← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050321.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050321.7 Rolnummer: C.03.0578.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-06-14 Raadplegingen: 572 - laatst gezien 2026-07-04 17:10 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter die een verbeterend vonnis of arrest wijst, geeft aan dat de verbeterde beslissing heeft geoordeeld zoals in het verbeterende vonnis of arrest is bepaald en aldus vormt het verbeterende vonnis of arrest één geheel met het verbeterende vonnis of arrest; hieruit volgt dat de rechter, geadieerd door een vordering tot verbetering, moet nagaan, ongeacht een eventueel akkoord daaromtrent tussen de partijen, of er redenen zijn tot verbetering van zijn beslissing en of de gevorderde verbetering de in zijn beslissing bevestigde rechten niet uitbreidt, beperkt of wijzigt

(1).
(1)Zie Cass., 18 okt. 1983, AR 8024, nr 90; 20 feb. 2002, AR P.01.0969.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020220.16 - P.01.1356.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020220.16, nr 123; 13 dec. 2004, S.04.0114.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041213.4, nr ... Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Vrije woorden: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Vordering tot verbetering Akkoord van partijen Beslissing tot verbetering Begrip Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.794 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0578.N.- 1. N. T., 2. D. J., eisers, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van 13 november 2003, nr. G.03.0107.N, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. A.G.F. BELGIUM INSURANCE, naamloze vennootschap, verzekerings-maatschappij, met vennootschapszetel te 1000 Brussel, Lakensestraat 35, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, 2. B.W., verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, 3. MERCATOR VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, algemene verzekeringsmaatschappij, met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 302, verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 29 april 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 17 februari 2005 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 23, 24, 25, 26, 793, 794, 1042 en 1043, van het Gerechtelijk Wetboek ; - de artikelen 6 en 1133, van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis beveelt de verbetering van het tussenvonnis uitgesproken op 26 februari 2003 in de zaak gekend onder A.R. nr. : 02-2.104A, als volgt : "- zesde blad regel 3 : 'Het hoger beroep van AGF is ontoelaatbaar in zoverre het gericht is tegen N. in eigen naam aangezien tussen deze beide procespartijen in eerste aanleg geen vorderingen werden gesteld, noch tegengestelde belangen werden behandeld, dient weggelaten te worden en als niet bestaande te beschouwen', - zesde blad regel 6 : 'inzoverre het gericht is tegen Mercator dient weggelaten te worden en als niet onbestaande te beschouwen', - zevende blad regel 11 en 12 : 'Verklaart het hoger beroep van NV AGF Insurance gericht tegen T.N. ontoelaatbaar' dient gelezen te worden als : 'Verklaart het hoger beroep van NV AGF Insurance gericht tegen T.N. toelaatbaar', en het bestreden vonnis beveelt dat melding wordt gemaakt van dit beschikkend gedeelte op de kant van het te verbeteren tussenvonnis uitgesproken op 26 februari 2003 inzake A.R. nr. 02-2104A, het verklaart het hoger beroep van NV AFG Belgium Insurance toelaatbaar en gegrond en het verklaart dienvolgens de tussenvordering van T.N. tegen NV AGF Belgium Insurance in betaling van 12.146,78 euro met aanstelling van een geneesheer deskundige ongegrond, op de volgende gronden : NV AGF Belgium Insurance verzoekt om de verbetering van het tussenvonnis aangezien in dit tussenvonnis werd gesteld dat geen vordering tussen T.N. en NV AGF Belgium Insurance werd gesteld in eerste aanleg, daar waar uit de conclusie van 22 december 2000 moet blijken dat wel zulke vordering werd gesteld, zodat het hoger beroep van NV AGF Belgium Insurance in die zin dan ook toelaatbaar zou zijn ten aanzien van T.N.. De rechtbank stelt vast dat alle procespartijen ter zitting van 17 maart 2003 kennis hebben genomen van dit verzoek in besluiten op die zitting neergelegd en dit verzoek niet betwisten. De rechtbank oordeelt dat het verzoek tot verbetering van het tussenvonnis zodoende aan tegenspraak onderworpen is geweest en door de overige procespartijen niet betwist wordt. De rechtbank oordeelt dat, overeenkomstig het akkoord van alle betrokken procespartijen, het tussenvonnis van 26 februari 2003 inzake A.R. : 02-2104-A als volgt dient verbeterd te worden : - zesde blad regel 3 : 'Het hoger beroep van NV AGF Belgium Insurance is ontoelaatbaar inzoverre het gericht is tegen T.N. in eigen naam aangezien tussen deze beide procespartijen in eerste aanleg geen vorderingen werden gesteld, noch tegengestelde belangen werden behandeld' dient weggelaten te worden en als onbestaande beschouwd. - zesde blad regel 6 : 'inzoverre het gericht is tegen NV Mercator Verzekeringen' dient weggelaten te worden en als onbestaande beschouwd. - zevende blad regel 11 en 12 : 'Verklaart het hoger beroep van NV AGF Belgium Insurance gericht tegen T.N. ontoelaatbaar' dient gelezen als : 'Verklaart het hoger beroep van NV AGF Belgium Insurance gericht tegen T.N. toelaatbaar'. Grieven 1. Eerste onderdeel De rechter heeft ingevolge artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek het recht zijn vroegere beslissing uit te leggen voor zover de beschikkingen ervan onduidelijk of dubbelzinnig zijn, zonder dat hij evenwel hetgeen werkelijk is beslist, kan wijzigen of aanvullen of nog een vaststelling eraan toevoegen die vereist is voor de wettelijkheid van de beslissing. De rechter kan krachtens artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek de verschrijvingen of misrekeningen die in een door hem gewezen beslissing voorkomen, verbeteren zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. Het bestreden vonnis neemt aan dat in het tussenvonnis van 26 februari 2003 inzake A.R. nr. 02-2104-A werd beslist dat geen vordering tussen eiseres en eerste verweerster werd gesteld in eerste aanleg. Het bestreden vonnis beslist echter dat uit de conclusie van 22 december 2000 blijkt dat wel zulke vordering werd gesteld zodat het hoger beroep van eerste verweerster in die zin dan ook toelaatbaar is ten aanzien van eiseres. Het bestreden vonnis beslist dienvolgens dat de beslissing uit het tussenvonnis van 26 februari 2003 inzake A.R. nr. 02-2104-A waarbij het hoger beroep van eerste verweerster gericht tegen eiseres ontoelaatbaar verklaard werd dient gelezen als een beslissing waarbij dit hoger beroep toelaatbaar verklaard werd. Het bestreden vonnis heeft aldus ten onrechte hetgeen werkelijk beslist werd in het uit te leggen vonnis gewijzigd en de daarin bevestigde rechten uitgebreid en veranderd. Het verbod om hetgeen werkelijk is beslist, te wijzigen en het verbod om bevestigde rechten uit te breiden of te wijzigen, geldt immers ook indien hetgeen werkelijk is beslist onwettig zou zijn (schending van de artikelen 793, 794 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). Door het hoger beroep van eerste verweerster tegen eiseres toelaatbaar te verklaren, heeft het bestreden vonnis bovendien het gezag van gewijsde miskend van het tussenvonnis van 26 februari 2003 inzake A.R. nr. 02-2104-A waarbij het hoger beroep van eerste verweerster tegen eiseres ontoelaatbaar verklaard werd (schending van de artikelen 23, 24, 25, 26 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). 2. Tweede onderdeel De rechter heeft ingevolge artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek het recht zijn vroegere beslissing uit te leggen voor zover de beschikkingen ervan onduidelijk of dubbelzinnig zijn, zonder dat hij evenwel hetgeen werkelijk is beslist, kan wijzigen of aanvullen of nog een vaststelling eraan toevoegen die vereist is voor de wettelijkheid van de beslissing. De rechter kan krachtens artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek de verschrijvingen of misrekeningen die in een door hem gewezen beslissing voorkomen, verbeteren zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. Het verbod om hetgeen werkelijk is beslist, te wijzigen, aan te vullen of er vaststellingen aan toe te voegen en het verbod om bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen, geldt ook indien partijen akkoord zouden zijn dat de rechter van dit verbod zou afwijken of indien partijen dit niet zouden betwisten. Dit verbod behoort immers tot de rechtsregels van de rechterlijke organisatie en dit verbod is van openbare orde. Het bestreden vonnis kon derhalve de beslissing uit het tussenvonnis van 26 februari 2003 inzake A.R. nr. 02-2104-A waarbij het hoger beroep van eerste verweerster tegen eiseres ontoelaatbaar verklaard werd niet uitleggen als - of wijzigen in - een beslissing waarbij dit beroep toelaatbaar verklaard werd, ook al zouden partijen die wijziging niet hebben betwist of al zouden zij daarmee akkoord geweest zijn (schending van de artikelen 793, 794, 1042 en 1043 van het Gerechtelijk Wetboek). Een dergelijk akkoord is immers in strijd met de regels van de rechterlijke organisatie en met de openbare orde (schending van de artikelen 793, 794, 1042 en 1043 van het Gerechtelijk Wetboek en 6 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek). Uit het louter feit dat de miskenning van dit verbod niet zou betwist geweest zijn door eiseres kon het bestreden vonnis evenmin afleiden dat eiseres daarna akkoord zou geweest zijn (schending van de artikelen 793, 794, 1042 en 1043 van het Gerechtelijk Wetboek). 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet ; - de artikelen 1319, 1320, 1322, eerste lid, 1382 en 1383, van het Burgerlijk Wetboek ; - artikel 9.3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer ; - de artikelen 419 en 420, van het Strafwetboek. Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis verklaart de tegenvordering van eiseres tegen tweede verweerder en de tussenvordering van eiseres tegen eerste verweerster ten einde tweede verweerder en eerste verweerster in solidum te veroordelen om aan eiseres de som te betalen van 12.146,78 euro en alvorens verder recht te doen een geneesheer deskundige aan te stellen ongegrond op de volgende gronden : "
  1. b)Ir. T.G., aangesteld door de politierechtbank, legt op 8 maart 2000 zijn deskundig verslag neer. Hij gebruikt een computer simulatieprogramma. De rechtbank oordeelt dat de resultaten van een computer simulatieprogramma maar waarde hebben inzoverre de ingebrachte vaste parameters controleerbaar zijn. De deskundige stelt op pagina 2 van zijn deskundigenverslag : 'Vooreerst wordt in de PC-Crash analyse de plaats van de impact en de juiste stand van de voertuigen ingegeven...' Uit de gegevens van het strafdossier en de vaststellingen van Ir. V. blijkt dat er op de Opel (N.) verschillende impacten geweest zijn (rechts en links, vooraan en achteraan) en dat de stand van de voertuigen na de aanrijding beïnvloed geweest kan zijn door die verschillende impacten. De rechtbank stelt vast dat de deskundige G. geen rekening houdt met de invloed van de impact Opel-Porsche op de Porsche. De impact van de Opel op de Porsche moet minstens de stand van de Porsche beinvloed hebben, zelfs als deze impact een afglij-impact zou geweest zijn. Ir. G. beschrijft het verloop van de aanrijding als zou de Opel eerst achteraan rechts een impact met de Porsche gedaan hebben, vervolgens het linkervoorwiel de verlichtingspaal geraakt hebben om dan op de rechterzijde te kantelen zodat de rechteronderzijde van de Opel de boomschors raakte. De rechtbank oordeelt dat deze ongevalschronologie overeenstemt met de vaststellingen door Ir. V. gedaan en met de vaststellingen in het strafdossier en de schadevaststellingen aan de beide voertuigen, de verlichtingspaal en de boom. Ir. G. besluit dat : - de aanrijding niet het gevolg kan zijn van een onaangepaste snelheid in hoofde van één der betrokken bestuurders, - de stand van de voertuigen na de aanrijding toelaat te bepalen waar twee voertuigen met elkaar in aanrijding zijn gekomen en B. op het ogenblik van de impact bijna stilstond, - B. zich voor de aanrijding hoogstens in het midden van de rijbaan bevond en waarschijnlijk vanuit het linker gedeelte kwam gereden. De rechtbank oordeelt dat inderdaad bewezen is dat de Porsche (B.) zich op het linker gedeelte van de rijbaan moet hebben bevonden op het ogenblik van de impact met de Opel (N.), aangezien de impact bij de Opel rechts achteraan gebeurde en de Opel nadien nog de verlichtingspaal raakte, op de rechterzijde is gekanteld en de boom raakte. Indien de Porsche uiterst rechts reed zoals door het Wegverkeersreglement voorzien, had de impact niet (bij
  2. de)Porsche rechts vooraan en Opel rechts vooraan kunnen plaatsvinden, gelet op de breedte van de rijbaan. De rechtbank oordeelt dat dit de plaats van de voertuigen op het ogenblik zelf van de aanrijding betreft. De rechtbank oordeelt dat de deskundige niet aantoont hoe hij tot het besluit komt dat B. waarschijnlijk vanuit het linker gedeelte kwam gereden voor de aanrijding. Verder stelt deskundige Ir. G. op pagina 2 van zijn verslag : 'Nadien worden de bestuurders-afhankelijke elementen ingegeven m.a.w. de vermoedelijke manoeuvres (remmen, versnellen, afdraaien e.d.) welke door de bestuurders werden uitgevoerd voor, tijdens en na de botsing. Ook hier baseren we ons op gegevens uit het strafdossier en op logische en te verwachten verkeers- en rijsituaties'. De rechtbank stelt vast dat ook deze parameters uitgaan van vermoedens. De rechtbank oordeelt dat uit geen enkel objectief element blijkt waar B. zich op de rijbaan bevond v&§972;&§972;r de aanrijding. - Artikel 10.1.1 en 10.1.3 van het Wegverkeersreglement : De rechtbank oordeelt dat uit geen enkel objectief element, noch uit het strafdossier, noch uit de deskundigenonderzoeken, blijkt dat N. een onaangepaste snelheid heeft gereden. Het onaangepast karakter van de gevoerde snelheid, dewelke inzake niet gekend is, kan immers niet afgeleid worden uit het enkel feit van de aanrijding. Terzake zijn er verschillende impacten gebeurd zodat ook uit de schade-omvang de onaangepastheid van de gevoerde snelheid niet kan afgeleid worden. De rechtbank oordeelt dat geen inbreuk op artikel 10.1.1 van het Wegverkeersreglement is bewezen. De rechtbank oordeelt dat B. in gebreke blijft te bewijzen dat hij zelf een voorzienbare hindernis uitmaakte voor N., aangezien uit geen enkel objectief element blijkt waar hij zich bevond op de rijbaan voor de aanrijding. Uit de voorgebrachte stukken blijkt dat hij zich zowel links op de rijbaan, in het midden van de rijbaan als rechts op de rijbaan kon bevonden hebben. Zijn eigen verklaring is niet objectief om dit onderdeel te bewijzen. De deskundigen berekenden een waarschijnlijke plaats op de rijbaan op het ogenblik van de aanrijding, wat nog niets zegt over het gegeven waar B. zich daarvoor bevond. De verklaringen van de betrokken bestuurders zijn tegenstrijdig hieromtrent. Het voorzienbaar karakter van het voertuig bestuurd door B. is dan ook niet bewezen, zodat ook niet bewezen is dat N. een voorzienbare hindernis heeft aangereden en geen inbreuk op artikel 10.1.3 van het Wegverkeersreglement is bewezen. - Artikel 12.4 van het Wegverkeersreglement : De rechtbank oordeelt dat uit het strafdossier, de situatieschets en de deskundige verslagen duidelijk en onbetwistbaar blijkt dat N. van haar rijstrook is afgeweken en op de andere rijstrook minstens gedeeltelijk is terechtgekomen voor de eerste impact. Het veranderen van rijstrook maakt een manoeuvre uit in de zin van artikel 12.4 van het Wegverkeersreglement, waarbij dan voorrang moet verleend worden aan de andere weggebruikers. N. werpt op dat haar rijbeweging een noodmanoeuvre uitmaakte in reactie op de rijbeweging van B.. N. maakt hier gebruik van een rechtvaardigingsgrond. De rechtbank oordeelt dat gelet op de vaststellingen in het strafdossier en de overwegingen en besluiten van de deskundigen het gegeven dat B. zich op de linkerrijstrook of in het midden van de rijbaan bevond voor de aanrijding niet bewezen is, maar wel aannemelijk gemaakt wordt. Het niet bestaan van deze rechtvaardigingsgrond wordt door B. niet bewezen. De rechtbank oordeelt dat bijgevolg geen inbreuk op artikel 12.4 van het Wegverkeersreglement in hoofde van N. bewezen is. - Artikel 12.5 van het Wegverkeersreglement : De rechtbank oordeelt dat gelet op het voorgaande geen inbreuk op artikel 12.5 van het Wegverkeersreglement bewezen is. Aangezien geen fout in hoofde van N. bewezen is, oordeelt de rechtbank dat het oorzakelijk verband en de schade in het kader van de vordering van B. niet verder dient onderzocht te worden. II. B.2. Tegenvordering : T.N. (hierna N.) vordert een schadevergoeding op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en dient dan ook de fout in hoofde van Werner B. (hierna B.), alsook de schade en oorzakelijk verband te bewijzen. (cf. art. 870 Ger. W.) II. B.2.a : Het bewijs van de fout van B. : N. verwijt B. een fout in die zin dat hij de artikelen 418-420 van het Strafwetboek, de artikelen 9.3, 12.4 en 15.2 van het Wegverkeersreglement niet naleefde ; (...) - Artikel 9.3 van het Wegverkeersreglement : N. werpt op dat B. niet zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan reed. De rechtbank oordeelde hoger onder II. B.1 reeds dat N. de aannemelijkheid daarvan bewijst. Om een fout in hoofde van B. te bewijzen is het niet voldoende een inbreuk aannemelijk te maken maar is N. verplicht de inbreuk te bewijzen. De rechtbank oordeelt dat uit geen enkel objectief element, noch het strafdossier, noch de deskundigenverslagen, blijkt dat een inbreuk op artikel 9.3 van het Wegverkeersreglement bewezen is, aangezien niet met zekerheid kan gesteld worden waar B. zich bevond op de rijbaan voor de aanrijding. Zowel de reactie op de komst van het voertuig bestuurd door N., als de impact met dit voertuig hebben de uiteindelijke stand van het voertuig na de aanrijding beïnvloed. Er boden zich ook geen getuigen aan. - Artikel 12.4 van het Wegverkeersreglement : N. werpt op dat B. van rijstrook veranderde en zodoende een manoeuvre in de zin van artikel 12.4 van het Wegverkeersreglement uitvoerde en voorrangsplichtig was. De rechtbank oordeelde hoger reeds dat niet bewezen is dat B. van rijstrook veranderde, aangezien de stand van zijn voertuig, na de aanrijding, juist op de onderbroken witte streep, beinvloed is geweest door de reactie op de komst van het voertuig van N. en door de impact met de Opel. Uit de stand van de Porsche op de rijbaan kan niet afgeleid worden vanuit welke plaats op de rijbaan hij daarvoor kwam. Om een inbreuk op artikel 12.4 van het Wegverkeersreglement te bewijzen is het bewijs van het manoeuvre onontbeerlijk. N. faalt in haar bewijslast. (...) - Artikel 418-420 van het Strafwetboek : N. werpt op dat B. een fout heeft begaan door onopzettelijke slagen en verwondingen toe te brengen aan N. door een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg. Artikel 420 van het Strafwetboek is hier niet van toepassing aangezien dit artikel de straftoemeting regelt. De rechtbank oordeelt dat niet bewezen is dat B. zich links van de rijbaan bevond voor de aanrijding. Uit geen enkel objectief element blijkt dat B. onvoorzichtig rijgedrag heeft vertoond, noch blijkt enig gebrek aan voorzorg uit zijne hoofde". Grieven 2.1. Eerste onderdeel Het bestreden vonnis beslist enerzijds in verband met de hoofdvordering van tweede verweerder tegen eiseres : "N. werpt op dat haar rijbeweging een noodmanoeuvre uitmaakte in reactie op de rijbeweging van B.. N. maakt hier gebruik van en rechtvaardigingsgrond. De rechtbank oordeelt dat gelet op de vaststellingen in het strafdossier en de overwegingen en besluiten van de deskundigen het gegeven dat B. zich op de linkerrijstrook of het midden van de rijbaan bevond voor de aanrijding niet bewezen is, maar wel aannemelijk gemaakt wordt. Het niet bestaan van deze rechtvaardigingsgrond wordt door B. niet bewezen". (bestreden vonnis p. 13, vijfde en zesde lid) Het bestreden vonnis beslist anderzijds in verband met de tegenvordering van eiseres tegen tweede verweerder: "De rechtbank oordeelt dat uit geen enkel objectief element, noch uit het strafdossier, noch de deskundigenverslagen, blijkt dat een inbreuk op artikel 9.3 van het Wegverkeersreglement bewezen is, aangezien niet met zekerheid kan gesteld worden waar B. zich bevond op de rijbaan voor de aanrijding". (bestreden vonnis p. 14, laatste lid) Door aldus het gegeven dat B. zich voor de aanrijding op de linkerrijstrook of in het midden van de rijbaan bevond, als een bestaande rechtvaardigingsgrond aan te nemen waarvan het tegenbewijs niet geleverd wordt en door tegelijkertijd te beslissen dat niet met zekerheid kan gesteld worden waar B. zich voor de aanrijding op de rijbaan bevond, is het bestreden vonnis tegenstrijdig gemotiveerd nu het uitdrukkelijk beslist dat het gegeven dat B. zich voor de aanrijding op de linkerrijstrook of in het midden van de rijbaan bevond wel aannemelijk gemaakt wordt (schending van artikel 149 van de Grondwet). Op grond van die tegenstrijdige motieven kon het bestreden vonnis in ieder geval niet wettelijk beslissen dat een inbreuk op artikel 9.3 van het Wegverkeersreglement en op de artikelen 418 en 420 van het Strafwetboek lastens B. niet bewezen zijn (schending van de artikelen 9.3, van het koninklijk besluit van 1 december 1975, 418 en 420 van het Strafwetboek en 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). 2.2. Tweede onderdeel De appèlrechters stellen in het bestreden vonnis vast dat de deskundige G. geen rekening houdt met de invloed van de impact Opel-Porsche op de Porsche. De impact van de Opel op de Porsche moet volgens de appèlrechters minstens de stand van de Porsche beïnvloed hebben (zie het bestreden vonnis, p. 11, vijfde lid). Door te beslissen dat de deskundige G. geen rekening houdt met de invloed van de impact Opel-Porsche op de Porsche is het bestreden vonnis dubbelzinnig gemotiveerd. Uit die motieven kan inderdaad niet worden afgeleid of deskundige G. volgens de appèlrechters geen rekening gehouden heeft met de invloed van de impact Opel-Porsche op de Porsche dan wel of die impact volgens deskundige G. zonder invloed geweest is op de stand van de Porsche (schending van artikel 149 van de Grondwet). In de eerste veronderstelling is het bestreden vonnis bovendien niet wettelijk gerechtvaardigd. Deskundige G. heeft in zijn verslag immers uitdrukkelijk vermeld : De impact tussen beide voertuigen was duidelijk een afglij-impact waarbij de Porsche (B.) onmogelijk naar achter kon geprojecteerd worden. De impact lag dus niet verder dan 19,6 meter van het nulpunt. Anderzijds kan het impactpunt nauwelijks of niet vóór de eindstand van de Porsche gelegen hebben want dan kon de Opel (N.) niet met de linkervoorhoek tegen de verlichtingspaal gebotst hebben. Hieruit volgt dan ook dat de Porsche (B.) op het ogenblik van de botsing zo goed als stilstond, hoogstens een zeer lage snelheid voerde. De energie welke vrijkwam tijdens de diverse botsingen is dan ook vrijwel enkel afkomstig van de Opel (N.). De kinetische energie (en dus de snelheid) welk dit voertuig had op het ogenblik dat het met de rechterachterkant tegen de Porsche (B.) botste moet dan ook terug te vinden zijn in de vervormingsenergieën welke we bij beide voertuigen terugvinden rekening houdend met het feit dat de Opel 4 meter na de primaire impact tot stilstand kwam tegen de boom. De kinetische energie van de uitloop was dus, gezien het korte traject, zeer klein. Ook het contact met de verlichtingspaal zal een deel van de aanvankelijke aanwezige energie opslorpen (zie verder stootparameters). Bij de berekening van de impuls (stootparameters) zal men ook als belangrijkste (enige) elementen de verwarmingsenergieën kunnen aanwenden om de juistheid van de ongevalsanalyse te controleren. Uit de schadebeelden van beide voertuigen kan men de onderlinge stand van beide voertuigen op het ogenblik van impact afleiden (zie het deskundig verslag van Ir. T.G., neergelegd voor de eerste rechter met een P.V. van neerlegging deskundig verslag van 08 maart 2000, p. 11). De gerechtsdeskundige heeft aldus wel degelijk rekening gehouden met de invloed van de impact Opel-Porsche op de Porsche en hieruit afgeleid dat de Porsche onmogelijk naar achter kon geprojecteerd geweest zijn. Door te beslissen dat de deskundige G. geen rekening houdt met de invloed van de impact Opel-Porsche op de Porsche, hebben de appèlrechters de bewijskracht miskend van het verslag van deze deskundige (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof 1. Eerste middel 1.1. Tweede onderdeel 1.1.1. Gronden van niet-ontvankelijkheid Over de door de eerste verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel : de door de eisers als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen kunnen niet tot cassatie leiden : Overwegende dat het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid niet te scheiden is van het onderzoek van het onderdeel ; Dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen ; Over de door de tweede verweerder opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel : de eisers kunnen geen rechtsmiddel meer instellen : Overwegende dat de tweede verweerder aanvoert dat de appèlrechters vaststellen dat er tussen de partijen een akkoord is tot stand gekomen omtrent de wijze waarop het tussenvonnis van 26 februari 2003 dient verbeterd te worden, zodat tegen het bestreden vonnis op dat punt overeenkomstig artikel 1043, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, geen voorziening open staat ; Overwegende dat het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid niet te scheiden is van het onderzoek van het onderdeel ; Dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen ; 1.1.2. Het onderdeel zelf Overwegende dat, overeenkomstig artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek, de rechter de verschrijvingen of misrekeningen die in een door hem gewezen beslissing voorkomen kan verbeteren, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen ; Dat de rechter die een verbeterend vonnis of arrest wijst, aangeeft dat de verbeterde beslissing heeft geoordeeld zoals in het verbeterende vonnis of arrest is bepaald en aldus het verbeterende vonnis of arrest één geheel vormt met het verbeterde vonnis of arrest ; Dat hieruit volgt dat de rechter, geadieerd door een vordering tot verbetering, moet nagaan, ongeacht een eventueel akkoord daaromtrent tussen de partijen, of er redenen zijn tot verbetering van zijn beslissing en of de gevorderde verbetering de in zijn beslissing bevestigde rechten niet uitbreidt, beperkt of wijzigt ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat : 1. de eerste verweerster de verbetering verzoekt van het tussenvonnis van 26 februari 2003 in de mate dat in dat vonnis werd geoordeeld dat er geen vordering werd ingesteld tussen de eerste eiseres en de eerste verweerster in eerste aanleg, terwijl dit wel het geval blijkt te zijn, zodat het hoger beroep van de eerste verweerster dan ook, in tegenstelling met wat werd beslist, ontvankelijk is ten aanzien van de eerste eiseres ; 2. de procespartijen ter zitting van 17 maart 2003 kennis genomen hebben van voormeld verzoek en dit niet hebben betwist ; Dat de appèlrechters vervolgens oordelen dat het verzoek tot verbetering zodoende aan de tegenspraak van de partijen is onderworpen, door de andere procespartijen niet wordt betwist en dat overeenkomstig het akkoord van alle betrokken procespartijen, het tussenvonnis van 26 februari 2003 in zake AR nr. 02-2104-A, als volgt dient verbeterd : 1. op het zesde blad, regel drie, dient de vermelding : "Het hoger beroep van NV AGF Belgium Insurance is ontoelaatbaar in zoverre het gericht is tegen T.N. in eigen naam aangezien tussen beide procespartijen in eerste aanleg geen vorderingen werden gesteld, noch tegengestelde belangen werden behandeld" weggelaten en als onbestaand te worden beschouwd ; 2. op het zesde blad, regel zes, dient de vermelding "in zoverre het gericht is tegen NV Mercator Verzekeringen" weggelaten en als onbestaand te worden beschouwd ; 3. op het zevende blad, regel elf en twaalf, dient de vermelding : "Verklaart het hoger beroep van NV AGF Belgium Insurance gericht tegen T.N. ontoelaatbaar", gelezen te worden als : "Verklaart het hoger beroep van NV AGF Belgium Insurance gericht tegen T.N. toelaatbaar" ; Dat de appèlrechters door aldus te oordelen artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek schenden ; Dat het onderdeel gegrond is ; 2. Omvang van de cassatie Overwegende dat de vernietiging van de beslissing omtrent de verbetering van het tussenvonnis van 26 februari 2003, zich uitstrekt tot de overige beslissingen van het bestreden vonnis die er nauw mee verbonden zijn ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, zitting houdende in hoger beroep. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van eenentwintig maart tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050321.7 Gerelateerde publicatie(
  3. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020220.16 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041213.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201026.3F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.