← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050407.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005

Art.62

,eerste Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Wegverkeer Proces-verbaal Bijzondere bewijswaarde Beperkingen Wettelijke bepalingen:

Art.62

,eerste Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Vrije woorden: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Proces-verbaal Bijzondere bewijswaarde Beperkingen Wettelijke bepalingen:

Art.62

,eerste Fiche 4 De rechter oordeelt zelfstandig of de kenmerken van een door de verbalisanten tot bewijs van het tegendeel vastgestelde feitelijke toestand al dan niet beantwoorden aan een inbreuk op enig wettelijk voorschrift. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Proces-verbaal Bijzondere bewijswaarde Vaststelling van de verbalisanten Wettelijk voorschrift Inbreuk Wettelijke bepalingen:

Art.62,eerste Tekst van de beslissing Nr.

C.04.0104.N D. K. F., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen GEMEENTE ZOERSEL, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met kantoren te 2980 Zoersel, Kasteeldreef 55, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 21 oktober 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat de processen-verbaal die overeenkomstig artikel 62, eerste lid, van de Wegverkeerswet zijn opgesteld door de overheidspersonen die door de Koning worden aangewezen om toezicht te houden op de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, bewijs opleveren van de daarin opgenomen materiële vaststellingen die de verbalisanten binnen de perken van hun wettelijke opdracht persoonlijk hebben gedaan, behoudens bewijs van het tegendeel ; Dat deze bewijswaarde niet toekomt aan de gevolgtrekkingen of vermoedens die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden ; Dat de rechter derhalve zelfstandig oordeelt of de kenmerken van een door de verbalisanten tot bewijs van het tegendeel vastgestelde feitelijke toestand al dan niet beantwoorden aan een inbreuk op enig wettelijk voorschrift ; Overwegende dat het bestreden vonnis, zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, vermeldt dat de verbalisanten hebben vastgesteld dat eiser bij nacht in botsing is gekomen met verkeerssignalisatie die door verweerster was aangebracht om de Turnhoutsebaan af te sluiten aan het kruispunt met de Waterstraat, dat aldaar een niet onderbroken verlichting aanwezig was en de zichtbaarheid normaal was, dat de verkeerssignalisatie bestond uit twee nadarhekken met elk twee dagslapers, waarop een verkeersbord C3 en een onderbord 'uitgezonderd plaatselijk verkeer" waren bevestigd, dat er zich verder enkele oranje pijlen met plaatsaanduidingen in zwarte letters bevonden die wezen in de richting van de Waterstraat, en dat deze verkeerssignalisatie vooraf was aangekondigd middels een op de grasberm naast de rijbaan opgesteld nadarhek met twee dagslapers en de voormelde oranje pijlen dat zich bevond ter hoogte van een vorig kruispunt op ongeveer 150 meter afstand van het eerstgenoemd kruispunt ; Dat het vonnis tevens vaststelt dat de verbalisanten ook hebben vermeld "van mening (te zijn) dat deze signalisatie gebrekkig was in die zin dat ze onvoldoende verlicht (zichtbaar) was, ongeacht de aanwezigheid van dagslapers" ; Dat de appèlrechters vervolgens oordelen dat "uit de beschrijving van de toestand ter plaatse en de situatieschets duidelijk blijkt (dat) er voldoende verlichting aanwezig was en (verweerster) de verkeerssignalisatie die zij zelf plaatste (...) voldoende verlichtte" ; Dat zij dit oordeel steunen "op de objectieve vaststellingen van de verbalisanten" en beslissen dat "(d)e mening van de verbalisanten als zou de verlichting voldoende of onvoldoende geweest zijn, los(staat) hiervan" ; Dat de appèlrechters hun oordeel aldus gronden op de door de verbalisanten gedane materiële vaststellingen aangaande de op de plaats van de aanrijding aanwezige verkeerssignalisatie, de verlichting en de zichtbaarheid van deze plaats en signalisatie, en de voorafgaande aankondiging van deze laatste, maar afstand nemen van de gevolgtrekking die de verbalisanten daaruit hebben afgeleid door het opperen van hun mening omtrent het al dan niet voldoende karakter van de verlichting van de verkeerssignalisatie, zodat zij zelfstandig beslissen dat deze signalisatie wel degelijk voldoende was verlicht door verweerster ; Dat zij zodoende artikel 62, eerste lid, van de Wegverkeerswet niet schenden ; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen ; Dat het middel voor het overige geheel is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de voormelde wetsbepaling, mitsdien in zoverre niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd en een euro dertien cent jegens de eisende partij en op de som van honderd zestig euro zesentwintig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en raadsheer Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van zeven april tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050407.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230621.2F.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010116.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.