← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050321.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050321.8 Rolnummer: S.04.0122.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2005-06-14 Raadplegingen: 247 - laatst gezien 2026-07-04 13:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De leerjongen wordt geacht zich op de plaats van het werk te bevinden en valt onder de toepassing van de Arbeidsongevallenwet, wanneer hij onderweg is naar de plaats waar de in het kader van de leerovereenkomst te volgen vormingslessen worden gegeven en zolang hij zich aldaar bevindt. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - WEG NAAR EN VAN HET WERK (BEGRIP, BESTAAN, BEWIJS) Vrije woorden: ARBEIDSONGEVAL - WEG NAAR EN VAN HET WERK (BEGRIP, BESTAAN, BEWIJS) Begrip Gelijkstelling "Plaats waar hij werkt" Leerovereenkomst Leerjongen Leergangen Traject van verblijfplaats naar vormingsinstituut Arbeidsongeval Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Artt.1,5,en8 Fiche 2 Met bijwonen van vormingslessen zijn ook de door de leerling noodzakelijk te volgen leergangen bedoeld; de wet maakt geen onderscheid tussen vormingslessen die de werknemer vrijwillig volgt en degene die een leerling in het kader van de leerovereenkomst verplicht is te volgen in het deeltijds onderwijs. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - WEG NAAR EN VAN HET WERK (BEGRIP, BESTAAN, BEWIJS) Vrije woorden: ARBEIDSONGEVAL - WEG NAAR EN VAN HET WERK (BEGRIP, BESTAAN, BEWIJS) Bestaan Gelijkstelling Leerovereenkomst Leerjongen Leergangen Vormingslessen Begrip Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Art.8,§1,der Fiche 3 Met uitdrukkelijke of stilzwijgende toelating van de werkgever vormingslessen bij te wonen is ook de verplichting van de patroon bedoeld, bepaald bij artikel 24, 3°, van de wet van 19 juli 1983, namelijk de leerling in staat te stellen de voor zijn opleiding noodzakelijke leergangen te volgen. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - WEG NAAR EN VAN HET WERK (BEGRIP, BESTAAN, BEWIJS) Vrije woorden: ARBEIDSONGEVAL - WEG NAAR EN VAN HET WERK (BEGRIP, BESTAAN, BEWIJS) Bestaan Gelijkstelling Leerovereenkomst Leerjongen Leergangen Vormingslessen Uitdrukkelijke of stilzwijgende toelating van de werkgever Begrip Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Art.8,§1,der Tekst van de beslissing Nr. S.04.0122.N.- FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN, openbare instelling, met zetel te 1050 Elsene, Troonstraat 100, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen

  1. MERCATOR VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, verzeke-ringsmaatschappij, met vennootschapszetel te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 302, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  2. H. Y.,
  3. S. N., partijen opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 maart 2004 gewezen door het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Feiten Uit het arrest blijkt dat wijlen S.H. geboren op 19 september 1982 sedert 16 september 1998 was tewerkgesteld met een leerovereenkomst bij de NV Garage Transport Gheeraert te Loppem, verzekerd tegen arbeidsongevallen bij verweerster. In uitvoering van deze leerovereenkomst diende hij een praktische opleiding te volgen bij zijn patroon op woensdag, donderdag en vrijdag. Hij volgde aanvullende theoretische en algemene vorming op maandag in het Maria Duininstituut te Zeebrugge, om te leren rijden met een heftruck, en op dinsdag te Brugge in het Vrij Centrum voor Deeltijds Onderwijs om theoretische en algemene lessen te volgen. Op dinsdag 8 december 1998 rond 7.35 uur werd S.H. slachtoffer van een dodelijk verkeersongeval, toen hij zich per bromfiets begaf van zijn woonplaats te Veldegem naar het Vrij Centrum voor Deeltijds Onderwijs te Brugge. De leerovereenkomst werd gesloten op 16 september 1998, toen bij toepassing van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, en ving aan op 16 september 1998 om te eindigen op 15 september
  4. De leerovereenkomst werd uitgevoerd in de werkplaats van de patroon op normale werkdagen behalve op de dagen waarop theoretische lessen werden gevolgd. Volgens de individuele loonfiche, is in een voltijds werk voorzien in een vijfdagenweek. Volgens artikel 4 van de leerovereenkomst ontvangt de leerling een maandelijks leervergoeding, die zowel voor de praktische opleiding in de onderneming als voor de aanvullende theoretische opleiding en algemene vorming verschuldigd is. Volgens artikel 2 van de leerovereenkomst gaat de patroon de verbintenis aan om de leerling een opleiding te verstrekken of te laten verstrekken met het oog op het uitoefenen van het beroep van polyvalent arbeider en de leerling verbindt er zich toe om de praktijk van het beroep onder het gezag van de patroon aan te leren en onder diens toezicht de voor zijn opleiding noodzakelijke leergangen te volgen. IV. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, 5, 8, in het bijzonder ,§1, eerste, tweede en derde lid, 3°, 20bis en 59quinquies, eerste lid (zoals van toepassing zowel voor als na wijziging bij artikel 24 van de wet van 10 augustus 2001, Belgisch Staatsblad van 7 september 2001) van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 ; - de artikelen 3, 24, 3°, 25, ,§,§1 en 4, 45 en 46 van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingenwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst (Belgisch Staatsblad van 31 augustus 1983, met het huidig opschrift, zoals vervangen bij artikel 1 van de wet van 24 juli 1987, Belgisch Staatsblad van 28 augustus 1987), hierna afgekort: de wet van 19 juli 1983 op het leerlingenwezen. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van verweerster, dat ertoe strekte te horen zeggen voor recht dat het ongeval dat wijlen de Heer S.H. overkwam geen arbeidswegongeval uitmaakt, gegrond en vernietigt het andersluidend bestreden vonnis op grond van de volgende overwegingen : "Wat de gelijkstelling betreft van de plaats van het werk zoals voorzien in artikel 8, ,§1, derde lid, 3°, van de Arbeidsongevallenwet worden drie cumulatieve voorwaarden gepreciseerd : - dat het vormingslessen betreft, dit zijn in beginsel vormingslessen, die door de werknemer op vrijwillige basis worden gevolgd, terwijl in een leercontract de leerling verplicht wordt leergangen te volgen ; of het begrip 'vormingslessen' al dan niet breed dient te worden geïnterpreteerd doet hieraan geen afbreuk, - mits uitdrukkelijke of stilzwijgende toelating van de werkgever, terwijl in een leercontract de werkgever geen toelating moet verlenen, maar enkel de leerling in staat moet stellen om de verplichte leergangen te volgen (cfr. verder sub 4.6, 3°) ; - tijdens de normale arbeidsuren, terwijl in een leercontract enkel kan bedoeld worden tijdens de uren waarin de leerjongen normaal opleiding krijgt in de onderneming van zijn patroon, hetgeen voor S.H. niet het geval was, vermits hij de lessen in het Centrum voor Deeltijds Onderwijs niet volgde tijdens de normale arbeidsuren (zie verder sub 4.6, 1 °) ; De drie cumulatieve voorwaarden van artikel 8, ,§1, derde lid, 3°, van de Arbeidsongevallenwet zijn niet vervuld. 4.
  5. Volgens de visie van (eiser en de in bindendverklaring opgeroepen partijen) en de redenering van het vonnis a quo zou het de rechter toekomen te oordelen of er tussen het Vrij Centrum voor Deeltijds Onderwijs en de plaats waar S.H. werkte een nauw genoeg verband is om op grond van de woorden 'onder meer' tot een jurisprudentiële uitbreiding over te gaan. Anders dan de eerste rechter is het arbeidshof van oordeel dat dit verband in casu niet aanwezig is. Dit wordt aangetoond door de volgende motieven : 1°. met betrekking tot de 'arbeidstijd' voorziet artikel 46 van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingenwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst dat enkel voor de toepassing van de arbeidswet van 16 maart 1971, de tijd die de leerling besteedt aan het volgen van de in artikel 45 bedoelde vorming voor het verwerven van theoretische kennis en van de economische en sociale vorming beschouwd worden als arbeidstijd. Deze tekst werd overgenomen van artikel 19bis van de arbeidswet van 16 maart 1971, namelijk dat de tijd, door de jeugdige werknemer, die nog onderworpen is aan de deeltijdse leerplicht zoals bedoeld bij artikel 1, ,§1, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, besteed aan het volgen van onderwijs met beperkt leerplan of aan een voor de vervulling van de leerplicht erkende vorming, als arbeidsduur wordt beschouwd. Deze bepalingen brengen evenwel geen gelijkstelling mee van de tijd die de leerling in het centrum voor deeltijds onderwijs doorbrengt met de arbeidstijd. Dit blijkt genoegzaam uit het wetsontwerp van de wet van 19 juli 1983 waar artikel 46 enkel beoogt te vermijden dat de grenzen van de arbeidsduur volgens de arbeidswet zouden overschreden worden, in de zin van de samentelling van de tijd besteed aan de theoretische opleiding én deze van de praktische opleiding. De minister antwoordde immers expliciet dat enerzijds de vorming die gelijkgesteld wordt met arbeidsduur de aanvullende theoretische vorming in een onderwijsinrichting betreft en niet vergoed wordt als arbeidstijd. Daarentegen wordt anderzijds de vorming in het bedrijf zelf gelijkgesteld met arbeidstijd en als dusdanig betaald (...). Conclusie : De tijd doorgebracht in het centrum waar S.H. op dinsdag lessen kreeg is geen arbeidstijd, zodat niet kan besloten worden tot gelijkstelling tussen leertijd en arbeidstijd. 2°. met betrekking tot de leervergoeding verwijzen (eiser en de in bindendverklaring opgeroepen partijen) naar artikel 25 van de leerovereenkomst afgesloten tussen S.H. en zijn patroon (stuk 2, dossier eerste in bindendverklaring opgeroepen partij), bepalend dat de leerling van de patroon een maandelijkse leervergoeding ontvangt die zowel voor de praktijkopleiding in de onderneming als voor de aanvullende theoretische opleiding en de algemene vorming verschuldigd is. Deze tekst beantwoordt aan artikel 25, ,§1, van de leerovereen-komstenwet van 19 juli 1983 die dezelfde bepaling bevat. Nochtans kan hieruit niet afgeleid worden dat de patroon de leervergoeding ook zou moeten betalen a rato van het aantal uren dat de leerjongen les volgt in het Centrum voor Deeltijds Onderwijs. Ook hier (net als sub 1°.) blijkt dit genoegzaam uit het wetsontwerp van de wet van 19 juli 1983, nu de minister er op wijst dat de omvang van de vergoeding slechts algemeen is omschreven, aangezien het precies de taak is van de paritaire comité's om dit per sector te specifiëren, rekening houdend met de aard van het beroep en de te leveren arbeid (...). Bovendien bepaalt artikel 25, ,§2, van de Leerovereenkomstenwet van 19 juli 1983 de berekeningswijze van de maandelijks verschuldigde leervergoeding verwijzend naar artikel 47 van het leerreglement vastgesteld door de Koning op voorstel van het bevoegd paritair leercomité. De maxima van deze leervergoeding worden geregeld door het koninklijk besluit van 19 augustus 1998, bepalend in artikel 2 dat, wanneer de leerling in de loop van een bepaalde maand gedurende bepaalde periodes, de aanvullende theoretische opleiding of algemene vorming niet moet volgen en hij gedurende deze periodes op de tijdstippen waarop hij normalerwijze aanwezig moet zijn in de instelling waar die opleiding en vorming verstrekt worden, in de onderneming aanwezig is, de percentages van deze maxima worden toegepast op het gedeelte van het bepaalde nationaal gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen dat overeenstemt met de aanwezigheid van de leerling in de loop van die maand in de onderneming. Conclusie : De berekening van de leervergoeding is derhalve gebaseerd op de in de onderneming doorgevoerde opleiding ofschoon zij zowel verschuldigd is voor de praktische als voor de theoretische opleiding. Wat specifiek het loon van S.H. betreft dient dan nog te worden vastgesteld dat op de ongevalsaangifte het aangegeven brutoloon 158,1 BEF per uur bedraagt voor drie dagen per week 24 uren (...). Ook volgens de individuele loonfiches gebeurde de berekening op basis van drie dagen prestaties (7,8 uur per dag - bruto-uurloon 158,1 BEF), vermits voor oktober 1998 119,23 uren werden uitbetaald en voor november 1998 91,98 uren (...). Conclusie : De berekening van de leervergoeding is niet gebaseerd op de vijfdagenweek, zoals ten onrechte door (eiser en de in bindendverklaring opgeroepen partijen) voorgehouden. 3°. Krachtens artikel 3 van de Leerovereenkomstenwet dd. 19 juli 1983 worden de lessen niet gevolgd onder het gezag van de patroon, maar onder diens toezicht De minister preciseert in de parlementaire voorbereiding tot die wet dat de patroon er wel moet op toezien dat de leerling niet in het bedrijf is op het ogenblik dat hij theoretische lessen volgt zonder dat hij een rechtstreekse opdracht heeft bij de lessen zelf (...). In casu geldt het gezag van de school, waardoor de weg naar en van de school gedekt is door de schoolverzekering (...), hetgeen overigens blijkt uit de tussenkomst van de schoolverzekering naar aanleiding van het overlijden van S.H. (...). 4°. De plaats waar de lessen gevolgd worden in het Centrum voor Deeltijds Onderwijs is niet de plaats van het werk zoals bedoeld in artikel 8, ,§1, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet. Dat de leerlingen in het industrieel leerlingenwezen onder toepassing van de R.S.Z.-wet vallen en ook van de Arbeidsongevallenwet werd reeds sub 4.
  6. uiteengezet maar betekent niet dat er dan ipso facto dekking voorzien is voor alle activiteiten die de leerling uitoefent, zowel binnen de onderneming van de patroon als er buiten tijdens de theoretische opleiding. De 'plaats van het werk' is in functie van artikel 8, ,§1, van de Arbeidsongevallenwet de plaats waar de opleiding door de patroon wordt gegeven onder diens gezag, maar niet de plaats waar de theoretische lessen worden gegeven. Geen enkele bepaling in de Arbeidsongevallenwet laat toe de plaats waar theoretische lessen worden gegeven onder het begrip 'plaats van het werk' onder te brengen. De Arbeidsongevallenwet is in principe dan ook, wat leerjongens betreft, toepasselijk op de activiteit in de onderneming, maar niet op de lessen, behoudens gevallen van gelijkstelling met beroepsopleiding en mits een strikte band tussen de school en de onderneming (...). Conclusie : De leerovereenkomst omvat twee onderdelen, waarvan slechts één wordt uitgeoefend onder het gezag en in de onderneming van de patroon, waarvoor de Arbeidsongevallenwet het risico verzekert op de plaats van het werk, terwijl er geen wettelijke basis is om het centrum voor beroepsopleiding te beschouwen als de plaats van het werk in de zin van artikel 8, ,§1 , van de Arbeidsongevallenwet". Grieven Eerste onderdeel Krachtens artikel 8, ,§1, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet, die in deze overeenkomstig de artikelen 1 en 5 van diezelfde wet van toepassing is, wordt als arbeidsongeval aangezien het ongeval (dat) zich voordoet op de weg naar en van het werk. Bij artikel 8, ,§1 , tweede lid, van de Arbeidsongevallen-wet wordt "de weg naar en van het werk" gedefinieerd als het normale traject dat de werknemer moet afleggen om zich van zijn verblijfplaats te begeven naar de plaats waar hij werkt en omgekeerd. Krachtens artikel 8, ,§1, derde lid, 3°, van diezelfde wet wordt de werknemer geacht zich eveneens op de plaats waar hij werkt te bevinden, wanneer hij onder meer : "(...) 3°. met de uitdrukkelijke of stilzwijgende toelating van de werkgever vormingslessen bijwoont welke tijdens de normale arbeidsuren plaatshebben". Deze bepaling beperkt geenszins het begrip "vormingslessen" tot lessen met een "verplicht" karakter. De wet omschrijft evenmin wat begrepen moet worden onder de begrippen "uitdrukkelijke of stilzwijgende toelating", dan wel "normale arbeidsuren", noch geeft hij aan dat deze begrippen anders moeten geïnterpreteerd worden al naar gelang de categorie van werknemers waarop de Arbeidsongevallenwet ratione personae van toepassing is. In geval van een dodelijk arbeidsongeval, dient de arbeidsongevallenverzekeraar aan de bloedverwanten in opgaande lijn een rente te betalen tot op het ogenblik waarop de getroffene de leeftijd van 25 jaar zou bereikt hebben, tenzij zij het bewijs leveren dat de getroffene voor hen de belangrijkste kostwinner was. Wanneer deze niet verschuldigd is, wordt de in kapitaal omgezette rente gestort aan eiser (artikelen 20bis en 59quinquies van de Arbeidsongevallenwet) zodat eiser een belang heeft om het ongeval als arbeidsongeval te horen erkennen. Krachtens artikel 3 van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingenwezen is de leerovereenkomst een overeenkomst voor bepaalde tijd, waarbij de patroon de verbintenis aangaat de leerling een opleiding te verstrekken of te laten verstrekken met het oog op het uitoefenen van het gekozen beroep, en waarbij de leerling zich ertoe verbindt de praktijk van het beroep onder het gezag van de patroon aan te leren en onder diens toezicht de voor zijn opleiding noodzakelijke leergangen te volgen. Overeenkomstig artikel 24, 3°, van diezelfde wet is de patroon ertoe verplicht de leerling in staat te stellen de voor zijn opleiding noodzakelijke leergangen te volgen. Die leertijd omvat zowel het mededelen aan de leerling van praktische kennis en van aanvullende theoretische kennis voor het bijbrengen van een volledige beroepsbekwaamheid, alsmede een economische en sociale kennis van algemene aard (artikel 45 van diezelfde wet). Voor de toepassing van de Arbeidswet van 16 maart 1971, wordt de tijd die de leerling besteedt aan het volgen van de in artikel 45 bedoelde vorming voor het verwerven van aanvullende theoretische kennis en van de economische en sociale vorming, beschouwd als arbeidstijd (artikel 46 van diezelfde wet). De leervergoeding die de leerling maandelijks ontvangt is verschuldigd zowel voor de praktijkopleiding in de onderneming als voor de aanvullende theoretische opleiding en algemene vorming en wordt beschouwd als loon in de zin van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (artikel 25, ,§1 en ,§4 van diezelfde wet). Uit de vaststaande feitelijke gegevens blijkt dat wijlen S.H. zich op het ogenblik van het ongeval vanuit zijn verblijfplaats begaf naar de plaats waar hij de voor zijn opleiding noodzakelijke leergangen (in casu : theoretische en algemene vorming) diende te volgen in het kader van zijn leerovereenkomst in de zin van voormelde wet. Hoewel het centrum waar hij die theoretische en algemene vorming diende te volgen niet "de plaats waar hij werkt" uitmaakt in de zin van artikel 8, ,§1, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet, moet hij toch geacht worden zich daar te bevinden, nu hij voldeed aan de voorwaarden van artikel 8, ,§1, derde lid, 3°, van de Arbeidsongevallenwet, daar hij zich vanuit zijn verblijfplaats naar die plaats begaf om er een opleiding te volgen die kaderde in zijn leerovereenkomst en, - waarvoor hij wel degelijk een toelating had vanwege zijn werkgever nu deze hem krachtens de artikelen 3 en 24, 3°, van de wet van 19 juli 1983 in staat moet stellen deze voor zijn opleiding noodzakelijke leergangen te volgen, hetgeen a fortiori een toelating om die lessen te volgen impliceert, - het begrip "vormingslessen" geenszins wettelijk beperkt is tot lessen die op vrijwillige basis gevolgd worden, daar artikel 8 van de Arbeidsonge-vallenwet deze beperking niet bevat, - de te volgen lesuren wel degelijk plaats vonden "tijdens de normale arbeidsuren", en de wet niet voorschrijft dat dit begrip "normale arbeidsuren" anders moet geïnterpreteerd worden al naar gelang de categorie van werknemers (leerlingen of andere) waartoe de betrokken werknemer behoort, derwijze dat er geen reden is om ten aanzien van leerlingen het begrip "tijdens de normale arbeidsuren" te beperken tot de uren waarin de leerjongen normaal opleiding krijgt in de onderneming. Door te oordelen dat de drie cumulatieve voorwaarden (toelating, vormingslessen, normale arbeidsuren) van artikel 8, ,§1 , derde lid, 3°, van de Arbeidsongevallenwet niet vervuld waren, op grond van de overwegingen dat het begrip "vormingslessen" enkel lessen betreft "die door de werknemer op vrijwillige basis worden gevolgd", dat "(de werkgever ) in een leercontract (...) geen toelating moet verlenen" en met het begrip "tijdens de normale arbeidsuren", "in een leercontract enkel kan bedoeld worden tijdens de uren waarin de leerjongen normaal opleiding krijgt in de onderneming van zijn patroon", verantwoordt het bestreden arrest bijgevolg zijn beslissing niet naar recht (schending van artikel 8, ,§1, derde lid, 3°, van de Arbeidsongevallenwet). In zoverre het arrest op deze grond oordeelt dat verweerster geen tussenkomst dient te verlenen in het kader van de Arbeidsongevallenwet en eiser bijgevolg geen recht heeft op de in kapitaal omgezette rente van de artikelen 20bis en 59quinquies van de Arbeidsongevallenwet, is het evenmin naar recht verantwoord (schending van de artikelen 1, 5, 8, ,§1, derde lid, 3°, 20bis en 59quinquies van de Arbeidsongevallenwet). Tweede onderdeel Uit de vermelding "onder meer" in artikel 8, ,§1, derde lid, van de Arbeidsongevallenwet blijkt dat de opsomming die deze bepaling bevat nopens plaatsen waar de werknemer eveneens geacht wordt zich te bevinden op de plaats waar hij werkt, niet limitatief doch exemplatief is. Ook wanneer de situatie van de werknemer niet valt onder een van de opgesomde gevallen, kan hij bijgevolg geacht worden zich op de plaats van het werk te bevinden, voor zover er een voldoende nauwe band is met de onderneming. In zoverre de betrokken werknemer tewerkgesteld was krachtens een leerovereenkomst in de zin van de wet van 19 juli 1983, en het ongeval zich voordeed op een moment dat hij zich naar zijn theoretische lessen, te volgen in het kader van die overeenkomst, begaf, is de band met de onderneming waar hij werkte in het kader van zijn praktijkopleiding wel degelijk voorhanden. Immers, zoals blijkt uit de artikelen 3 en 24, 3°, van voormelde wet van 19 juli 1983, zoals weergegeven in het eerste onderdeel, maakt het samengaan van een praktische en theoretische opleiding het wezen zelf van de leerovereenkomst uit : de leerling leert de praktijk van het beroep onder het gezag van zijn patroon aan en volgt daarnaast onder diens toezicht de voor zijn opleiding noodzakelijke leergangen. De patroon is daarbij ertoe verplicht de leerling in staat te stellen de voor zijn opleiding noodzakelijke leergangen te volgen (artikel 24, 3°, wet van 19 juli 1983). Daarnaast wordt krachtens artikel 46 van de wet van 19 juli 1983 de leertijd beschouwd als arbeidstijd, zodat de grenzen van de arbeidsduur door de optelling van de tijd besteed aan de theoretische opleiding enerzijds en praktische opleiding anderzijds, niet overschreden zouden worden. Bovendien is de patroon de leerling een leervergoeding verschuldigd die krachtens artikel 25 van diezelfde wet zowel voor de praktijkopleiding in de onderneming als voor de aanvullende theoretische en algemene vorming verschuldigd is, waarmee de wetgever andermaal de band tussen beide aspecten van de leerovereenkomst heeft benadrukt. Het gegeven dat deze vergoeding de facto berekend wordt op basis van de in de onderneming zelf gevolgde praktische opleiding, betreft enkel de berekeningswijze van de vergoeding, die echter, uit haar wettelijke aard zelf, zowel het werken als het leren beoogt te vergoeden. Het gegeven dat de leerling slechts "onder het toezicht" van zijn patroon de lessen volgt, verhindert geenszins dat artikel 8, ,§1, derde lid, bij wijze van jurisprudentiële uitbreiding een toepassing kan vinden, daar deze bepaling precies die gevallen beoogt waarbij een werknemer, zonder zich naar de eigenlijke arbeidsplaats te begeven (waar hij onder het gezag van zijn werkgever zou staan), toch "geacht wordt" zich aldaar te bevinden. Het bestreden arrest oordeelt evenwel dat die band in casu niet aanwezig is, omdat de wettelijke bepalingen terzake "geen gelijkstelling (meebrengen) van de tijd die de leerling in het centrum voor deeltijds onderwijs doorbrengt met de arbeidstijd", de "berekening van de leervergoeding (...) gebaseerd is op de in de onderneming doorgevoerde opleiding, (...)", de "lessen niet (worden) gevolgd onder het gezag van de patroon, (...), en de "plaats waar de lessen gevolgd worden in het Centrum voor Deeltijds Onderwijs (...) niet de plaats van het werk (is), zoals bedoeld in artikel 8, ,§1, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet". Door te oordelen dat "geen enkele bepaling in de Arbeidsongevallenwet (toelaat) de plaats waar theoretische lessen worden gegeven onder het begrip 'plaats van het werk' te brengen" en te oordelen dat er "geen wettelijke basis is om het centrum voor beroepsopleiding te beschouwen als de plaats van het werk in de zin van artikel 8, ,§1, van de Arbeidsongevallenwet", schendt het arrest de artikelen 8, ,§1, eerste lid, tweede en derde lid van de Arbeidsongevallenwet daar de wetgever in voormeld artikel 8, ,§1, derde lid, van de Arbeidsongevallenwet precies een uitbreiding heeft voorzien van het begrip "plaats van het werk" (artikel 8, ,§1, eerste en tweede lid, Arbeidsongevallenwet) naar plaatsen die "geacht" worden de plaats van het werk te zijn en waarvan artikel 8, ,§1, derde lid, slechts een exemplatieve opsomming bevat. Tevens miskent het arrest het wezen zelf van de leerovereenkomst waarbij, krachtens de wet zelf, de theoretische en praktische opleiding één onlosmakelijk geheel uitmaken (schending van alle in het middel aangehaalde bepalingen van de wet van 19 juli 1983 inzake het leerwezen). Door op grond van de aangehaalde gegevens te oordelen dat er een onvoldoende band voorhanden is tussen de plaats waar het slachtoffer van het ongeval zijn lessen volgde in het kader van zijn leerovereenkomst en de plaats waar hij werkte in het kader van diezelfde leerovereenkomst, en vervolgens te oordelen dat de verweerder geen tussenkomst dient te verlenen voor het ongeval dat die leerling overkwam op de weg van zijn verblijfplaats naar de plaats waar hij zijn theoretische en algemene vorming volgde in het kader van zijn leerovereenkomst, schendt het arrest bijgevolg alle in het middel aangeduide wetsbepalingen. V. Beslissing van het Hof Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 3 van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingenwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, de leerovereenkomst een overeenkomst is voor bepaalde tijd waarbij de patroon de verbintenis aangaat de leerling een opleiding te verstrekken of te laten verstrekken met het oog op het uitoefenen van het gekozen beroep, en waarbij de leerling zich ertoe verbindt de praktijk van het beroep onder het gezag van de patroon aan te leren en onder diens toezicht de voor zijn opleiding noodzakelijke leergangen te volgen ; Overwegende dat, krachtens de artikelen 1 en 5 van de Arbeidsongevallenwet en artikel 1,,§1°, a), van de RSZ-wet van 27 juni 1969, de Arbeidsongevallenwet van toepassing is op de leerjongens ; Overwegende dat, krachtens artikel 8, ,§1, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet, het ongeval dat zich voordoet op de weg van en naar het werk als een arbeidsongeval wordt aangezien ; Dat, krachtens artikel 8, ,§1, derde lid, 3°, van deze wet, de werknemer geacht wordt zich op de plaats van het werk te bevinden, wanneer hij onder meer met de uitdrukkelijke of stilzwijgende toelating van zijn werkgever vormingslessen bijwoont welke tijdens de normale arbeidsuren plaatshebben ; Dat uit deze wetsbepalingen volgt dat de werknemer in dit bedoeld geval onder de toepassing valt van de Arbeidsongevallenwet wanneer hij onderweg is naar de plaats waar de vormingslessen worden gegeven en zich aldaar bevindt, maar ook de leerling wanneer hij onderweg is naar de plaats waar de in het kader van de leerovereenkomst te volgen vormingslessen worden gegeven en zolang hij zich aldaar bevindt ; Dat met vormingslessen ook de door de leerling noodzakelijk te volgen leergangen zijn bedoeld en de wet geen onderscheid maakt tussen vormingslessen die de werknemer vrijwillig volgt en degene die een leerling in het kader van de leerovereenkomst verplicht is te volgen in het deeltijds onderwijs ; Dat met uitdrukkelijke of stilzwijgende toelating van de werkgever ook de verplichting van de patroon is bedoeld, bepaald bij artikel 24, 3°, van de wet van 19 juli 1983, namelijk de leerling in staat te stellen de voor zijn opleiding noodzakelijke leergangen te volgen ; Overwegende dat, krachtens artikel 45 van de wet van 19 juli 1983, de leertijd die de leerling besteedt aan het volgen van de bedoelde vorming voor het verwerven van de aanvullende theoretische kennis en van de economische en sociale vorming, als arbeidstijd wordt beschouwd in de zin van de Arbeidswet; dat de bedoelde lessen mitsdien dienen beschouwd te worden als plaatshebbende tijdens de normale arbeidsuren, als bedoeld in artikel 8, ,§1, derde lid, 3°, van de Arbeidsongevallenwet ; Overwegende dat de leerling, krachtens artikel 25 van de wet van 19 juli 1983, van de patroon maandelijks een leervergoeding ontvangt die zowel voor de praktijkopleiding in de onderneming als voor de aanvullende theoretische opleiding en de algemene vorming verschuldigd is ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 8, ,§1, derde lid, 3°, van de Arbeidsongevallenwet niet vervuld zijn ten aanzien van de betrokken leerling omdat het begrip vormingslessen enkel lessen betreft die door de werknemer op vrijwillige basis worden gevolgd en waartoe de werkgever toelating moet verlenen en omdat met de termen "tijdens de normale werkuren" enkel de uren kunnen bedoeld zijn waarin de leerling normaal opleiding krijgt in de onderneming van zijn patroon ; Dat het arrest aldus de vermelde wetsbepalingen schendt ; Dat het onderdeel gegrond is ;
  7. Overige grieven Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Verklaart dit arrest bindend voor de daartoe opgeroepen partijen ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van eenentwintig maart tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050321.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211213.3F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.