id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005
Art.1481
Thesaurus CAS: UITVINDINGSOCTROOI - ALLERLEI Vrije woorden: UITVINDINGSOCTROOI - ALLERLEI Beslag inzake namaak Verzoek Houder van een octrooi Beslagrechter Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art.1481
Fiche 3 De beslagrechter kan bijkemende beslagmaatregelen inzake namaak opleggen wanneer zij de bewaring van de aangevoerde rechter naar redelijkheid verantwoorden
(1).
(1)Zie Cass., 3 jan. 2002, AR C.00.0012.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020103.6, nr 5 (inzake het verzoek van de houder van een octrooi van een geneesmiddel). Thesaurus CAS: BESLAG - BEWAREND BESLAG Vrije woorden: BESLAG - BEWAREND BESLAG Beslagrechter Bijkomende beslagmaatregelen Wettelijke bepalingen:
Art.1481,tweed Annotaties Publicaties: A.M. - Fernand De
VISSCHER; Pierre BRUWER; Note. - 2008, 106-109 Tekst van de beslissing C.04.0006.N FORT KOFFIEBRANDERIJ N.V., naamloze vennootschap, met vennootschapszetel gevestigd te 2222 Itegem (Heist-op-de-Berg), Achter De Hoven, 17 A, ingeschreven in het handelsregister te Mechelen, nummer 63.155, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat, 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen SARA LEE/DE N.V., vennootschap naar Nederlands recht, met vennootschapszetel gevestigd in Nederland, te 3532 AD Utrecht, Vleutensevaart, 100, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat, 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 29 september 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1481 van het Gerechtelijk Wetboek ; - het beschikkingsbeginsel - autonomie van de procespartijen ; - artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ; - het algemeen rechtsbeginsel van het eerbiedigen van het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen Bij het vaststellen van de toe te passen beoordelingsprincipes overweegt het arrest : "voor het toestaan van de beslagmaatregelen, heeft de beslagrechter een grotere beoordelingsmarge dan bij het toestaan van de beschrijving zowel wat de ingeroepen rechten als de opportuniteit van de maatregelen betreft. Voor de beschrijving komt hem enkel maar toe te oordelen of de verzoekende partij prima facie over een beschermend recht beschikt. Er moet voor het opleggen van bijkomende maatregelen worden nagegaan of de gegevens van het geval van die aard zijn dat zij het verlangde beslag tot bewaring van het aangevoerde recht naar redelijkheid verantwoorden. De rechten van appellante en de inbreuk moeten voldoende zeker zijn. Voor het opleggen van de maatregelen dient een afweging van de respectieve belangen van de partijen te gebeuren". Na deze uiteenzetting van de beoordelingsprincipes, beperkt het arrest zich tot de overweging dat appellante een Europees octrooi heeft dat "prima facie" geldig is. Het arrest verklaart dit besluit ("Immers") door de vaststelling dat het beschrijvend beslag om die reden werd toegelaten en daartegen door geïntimeerde geen derdenverzet werd aangetekend. Het arrest besluit dat het octrooi van appellante nog steeds formeel geldig is en neemt deze geldigheid in aanmerking om te oordelen dat de beschikking van 31 oktober 2002 van de beslagrechter te Antwerpen waarbij, naast de "beschrijving" ook een verbod werd opgelegd om de beweerdelijk inbreukmakende koffiepads uit handen te geven onder verbeurte van een dwangsom, "volledig gehandhaafd blijft". Grieven 1.1. Eerste onderdeel Schending van artikel 1481 Gerechtelijk Wetboek. Het bestreden arrest schendt artikel 1481 van het Gerechtelijk Wetboek, meer bepaald lid 2, in zoverre het, na op correcte wijze het verschil in beoordelingsmarge met betrekking tot het ingeroepen recht in geval van een loutere "beschrijvingsmaatregel" tegenover het geval van eigenlijke "beslagmaatregelen" (arrest, p. 7 voorlaatste en laatste lid) te hebben onderstreept, de geldigheid van het octrooi bij de beoordeling van de "beslagmaatregelen uitsluitend af te leiden uit het feit dat de beschrijving werd toegelaten en daartegen geen derdenverzet werd aangetekend. Aldus heeft het arrest ten onrechte geoordeeld dat de loutere beschrijvingsmaatregel (artikel 1481, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek) en de eigenlijke beslagmaatregel (artikel 1481, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek), wat betreft het ingeroepen recht, een identieke beoordeling, namelijk de louter formele geldigheid, vereisen. In het tweede geval is de marge van beoordeling van het ingeroepen recht waarvan de geldigheid door eiseres in conclusie op omstandige wijze werd betwist (syntheseconclusie, p. 16-17-18), nochtans ruimer en moet nagegaan worden of het ingeroepen recht "voldoende zeker" is. Het arrest aanvaardt dit onderscheid wel in principe doch past het ten onrechte niet toe. Aldus heeft het arrest artikel 1481, eerste lid en vooral tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek geschonden. 1.2 Tweede onderdeel Schending van het beschikkingsbeginsel, artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en van de rechten van de verdediging. De door het arrest ingeroepen reden tot staving van de prima facie geldigheid van het octrooi ook met betrekking tot de eigenlijke beslagmaatregel, namelijk de vaststelling dat het beschrijvend beslag werd toegelaten en daartegen geen derdenverzet werd aangetekend (arrest p. 8, lid 1), werd niet door de partijen ingeroepen. Het is een middel dat ambtshalve door het appèlgerecht is ingeroepen. Het arrest heeft aldus het beschikkingsbeginsel de autonomie van de procespartijen , bekrachtigd door artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, geschonden. Krachtens dit beginsel mag de rechter, in burgerlijke zaken, behalve wanneer de openbare orde of regels van dwingend recht in het gedrang zijn, niet ambtshalve middelen inroepen. Door dit te doen en daarop te steunen zonder de partijen in het bijzonder eiseres in de gelegenheid te stellen hun verweer daaromtrent te laten gelden, heeft het arrest ook de rechten van de verdediging geschonden. 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest zegt voor recht dat de beschikking van 31 oktober 2002 volledig gehandhaafd blijft, inbegrepen derhalve de eigenlijke beslagmaatregel. Het acht deze "bijkomende maatregel niet onredelijk". Dit besluit wordt door het arrest uitsluitend gemotiveerd door de overweging dat "het (...) duidelijk (
- is)dat door de verkoop van de Fort koffiepads het marktaandeel van appellante ernstig bedreigd wordt terwijl dit door de verkregen octrooibeschrijving verzekerd had moeten zijn". In conclusie was door eiseres gewezen op het onredelijk karakter van een beslagmaatregel omwille van de dominante positie van verweerster en het misbruik van marktpositie waartoe het beroep op een eenzijdige procedure tot beslag waarbij complexe vraagstukken slechts op een "prima facie" basis behandeld worden zonder een beslissing ten gronde af te wachten, zou leiden. Eiseres beriep zich op artikel 82 van het Unieverdrag en de "beginselen uit de wet op de Economische Mededinging van 1991". Dit middel werd door eiseres op omstandige wijze ontwikkeld in de synthesconclusie : p. 30 bovenaan : de dominante positie van verweerster en haar marktsucces dankzij de bekendheid van het Douwe Egberts koffiemerk ; p. 29 onderaan en 30, lid 1 : de aangevochten handelingen brachten de investeringen van verweerster in haar fabriek in Grimbergen helemaal niet in gevaar terwijl daarentegen het gevraagde voorlopig verbod de producten van Fort voor goed uit de markt zouden duwen zelfs indien de bodemrechter later zou vaststellen dat het octrooi niet geldig is of er geen inbreuk wordt op gepleegd. p. 32 bovenaan : door de beslagmaatregel wordt een "onherroepelijke schade" berokkend waardoor de "concurrentie" (...), op een onrechtmatige wijze verhinderd wordt om een nieuw en blijkbaar succesvol marktsegment te betreden ten voordele van een dominante speler". Het arrest dat in de bovenvermelde passus het "niet redelijk" karakter van de beslagmaatregel uitsluitend staaft op grond van de vaststelling dat door de verkoop van de Fort koffiepads het marktaandeel van appellante ernstig bedreigd wordt terwijl dit door de verkregen octrooibescherming verzekerd had moeten zijn, houdt geen antwoord in op de bovenvermelde middelen uit de conclusie van eiseres. Wegens gebrek aan antwoord, is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het bijgevolg artikel 149 van de Grondwet. IV. Beslissing van het Hof 1. Eerste middel 1.1. Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 1481, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de houders van, onder meer, octrooien, met toelating van de rechter, kunnen doen overgaan tot de beschrijving van de toestellen, machines, werken, rassen, teeltmateriaal en alle voorwerpen en werkwijzen waarvan beweerd wordt dat zij nagemaakt zijn, evenals van de plans, documenten, berekeningen, geschriften, gewassen of delen van gewassen waaruit de beweerde namaak kan blijken en van de gereedschappen die rechtstreeks gediend hebben om de aangeklaagde vervaardiging te plegen ; Dat, krachtens het tweede lid van voormelde wettelijke bepaling, de beslagrechter bij dezelfde beschikking aan de houders van de nagemaakte voorwerpen verbod kan opleggen deze uit handen te geven, toelaten dat er een bewaarder wordt aangesteld, de voorwerpen verzegelen en, indien het gaat om feiten die aanleiding geven tot inkomsten, bewarend beslag op gelden toestaan ; Dat de beslagrechter, die oordeelt op grond van artikel 1481 van het Gerechtelijk Wetboek, in de eerste plaats verplicht is na te gaan of de verzoeker, prima facie, over een beschermd recht beschikt, ongeacht of hem gevraagd wordt de beweerdelijk nagemaakte voorwerpen louter te laten beschrijven, dan wel tevens bijkomende beslagmaatregelen te bevelen ; Dat de beslagrechter deze bijkomende maatregelen kan opleggen wanneer zij de bewaring van de aangevoerde rechten naar redelijkheid verantwoorden ; Dat het onderdeel dat er van uitgaat dat de beoordeling van het ingeroepen beschermde recht door de rechter bij het bevelen van de louter beschrijvende maatregel noodzakelijk verschillend dient te zijn dan bij het bevelen van de bijkomende maatregel, faalt naar recht ; 1.2. Tweede onderdeel Overwegende dat de rechter ambtshalve de door partijen voorgedragen redenen alleen kan aanvullen wanneer hij steunt op regelmatig aan zijn beoordeling overgelegde feiten en noch het onderwerp, noch de oorzaak van de vordering wijzigt ; Overwegende dat het onderdeel niet aanvoert dat het voorwerp of de oorzaak van de vordering zouden zijn gewijzigd ; Overwegende dat de appèlrechters de vaststelling dat het beschrijvend beslag werd toegelaten en dat daartegen geen derdenverzet werd aangetekend afleiden uit eiseres' dagvaarding in derdenverzet, waarin zij vermeldt dat zij zich in principe niet verzet tegen de loutere beschrijvende maatregel zoals toegelaten door artikel 1481, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek ; Dat de appèlrechters, nu zij hun vaststelling steunen op de ambtshalve voorgedragen reden die is gesteund op regelmatig aan hun beoordeling overgelegde stukken, het recht van verdediging niet miskennen ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 2. Tweede middel Overwegende dat het arrest eerst eiseres' verweer over het redelijk karakter van de maatregel samenvat door te overwegen dat haar commerciële schade buiten verhouding tot de beweerde ongemakken voor verweerster zou staan en dat de dominante positie van verweerster het redelijk karakter van de voorlopige verbodsmaatregelen uitsluit, en vervolgens dit verweer verwerpt en beantwoordt door te oordelen dat de gevorderde maatregel niet onredelijk is, nu de bedreiging van het marktaandeel van verweerster ernstig is, terwijl dit marktaandeel had moeten verzekerd zijn door de verkregen octrooibescherming ; Dat het middel feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd veertig euro vijf cent jegens de eisende partij en ook op de som van honderd vierenzestig euro tweeëndertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van vijfentwintig maart tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050325.3 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020103.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div