id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050325.5 Rolnummer: C.04.0038.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-07-01 Raadplegingen: 294 - laatst gezien 2026-07-03 15:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De aanvaarding van de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is onherroepelijk
(1), zodat de erfgenaam die aanvaard heeft onder voorrecht van boedelbeschrijving ze niet meer kan verwerpen. Thesaurus CAS: ERFENISSEN Vrije woorden: ERFENISSEN Aanvaarding Voorrecht van boedelbeschrijving Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.774,793e Fiche 2 Behalve als de wet de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving oplegt, kan de beneficiaire erfgenaam vrijwillig afstand doen van deze aanvaarding en zuiver en eenvoudig erfgenaam worden door daden van beschikking te stellen die noodzakelijk de wil insluiten om zich te gedragen als een erfgenaam die zuiver en eenvoudig aanvaardt en om het patrimonium van de nalatenschap te vermengen met zijn persoonlijk vermogen; de rechter beoordeelt onaantastbaar in feite deze vrijwillige afstand zonder dat daarbij de wetsbepalingen inzake de zuivere aanvaarding van de nalatenschap moeten worden toegepast. Thesaurus CAS: ERFENISSEN Vrije woorden: ERFENISSEN Aanvaarding Voorrecht van boedelbeschrijving Afstand Mogelijkheid Wijze Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.774,793e Tekst van de beslissing Nr. C.04.0038.N D.R., eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- C.C., verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met zetel te 1000 Brussel, Sint-Jansstraat 32-38,
- NATIONALE NEDERLANDEN, naamloze vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te Nederland, 2595 AK Den Haag, Prinses Beatrixlaan 35, verweersters, minstens opgeroepen in gemeenverklaring van het arrest. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de Grondwet ; de artikelen 774, 775, 778, 779, 780, 793, 796, 801, 802 en 806 van het Burgerlijk Wetboek ; artikel 824 van het Gerechtelijk Wetboek ; het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk een afstand van recht niet wordt vermoed doch enkel kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. Bestreden beslissingen Het bestreden arrest oordeelt dat de vordering van mevrouw C. en het Nationaal Verbond der Socialistische Mutualiteiten opzichtens eiseres, mevrouw D., gegrond is. Deze beslissing steunt op de volgende overwegingen : "(Volgens (eiseres) en volgens de eerste rechter zijn de vorderingen opzichtens (eiseres) ongegrond omdat (eiseres) niet definitief de hoedanigheid van erfgenaam zou hebben verkregen (arrest, p. 10). Deze redenering (...) kan niet worden gevolgd. Het is niet betwist en wordt gestaafd door de volmacht tot beneficiaire aanvaarding d.d. 23 november 1996 dat (mevrouw C., lees : eiseres) de nalatenschap van R.H. onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard. Het aanvaarden door (eiseres) van de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft tot gevolg dat de verplichting van (eiseres) om de schulden van de nalatenschap te dragen beperkt blijft tot het bedrag van de waarde van de goederen van de nalatenschap. Het aanvaarden door (eiseres) van de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving maakt geen einde aan de wettelijke voortzetting van het bezit van de goederen van de nalatenschap dat aan (eiseres) was verleend. De overgang door erfopvolging naar (eiseres) toe is bekrachtigd door het aanvaarden van de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving en (eiseres) heeft daardoor definitief de hoedanigheid van erfgenaam verkregen. De aanvaarding van nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is onherroepelijk zoals een zuivere aanvaarding. De vraag of de verplichting van (mevrouw C., lees : eiseres) om de schulden van de nalatenschap te dragen beperkt blijft tot het bedrag van de waarde van de goederen van de nalatenschap, dan wel bestaat, ongeacht de waarde van de goederen van de nalatenschap, hangt af van de vraag of de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard dan wel ingevolge de daden van beschikking zuiver en eenvoudig is aanvaard. Ten dezen wordt door de verkoopsakte verleden voor notaris S. te Utrecht op 29 januari 1997 bewezen dat (eiseres) de nalatenschap zuiver en eenvoudig heeft aanvaard door zakelijke rechten op onroerende goederen, afhangende van de nalatenschap van R.H .en roerende goederen van de nalatenschap te verkopen aan de heer W. en Mevrouw V.W. (arrest, p. 11). (Eiseres) is dienvolgens als zuiver en eenvoudige erfgenaam gehouden tot de lasten van de nalatenschap van R.H.". Grieven
- Eerste onderdeel Erfgenamen kunnen de hen te beurt gevallen nalatenschap zuiver aanvaarden (artikel 778 van het Burgerlijk Wetboek), aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving (de artikelen 774 en 793 van het Burgerlijk Wetboek) of verwerpen (artikel 784 van het Burgerlijk Wetboek). Luidens artikel 775 van het Burgerlijk Wetboek is de aanvaarding van de nalatenschap een recht en geen verplichting. De gevolgen van de aanvaarding van een nalatenschap zijn immers niet onaanzienlijk : de erfgenaam die de nalatenschap aanvaardt is, met diens eigen goederen, aansprakelijk voor de schulden van de overledene. Zonder tot de verwerping van de nalatenschap te nopen, kunnen deze zware gevolgen toch vermeden worden wanneer de erfgenaam de nalatenschap aanvaardt onder voorrecht van boedelbeschrijving zoals georganiseerd door de artikelen 793 tot 810 van het Burgerlijk Wetboek. Alsdan wordt, krachtens artikel 802 van het Burgerlijk Wetboek, "de vermenging van de boedels verhinderd ten aanzien van de erfgenaam zowel als ten aanzien van de schuldenaars (lees : de schuldeisers) en de legatarissen", "behoudt (de erfgenaam) tegen de nalatenschap de rechten die hij had tegen de overledene", "is (hij) tot de betaling van de schulden en lasten der nalatenschap slechts gehouden tot het bedrag van de waarde der goederen die hij verkrijgt" en worden "de schuldeisers van de nalatenschap en de legatarissen (...) uit die goederen betaald bij voorkeur boven de persoonlijke schuldeiseres van de erfgenaam". Het Hof heeft beslist dat, evenzeer als ingeval van zuivere aanvaarding, de aanvaarding van een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving, onherroepelijk is (Cass., 25 januari 1949, Pas., 1949, I, p. 473). Het aangevochten arrest beslist enerzijds dat "de overgang door erfopvolging naar (eiseres) toe is bekrachtigd door het aanvaarden van de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving" zodat "(eiseres) (...) daardoor definitief de hoedanigheid van erfgenaam (heeft) verkregen" en verder dat "de aanvaarding van nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving (...) onherroepelijk (is) zoals een zuivere aanvaarding" doch, anderzijds, dat, ter oplossing van de vraag of de verplichting van eiseres "om de schulden van de nalatenschap te dragen beperkt blijft tot het bedrag van de waarde van de goederen van de nalatenschap, dan wel bestaat, ongeacht de waarde van de goederen van de nalatenschap", zulks "(af)hangt van de vraag of de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard dan wel ingevolge de daden van beschikking zuiver en eenvoudig is aanvaard" (arrest, p. 10). Door enerzijds (terecht) te beslissen dat een aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving definitief en onherroepelijk is, doch anderzijds te kennen te geven dat een dergelijke aanvaarding door het stellen van bepaalde daden van beschikking kan evolueren naar een zuivere en eenvoudige aanvaarding, wat echter strijdt met het eerder aanvaard onherroepelijk karakter van de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, berust het arrest op tegenstrijdige gronden en schendt het mitsdien artikel 149 van de Grondwet. Minstens berust het arrest op dubbelzinnige gronden nu het enerzijds wettig aanneemt dat de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving definitief en onherroepelijk is, en anderzijds dit definitief en onherroepelijk karakter ontkent door te aanvaarden dat een dergelijke aanvaarding onder voorrecht alsnog kan evolueren naar een zuivere aanvaarding. In zoverre niet uitgemaakt kan worden of het arrest op de wettige dan wel op de onwettige grond berust en het Hof derhalve verhindert zijn wettigheidscontrole uit te oefenen, is het behept met een dubbelzinnige motivering en schendt het mitsdien artikel 149 van de Grondwet. In zoverre het arrest te kennen geeft dat een aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving alsnog kan evolueren naar een zuivere aanvaarding, miskent het het definitief en onherroepelijk karakter van een dergelijke aanvaarding onder voorrecht en miskent het mitsdien artikel 793 van het Burgerlijk Wetboek. In zoverre het arrest oordeelt dat de definitieve en onherroepelijke aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving te niet wordt gedaan door de zuivere en eenvoudige aanvaarding van de nalatenschap ingevolge de verkoop van een aan de nalatenschap toebehorend onroerend goed, maakt het een onwettige toepassing van de wetsbepalingen inzake de zuivere aanvaarding, daar waar in casu - zoals eerder door het arrest vastgesteld - eiser had aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving en miskent het mitsdien de artikelen 778 en 779, evenals (voor zoveel als nodig) 774 en 775 van het Burgerlijk Wetboek.
- Tweede onderdeel Aan de aanvaarding van een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving, kan slechts op twee wijzen een einde komen :
(2)door impliciet doch zeker afstand te hebben gedaan van de rechten voortvloeiend uit de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving. Een afstand van recht wordt niet vermoed doch moet integendeel zeker zijn (zie o.a. Cass., 22 oktober 1981, A.C., 1981-82, nr. 133, p. 278 ; Cass., 31 mei 1995, A.C., 1995, nr. 271). Dergelijke afstand veronderstelt, vanwege de erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard, een daad of daden waaruit met zekerheid blijkt dat hij afstand doet van de door artikel 802 van het Burgerlijk Wetboek aanvaarde scheiding tussen, enerzijds, de boedel van de nalatenschap en, anderzijds, het eigen vermogen van de erfgenaam ; of, anders gezegd, een daad of daden waaruit met zekerheid kan worden afgeleid dat de betrokken erfgenaam te kennen geeft de schulden en lasten der nalatenschap te zullen betalen aan de hand van zowel de boedel van de nalatenschap als diens eigen gelden. Een afstand van het recht een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden vermag echter niet te worden verward met de stilzwijgende zuivere aanvaarding van een nalatenschap overeenkomstig artikel 778 van het Burgerlijk Wetboek. Krachtens dit artikel wordt de aanvaarding geacht stilzwijgend te geschieden "wanneer de erfgenaam een daad verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten". In de context van de stilzwijgende zuivere aanvaarding staan daden van beschikking centraal. Zo bepaalt artikel 780 van het Burgerlijk Wetboek dat "de schenking, de verkoop of de overdracht van zijn erfrecht door een van de erfgenamen (...) voor hem aanvaarding van de nalatenschap ten gevolge (heeft)". Echter, ingeval van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving zit de erfgenaam niet meer in de situatie van een vermoedelijke erfgenaam die nog geen positie heeft ingenomen waardoor men de rechten van derden, waaronder deze van de schuldeisers van de nalatenschap, moet beschermen. De erfgenaam die onder voorrecht van boedelbescherming de nalatenschap heeft aanvaard, heeft immers reeds een standpunt ingenomen en de nalatenschap aanvaard en is dus eigenaar zij het onder bepaalde verplichtingen inzake de scheiding tussen de boedel van de nalatenschap en het eigen vermogen (De Page, H., Traité élémentaire de droit civil belge, d. IX, p. 526 e.v., nr. 722 e.v. in het bijzonder nr. 725 B). In een dergelijke context staat, in tegenstelling tot de zuivere aanvaarding, elke daad van beschikking niet noodzakelijk gelijk met een afstand van voorrecht van boedelbeschrijving maar komen alleen daden die een vermenging inhouden van de boedels daarvoor, in beginsel, in aanmerking. De artikelen 779 en 780 van het Burgerlijk Wetboek, die de hypothese van de zuivere aanvaarding viseren, zijn derhalve niet van toepassing in onderhavige zaak waarin eiseres, zoals het aangevochten arrest het zelf heeft vastgesteld, op definitieve en onherroepelijke wijze heeft geopteerd voor een aanvaarding van de nalatenschap van wijlen haar broer onder voorrecht van boedelbeschrijving. Verder staan daden van beschikking niet automatisch gelijk met daden van stilzwijgende aanvaarding. Wanneer daden van beschikking "dienen tot bewaring, toezicht of voorlopig beheer" worden zij, aldus artikel 779 van het Burgerlijk Wetboek, niet als daden van daden van aanvaarding van een nalatenschap beschouwd. Verder bepaalt artikel 796 van het Burgerlijk Wetboek dat "indien echter in de nalatenschap zaken aanwezig zijn die kunnen bederven, of wanneer de bewaring grote kosten vergt, (...) de erfgenaam, in zijn hoedanigheid van gerechtigde tot de erfenis en zonder dat men daaruit een aanvaarding van zijn zijde mag afleiden, zich door de rechter (kan) doen machtigen om die zaken te verkopen" en artikel 806 van het Burgerlijk Wetboek dat "de verkoop van roerende goederen of onroerende goederen geschiedt in de vorm, door het Gerechtelijk Wetboek bepaald". In casu had eiseres in conclusie aangevoerd, zonder dat dit feit werd tegengesproken door de tegenpartijen, dat de verkoop van een huis toebehorend aan de nalatenschap van haar broer plaats vond omdat de hypothecaire aflossingen niet verder konden worden gehonoreerd en dat de verkoopprijs op de rekening van de notaris waren gestort en niet rechtstreeks door haarzelf waren geïnd ("(Eiseres en haar echtgenoot) hebben het huis van de heer R.H . inderdaad verkocht, doch hebben zich het huis, of de verkoopsom ervan geenszins toegeëigend. Het huis werd verkocht omdat de hypothecaire aflossingen niet gevolgd konden worden. De notaris was op de hoogte van de verkoop en de verkoopprijs werd op zijn rekening gestort. Naar Nederlands recht, is deze verkoop dan ook als een louter daad van beheer en geenszins als een daad van beschikking te beschouwen. Trouwens indien zij het huis niet vrijwillig hadden verkocht, dan had de hypothecaire schuldeiser het goed openbaar laten verkopen, met als zeer waarschijnlijk gevolg een minder gunstige prijs. De rekeningen die ondertussen betaald werden, werden allemaal officieel geregistreerd bij de notaris" - synthesebesluiten eiseres, p. 23). Na op accurate wijze de rechtsgevolgen van de aanvaarding van een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving te hebben weergegeven stelt het bestreden arrest -terecht- vast dat eiseres de nalatenschap van wijlen haar broer op 23 november 1996 onder het voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard en dat dergelijke aanvaarding, onomkeerbaar is (arrest, p. 10). Doch vervolgens laat het arrest, enerzijds, toch de mogelijkheid open om de nochtans als definitief en onherroepbare aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving te herroepen, minstens te wijzigen in een zuivere aanvaarding en leidt het, anderzijds, uit het bestaan van een verkoopsakte verleden voor notaris S . te Utrecht op 29 januari 1997 ten onrechte af dat eiseres afstand zou hebben gedaan van de rechten voortvloeiend uit de aanvaarding van de nalatenschap van wijlen haar broer onder voorrecht van boedelbeschrijving waardoor het aangevochten arrest verkeerdelijk tot het besluit komt dat "(eiseres) dienvolgens als zuiver en eenvoudige erfgenaam gehouden (
- is)tot de lasten van de nalatenschap van R.H.". Door, louter uit de vaststelling dat er een verkoop van een onroerend goed behorend aan de nalatenschap door eiseres verkocht werd, af te leiden dat zij afstand gedaan had van haar rechten voortvloeiend uit de aanvaarding van die nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving, zonder acht te slaan op de niet-betwiste feiten dat eiseres zulks ten bewarende titel had gedaan, zonder zelf de koopsom te innen en met blokkering van de gelden bij de notaris, schendt het arrest het algemeen rechtsbeginsel dat een afstand van recht zeker moet zijn en enkel mag worden afgeleid uit zaken die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn evenals artikel 824 van het Gerechtelijk Wetboek waarin dit algemeen rechtsbeginsel een uitdrukking vindt. Tevens miskent het wettelijk begrip "daad van bewaring, toezicht of voorlopig beheer" zoals gedefinieerd bij artikel 779 van het Burgerlijk Wetboek, evenals het begrip "daad van beschikking", door de kwestieuze verkoop, die nochtans geschiedde met blokkering van de verkoopprijs bij de notaris en waarvan de gelden dus niet door eiseres geïnd werden, onverkort als een daad van beschikking te kwalificeren, daar waar deze, in het licht van de niet-betwiste feitelijke context, enkel als een loutere daad van voorlopig beheer van de nalatenschap kon worden beschouwd. Door eiseres vervolgens op die onwettige gronden als zuiver en eenvoudige erfgenaam aansprakelijk te stellen voor de lasten van de nalatenschap van wijlen haar broer, miskent het aangevochten arrest de artikelen 774, 775, 778, 779, 780, 793, 796, 801, 802 en 806 van het Burgerlijk Wetboek inzake de specifieke voorwaarden van zuivere aanvaarding enerzijds en aanvaarding van nalatenschappen onder het voorrecht van boedelbeschrijving anderzijds. IV. Beslissing van het Hof 1. Eerste onderdeel Overwegende dat de aanvaarding van de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving door een erfgenaam onherroepelijk is ; dat daaruit volgt dat de erfgenaam die een verklaring overeenkomstig artikel 793 van het Burgerlijk Wetboek heeft afgelegd, de hoedanigheid van erfgenaam onherroepelijk heeft verkregen, zodat hij de nalatenschap niet meer kan verwerpen ; Dat, behalve als de wet de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving oplegt, de beneficiaire erfgenaam vrijwillig afstand kan doen van deze aanvaarding en zuiver en eenvoudig erfgenaam kan worden door daden van beschikking te stellen die noodzakelijk de wil insluiten om zich te gedragen als een erfgenaam die zuiver en eenvoudig aanvaardt en tevens de wil insluit om het patrimonium van de nalatenschap te vermengen met zijn persoonlijk vermogen ; dat de rechter onaantastbaar in feite deze vrijwillige afstand beoordeelt zonder dat daarbij de wetsbepalingen inzake de zuivere aanvaarding van de nalatenschap moeten worden toegepast ; Overwegende dat het onderdeel in zoverre het ervan uitgaat dat een aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving niet kan evolueren naar een zuivere en eenvoudige aanvaarding en daartoe schending aanvoert van de artikelen 774, 775, 778, 779 en 793 van het Burgerlijk Wetboek, faalt naar recht ; Overwegende dat de appèlrechters die aannemen dat een aanvaarding van een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving definitief en onherroepelijk is, daarmee alleen uitsluiten dat de beneficiaire erfgenaam alsnog zou kunnen verzaken, maar daardoor niet te kennen geven dat een dergelijke aanvaarding niet kan overgaan naar een zuivere aanvaarding ; Dat de in het middel aangehaalde redenen noch tegenstrijdig, noch dubbelzinnig zijn, zodat het onderdeel in zoverre het schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, feitelijke grondslag mist ; 2. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel er van uitgaat dat de appèlrechters de afstand van het voordeel van de beneficiaire aanvaarding alleen afleiden uit de vaststelling dat eiseres een onroerend goed behorend aan de nalatenschap heeft verkocht ; Dat de appèlrechters evenwel hun beslissing niet alleen steunen op de omstandigheid dat eiseres onroerende goederen heeft verkocht die afhingen van de nalatenschap, maar tevens vaststellen dat eiseres roerende goederen van dezelfde nalatenschap heeft verkocht ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van duizend en een euro eenennegentig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd vierenzestig euro tweeëndertig cent jegens de verwerende partij sub 1. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vijfentwintig maart tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050325.5 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980213.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div