en niet door de burgerlijke partij.
(15)Pas., 1909, I,389
(16)Delvaux, La mise en prévention, R.D.P., 1952-1953, p.160; contra: Vandeplas, Over de rechtstreekse dagvaarding,R.W.1974-1975, 1442, nr.5, die van mening is dat het gezag van rechterlijk gewijsde dat ook de beschikkingen der onderzoeksgerechten bezitten, niet geldt bij verwijzing naar een vonnisgerecht; Verstraeten, De burgerlijke partij en het gerechtelijk onderzoek, 1990, nr.558, die meent dat de diametraal tegenovergestelde oplossingen te verklaren zijn uit het feit dat de raadkamer door haar beschikking van verwijzing de onderzoeksrechter volledig en definitief heeft ontslagen van zijn onderzoek over het bij haar aanhangig gemaakte feit, wat niet het geval is bij een buitenvervolgingstelling. Tekst van de beslissing Nr. P.05.0077.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE, in de zaak nr. P.04.1110.N
  1. C C C, en zijn echtgenote
  2. C C M I,
  3. H P A O G, met als raadsman Mr. Paul Brondel, advocaat bij de balie te Brugge,
  4. C G, , met als raadsman Mr. Luc De Wilder, advocaat bij de balie te Brussel, eisers, burgerlijke partijen, tegen
  5. C A C R, met als raadsman Mr. Walter Van Steenbrugge, advocaat bij de balie te Gent,
  6. C G. M. M.,
  7. C Y J, met als raadsman Mr. Walter Van Steenbrugge, advocaat bij de balie te Gent,
  8. P N A M, met als raadsman Mr. Walter Van Steenbrugge, advocaat bij de balie te Gent,
  9. A D, verweerders, beklaagden. I. Voorwerp van de rechtspleging De vordering van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie strekt tot intrekking van het arrest van de tweede kamer van het Hof van 21 december 2004 in de zaak die is ingeschreven op de algemene rol nummer P.04.1110.N. Dit arrest is gewezen op het cassatieberoep van de oorspronkelijke eisers tegen de arresten op 23 september 2003 en 29 juni 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd. III. Vordering De vordering van procureur-generaal bij het Hof van Cassatie luidt als volgt: "De ondergetekende procureur-generaal heeft de eer te betogen dat het Hof op 21 december 2004 onder nummer P.04.1110.N een arrest heeft gewezen dat de voorziening verwerpt, die C C, C C, H P en C G hadden ingesteld tegen de arresten die respectievelijk op 23 september 2003 en 29 juni 2004 werden gewezen door het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, na te hebben vastgesteld dat de eisers geen middel aangevoerd hadden. Meester Paul BRONDEL, advocaat bij de balie te Brugge, raadsman van de eisers, had weliswaar op 29 juli 2004 ter griffie van het hof van beroep te Gent een verzoekschrift houdende middelen van cassatie neergelegd, maar dat stuk werd pas op 6 januari 2005 door de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie toegezonden, die het op 10 januari 2005 ontving, zodat de leden van het Hof die geen kennis hadden van het neerleggen van het verzoekschrift de twee aangevoerde middelen in het bedoelde verzoekschrift niet hebben kunnen beantwoorden, en de eisers door omstandigheden buiten hun wil, het recht hebben verloren op een arrest dat die middelen beantwoordt. Derhalve is er grond tot intrekking van het bedoeld arrest van 21 december
  10. Om die reden, vordert de ondergetekende procureur-generaal dat het aan het Hof behage zijn arrest AR nr P.04.1110.N van 21 december 2004 in te trekken, en opnieuw uitspraak te doen over de voorzieningen van de eisers." IV. Cassatiemiddelen De oorspronkelijke eisers voeren in een verzoekschrift twee middelen aan. Dit verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. V. Beslissing van het Hof A. Vordering tot intrekking Overwegende dat de vordering van de procureur-generaal om de redenen die zij vermeldt, dient aangenomen te worden; B. Onderzoek van de middelen van de oorspronkelijke eisers
  11. Eerste middel Overwegende dat noch de artikelen 246 tot 248 Wetboek van Strafvordering, noch enige andere wettelijke bepaling eraan in de weg staan dat, wanneer de buitenvervolgingstelling van één of meerdere wel of niet-nominatief aangewezen verdachten, gepaard gaat met de verwijzing naar de correctionele rechtbank van één of meerdere andere verdachten, de benadeelde een tot dan toe niet-vermelde persoon rechtstreeks kan dagvaarden wegens een wanbedrijf of een overtreding waarvoor de correctionele rechtbank ingevolge de verwijzing is gevat; Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de raadkamer van de Correctionele Rechtbank te Brugge bij beschikking van 26 april 2001, eensdeels, A C, G C en Y C naar de correctionele rechtbank verwijst wegens de feiten die in de vordering zijn vermeld, anderdeels, voor dezelfde feiten G C en een onbekende derde buiten vervolging stelt; Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat de rechtstreekse dagvaarding door de eisers van de verweerders sub 2 en 5 niet ontvankelijk is, "terwijl voor dezelfde feiten die ten grondslag liggen aan de dagvaarding, een gerechtelijk onderzoek was ingesteld tegen onbekenden dat bij beschikking van de raadkamer te Brugge van 26 april 2001 is afgesloten met een beschikking tot buitenvervolgingstelling"; Overwegende dat de appèlrechters die beslissing niet naar recht verantwoorden; Dat het middel gegrond is;
  12. Tweede middel Overwegende dat het middel geen antwoord behoeft; OM DIE REDENEN, HET HOF, Trekt in, het arrest van de tweede kamer van het Hof van 21 december 2004 in de zaak P.04.1110.N; Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het arrest van het Hof van 21 december 2004 en van de bestreden arresten van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 23 september 2004 en 29 juni 2004; Laat de kosten van de intrekking ten laste van de Staat; Gezegde kosten begroot op de som van nul frank. Opnieuw wijzende, Vernietigt het bestreden arrest van 29 juni 2004 in zoverre het uitspraak doet over de rechtstreekse dagvaarding en de daaraan verbonden kosten; Verwerpt het cassatieberoep voor het overige; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Laat de kosten ten laste van de Staat; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Gezegde kosten begroot op de som van zevenennegentig euro achten-tachtig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in open-bare terechtzitting van vijftien maart tweeduizend en vijf, door afdelingsvoor-zitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050315.9 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051115.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.