id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050408.4 Rolnummer: C.02.0108.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-06-15 Raadplegingen: 560 - laatst gezien 2026-07-04 05:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De tussenkomst moet in de grenzen blijven van het debat zoals het gevoerd is voor de appèlrechter; wanneer in de loop van het geding in hoger beroep de partij bij wie de tussenkomende partij aansluit, haar vordering wijzigt omdat zij ondertussen betaling heeft verkregen, heeft dit feit niet tot gevolg dat de tussenkomst niet ontvankelijk wordt
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: TUSSENKOMST Vrije woorden: TUSSENKOMST Tussenkomst in hoger beroep Toelaatbaarheid Partij die haar vordering wijzigt Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.812 Fiche 2 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 8 april 2005, AR C.02.0108.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: TUSSENKOMST Vrije woorden: TUSSENKOMST Tussenkomst in hoger beroep Toelaatbaarheid Partij die haar vordering wijzigt Nota: C.02.0108.N Conclusie van het openbaar ministerie: 1. De feiten en de procedurevoorgaanden Een hypothecaire kredietverlener de 2de verweerster staat tegenover een wanbetalende kredietnemer de 3de verweerster
(1988). De kredietverlener wint uit : hij start een procedure tot uitvoerend onroerend beslag
(1991). Daarnaast ageert hij tegen een door de kredietnemer in strijd met de kredietovereenkomst gesloten huurovereenkomst waarbij het onderpand aan 'derden'-huurders de eisers in huur werd gegeven
(1990): hij dagvaardt met het oog op 'nietigverklaring' van de litigieuze (notariële) huurovereenkomst
(1992). De eerste rechter verklaart deze vordering gegrond
(1993). Hangende het hoger beroep wordt de vermelde procedure tot uitvoerend beslag afgesloten met de definitieve toewijzing van het onderpand aan een veilingkoper de 1ste verweerster
(1994). De kredietverlener wordt volledig betaald. De veilingkoper komt vrijwillig tussen in hoger beroep en vordert (mede) de bevestiging van het beroepen vonnis. De appèlrechters achten (p. 15) de tussenkomst ontvankelijk "in zoverre hierbij wordt aangesloten bij de stelling van (de kredietverlener) die resulteerde in de vernietiging van het notariële huurcontract uitgesproken in het bestreden vonnis". Voorst zeggen zij voor recht (p. 15) dat de oorspronkelijke vordering van de kredietverlener zonder voorwerp is geworden, nu deze laatste volledig is betaald en dienvolgens geen belang meer heeft bij de hangende procedure. Zij overwegen evenwel (p. 8) dat "de gegrondheid van de grieven nog steeds (moet worden) onderzocht, dit zowel vanuit het oogpunt van de kostenbeoordeling van de tussenvorderingen en tevens (...) met betrekking tot het voorwerp van de vrijwillige tussenkomst". Zij besluiten (p. 15) tot de bevestiging van het beroepen vonnis "weze het op andere gronden" en verklaren het arrest gemeen aan de veilingkoper.
- Het 1ste middel tot cassatie In hun 1ste middel bestrijden de eisers de beoordeling waarbij de appèlrechters de tussenkomst ontvankelijk verklaren. Naar luid van het 2de onderdeel konden de appèlrechters niet de door de eerste rechter uitgesproken nietigverklaring van de litigieuze huurovereenkomst bevestigen en deze beslissing gemeen verklaren aan de voor het eerst in hoger beroep te bewarenden titel tussenkomende partij, terwijl zij de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring 'zonder voorwerp' verklaarden. Door aldus voor het eerst in hoger beroep enkel ten behoeve van de tussenkomende partij de door de eerste rechter uitgesproken nietigverklaring te bevestigen, miskennen de appèlrechters art. 812 Ger.W. Luidens het 2de lid van deze bepaling kan tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling immers niet voor het eerst in hoger beroep plaatsvinden.
- Beoordeling 3.
- (...) 3.
- Het 2de onderdeel vergt een beoordeling in rechte : het doet drie successieve vragen rijzen.
(1)Wat is de (rechts)verhouding tussen de uitwinnende hypothecaire kredietverlener enerzijds en de veilingkoper anderzijds : is die verhouding er één van rechtsopvolging te bijzonderen titel ?
(2)Zo ja, is het in hoofde van de rechtsopvolger te bijzonderen titel mogelijk om tussen te komen in de door zijn rechtsvoorganger gevoerde procedure (artt. 811-814 Ger.W.)? Is het niet veeleer aangewezen om het bedoelde geding te hervatten en het dientengevolge verder te zetten in de stand waarin het zich op dat ogenblik bevindt (artt. 815-819 Ger.W.)? Zo niet, (d.w.z.): de vermelde verhouding is er geen van rechtsopvolging te bijzonderen titel), dan kan de veilingkoper enkel tussenkomen (att. 811-814 Ger.W.).
(3)Indien (enkel) tussenkomst mogelijk is, gaat het in het onderhavige geval wel om een louter 'conservatoire' tussenkomst? Of gaat het daarentegen om een (gebeurlijk in de loop van de procedure aldus geëvolueerde) 'agressieve' tussenkomst, die niet voor de eerste maal kan plaatsvinden in hoger beroep (art. 812, 2de lid Ger.W.)?
(1)Rechtsopvolging te bijzonderen titel is aan de orde wanneer een rechtssubject in een of meer bijzondere rechten (met aankleven) van een ander rechtssubject 'treedt'. De rechtsopvolger wordt de nieuwe titularis van de bedoelde rechten. Hij kan ze in dezelfde mate als zijn rechtsvoorganger uitoefenen en beschermen. Dit is voornamelijk het geval bij overgang van schuldvorderingen: hetzij door cessie of overdracht van schuldvordering krachtens een geldige titel, hetzij door subrogatie krachtens betaling, hetzij door natrekking of overgang als accessorium van een ander goed (M.E. STORME, "Rechtsopvolging onder bijzondere titel tijdens het burgerlijk geding in België en Nederland", R.W. 1993-94, p. 169-170, nr. 2). Rechtsopvolging te bijzonderen titel is evenzeer aan de orde bij overgang van zakelijke rechten (zie voor een toepassing: Cass., 1 maart 1984, Arr. Cass., 1983-84, 827). Het onderhavige geval is minder eenduidig. De uitwinnende (hypothecaire) kredietverlener heeft een persoonlijke vordering met 'zakelijke werking', terwijl de veilingkoper een zakelijk recht verwerft (eigendom). Hun uitgangspositie is (te) onderscheiden: de kredietverlener wil zijn onderpand realiseren met een zo ruim mogelijke opbrengst, terwijl de veilingkoper een voordelige prijs beoogt. Zij hebben wel hetzelfde belang in zoverre moet worden geageerd tegen rechtsfeiten en\of rechtshandelingen die het bedoelde onderpand bezwaren. In die optiek ageert de uitwinnende kredietverlener, die een pauliaanse vordering instelt met het oog op de 'nietigverklaring' (lees: niet-tegenwerpbaarheid) van een rechtshandeling (hier: de huurovereenkomst) die de schuldenaar (hier: de kredietnemer) heeft verricht met bedrieglijke benadeling van zijn rechten (art. 1167 B.W.), dan wel een vordering met het oog op herstel (desnoods in natura) van de schade ingevolge de bewuste deelname door een derde (hier: de huurders) aan een contractbreuk te zijnen nadele, mede ten behoeve van de veilingkoper. Van rechtsopvolging in de hoger aangeduide zin (tussen de uitwinnende kredietverlener en de uiteindelijke veilingkoper) is evenwel geen sprake, ook niet wanneer de kredietverlener, ingevolge de uitwinning (openbare verkoop), is voldaan en zodoende geen belang meer heeft bij het verderzetten van de gebeurlijk in voormelde zin hangende procedure. Het is immers evengoed mogelijk dat de kredietverlener niet (volledig) is voldaan en zodoende verder belang blijft hebben bij de hangende procedure. Het lot van de procedure zal uiteindelijk afhangen van de 'voorwaarden van uitwinning' (de notariële openbare verkoopsvoorwaarden). Enig automatisme is er hoe dan ook niet.
(2)Tussenkomst in de zin van de artt. 811-814 Ger.W. is voorbehouden voor 'derden' (A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Luik, Fac. Dr. Liège, 1987, p. 419-420, nr. 590; vgl. : M.E. STORME, l.c., p. 180, nr. 17). In geval van rechtsopvolging te bijzonderen titel is gedinghervatting in de zin van de artt. 815-819 Ger.W. de geijkte wijze om de gebeurlijk door de rechtsvoorganger geïnitieerde procedure verder te zetten, althans wanneer de rechtsopvolger méér wil dan alleen maar de vordering van zijn rechtsvoorganger ondersteunen (M.E. STORME, l.c., p. 182-183, nr. 20: "Indien de rechtsopvolger niet in het geding wil opkomen om de eis van zijn rechtsvoorganger te ondersteunen, maar om een veroordeling formeel te zijnen gunste te verkrijgen, zou dit enkel mogelijk zijn door gedinghervatting. In ieder geval is (een agressieve) tussenkomst uitgesloten in hoger beroep (art. 812, 2de lid B.W.). De rechtsopvolger zou echter wel steeds kunnen tussenkomen om de eis van zijn rechtsvoorganger te ondersteunen. De(ze) regeling lijkt consistent: door de veroordeling te zijnen gunste te vorderen geeft de tussenkomende partij immers impliciet kennis van het wegvallen van de hoedanigheid van haar rechtsvoorganger, en deze wijziging van hoedanigheid dient te leiden tot 1° het ontoelaatbaar worden van de vordering van de rechtsvoorganger en dus tot 2° gedinghervatting, niet tot tussenkomst. Tussenkomst dient te worden beperkt tot derden en blijft uitgesloten voor vertegenwoordigde partijen."). Zoals voormeld, is de verhouding tussen de uitwinnende kredietverlener en de veilingkoper er geen van rechtsopvolging te bijzonderen titel, zodat de veilingkoper enkel kan tussenkomen (artt. 811-814 Ger.W.). Dit gebeurde ook: de veilingkoper kwam vrijwillig tussen in hoger beroep en vorderde (mede) de bevestiging van de door de eerste rechter, op vordering van de uitwinnende kredietverlener, uitgesproken 'nietigverklaring' van de litigieuze huurovereenkomst.
(3)Aldus rijst de vraag of het in het onderhavige geval wel gaat om een louter 'conservatoire' tussenkomst dan wel om een 'agressieve' tussenkomst, die niet voor de eerste maal kan plaatsvinden in hoger beroep (art. 812, 2de lid Ger.W.). Beide soorten tussenkomst onderscheiden zich door het ermee beoogde doel. x Er is sprake van een agressieve tussenkomst zodra door\ten laste van de tussenkomende partij enige veroordeling te eigen behoeve wordt gevraagd. De minste vorm van veroordeling volstaat, al was het omwille van 'de evolutie van het geschil' (zie voor een toepassing: Luik 4 november 1996, J.L.M.B. 1997, 1024
(1); vgl. de Franse regeling: K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, p. 319-322, nrs. 708-713). De tussenkomst blijft agressief, ook al is het voorwerp van de vordering in\tot tussenkomst hetzelfde als dat van een reeds hangende vordering (Cass., 22 februari 1960, Arr. Verbr., 1959-60, 582; Cass. 11 januari 2001, inzake met A.R. nr. C.99.0388.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010111.7). In zekere zin kan de vordering in\tot tussenkomst worden vergeleken met een vordering die evengoed te zelfstandigen titel zou kunnen worden ingesteld: maar nu er reeds een geding hangende is, wordt hiervan 'geprofiteerd' (A. FETTWEIS, o.c., p. 411, nr. 567; R.P.D.B., v° Intervention en matière civile, Brussel, Bruylant, 1935, p. 178, nr. 54). Het is een autonome vordering die weliswaar een zekere samenhang vertoont met de gedinginleidende vordering maar er niet aan ondergeschikt is (Cass.,11 maart 1991, Arr. Cass., 1990-91, 721). Ze leidt dan ook een eigen leven en wordt niet noodzakelijk aangetast als de hoofdvordering onontvankelijk zou zijn (om 'persoonlijke redenen' aan de zijde van de oorspronkelijke eiser, bv. bij gebrek aan hoedanigheid of belang; Cass. 21 november 1958, Arr. Verbr. 1958-59, 254), evenmin wanneer de hoofdvordering ongegrond zou zijn of 'vervallen' ingevolge afstand of berusting. Niettemin moet de vordering in\tot tussenkomst, zoals elke tussenvordering, op het ogenblik dat ze wordt ingesteld zich kunnen enten op een hangende hoofdvordering\tegenvordering: is de procedure op hoofdvordering ab initio nietig, dan vervalt ook elke tussenvordering (A. FETTWEIS, o.c., p. 413, nr. 570; J. VAN COMPERNOLE en G. CLOSSET-MARCHAL, "Examen de jurisprudence (1985-1996) : Droit judiciaire privé", R.C.J.B. 1997, p. 553, nr. 77). x Er is daarentegen sprake van een conservatoire tussenkomst zolang door\ten laste van de tussenkomende partij geen veroordeling wordt gevraagd: de tussenkomende partij sluit zich alleen maar aan bij de stelling van een andere (reeds in het geding zijnde) partij (Cass. 26 oktober 1987, Arr. Cass. 1987-88, 234; Cass. 28 oktober 1994, Arr. Cass. 1994, 894; Cass. 5 februari 1998, Arr. Cass. 1998, nr. 71; A. FETTWEIS, o.c., p. 414, nr. 573). De aldus tussenkomende partij kan te eigen behoeve geen vordering laten gelden, ook al gaat het voorwerp ervan het debat tussen de andere partijen niet te buiten (Vergelijk met A. FETTWEIS, o.c., p. 415, nr. 577; zie voor een toepassing: Luik 12 februari 1998, J.L.M.B. 1998, 502). Het geding kan voor de tussenkomende partij dan ook geen andere gevolgen hebben dan voor de partij bij wie zij zich heeft aangesloten: het resultaat van de tussenkomst is steeds ondergeschikt aan het resultaat van het geding voor de partij bij wie de tussenkomende partij zich heeft aangesloten. De conservatoire tussenkomst is immers accessoir, zij deelt het lot van de vordering waarop ze geënt is (R.P.D.B., v° Intervention en matière civile, l.c., p. 173, nr. 10). Indien deze laatste vordering wordt afgewezen, heeft de conservatoire tussenkomst geen voorwerp meer (P. VANLERSBERGHE, "Het belang als toelaatbaarheidsvereiste voor het instellen van tussenvorderingen", in M. STORME en P. TAELMAN (eds.), Het proces in meervoud, Kluwer Rechtswetenschappen België, Diegem, 1997, p. 70-71, nr. 19). Hetzelfde geldt indien de partij van wie de tussenkomende partij 'afhankelijk' is, afstand doet van haar vordering of erin berust. Volgens FETTWEIS blijven de met de conservatoire tussenkomst gepaard gaande kosten steeds ten laste van de tussenkomende partij: hij vindt steun in art. 882 B.W. (A. FETTWEIS, o.c., p. 415, nr. 578; zie voor een toepassing: Brussel 4 mei 2000, DAOR 2000, 237; vgl. : Cass., 5 februari 1998, 169). De tussenkomst in\tot gemeenverklaring van een te wijzen beslissing heeft in essentie een conservatoir karakter: de tussenkomst strekt ertoe de bedoelde beslissing tegenwerpbaar is, ook door\ten laste van de tussenkomende partij (die geen 'derdenverzet' kan aantekenen; Cass., 20 oktober 1988, Arr. Cass., 1988-89, 212; Cass., 9 november 1992, Arr. Cass., 1991-92, 1287; Cass., 25 november 1996, Arr. Cass., 1996, 1081; S. CNUDDE, "Tussenkomst", in E. BREWAEYS (ed.), Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, VII, Tussengeschillen, Mechelen, Kluwer, 2000, p. 40-42, nrs. 27.130-27.150). x Het onderscheid is van belang, vooral omdat een agressieve tussenkomst niet kan voor het eerst in hoger beroep (Cass., 4 maart 1955, Arr. Verbr., 1954-55, 567; Cass. 24 april 1961, Pas., 1961, I, 904; Cass., 11 februari 1974, Arr. Cass., 1973-74, 626; Cass., 26 oktober 1987, Arr. Cass., 1987-88, 234; zie voorts ook : S. CNUDDE, "Tussenkomst", l.c., p. 30-31, nrs. 26.910-26.920). Art. 812, 2de lid Ger.W. verbiedt zulks uitdrukkelijk (A. FETTWEIS, o.c., p. 424-426, nrs. 600-603). Het verbod van agressieve tussenkomst in hoger beroep is een wettelijke bevestiging van het beginsel van de dubbele aanleg (K. BROECKX, o.c., p. 310-311, nr. 686, p. 313-314, nr. 693 en p. 316, nr. 701). In die optiek is de tussenkomst in\tot gemeenverklaring van een te wijzen beslissing mogelijk in elke stand van het geding, ook in hoger beroep (zie bv. : Gent 20 november 1997, R.H.A. 1998, 229) en zelfs voor het Hof van Cassatie (Cass., 9 november 1992, Arr. Cass. 1991-92, 1287; Cass. 20 oktober 1995, Arr. Cass., 1995, 907). Zij is mogelijk zodra een partij in het geding er belang bij heeft dat de te wijzen beslissing tegenwerpbaar is aan een derde (Cass., 8 maart 1972, Arr. Cass., 1971-72, 639; Cass., 8 februari 1973, Arr. Cass. 1972-73, 572; Cass., 28 juni 1973, Arr. Cass., 1972-73, 1063; Cass., 4 oktober 1973, Arr. Cass., 1973-74, 135; Cass., 27 juni 1974, Arr. Cass., 1973-74, 1219; Cass., 31 januari 1975, Arr. Cass., 1974-75, 621; Cass., 17 april 1975, Arr. Cass., 1974-75, 908; Cass., 29 mei 1975, Arr. Cass., 1974-75, 1033; Cass., 18 september 1975, Arr. Cass., 1975-76, 88; Cass., 7 september 1979, Pas., 1980, I, 24; Cass., 28 februari 1980, Arr. Cass., 1979-80, 801; Cass., 23 oktober 1981, Arr. Cass., 1981-82, 285; Cass. 10 december 1981, Arr. Cass., 1981-82, 500; Cass., 4 januari 1990, Arr. Cass., 1989-90, 583; Cass., 11 oktober 1995, Arr. Cass., 1995, 871; Cass., 20 oktober 1995, Arr. Cass., 1995, 907). In het onderhavige geval komt, zoals gezegd, de veilingkoper voor het eerst in hoger beroep vrijwillig tussen : in hoofdorde vraagt hij de bevestiging van de door de eerste rechter, op vordering van de uitwinnende kredietverlener, uitgesproken 'nietigverklaring' van de litigieuze huurovereenkomst; in ondergeschikte orde vraagt hij "in elk geval te zeggen voor recht dat" die huurovereenkomst hem niet-tegenwerpbaar is. De appèlrechters verklaren (p. 6 en 15) die vrijwillige tussenkomst ontvankelijk "in zoverre hierbij wordt aangesloten bij de stelling van de oorspronkelijk eisende partij die resulteerde in de vernietiging van het notariële huurcontract uitgesproken in het bestreden vonnis". Tot hier rijst geen probleem: dergelijke tussenkomst heeft een conservatoir karakter in voormelde zin. De appelrechters overwegen echter ook (p. 7) dat de in ondergeschikte orde geformuleerde aanspraak strekkende tot de niet-tegenwerpbaarheid 'te haren opzichte' van de litigieuze huurovereenkomst, 'in essentie' conservatoir is, "gezien dit voorwerp reeds impliciet vervat ligt in de vordering tot nietigverklaring van de oorspronkelijk eisende partij". Deze overweging lijkt in strijd te zijn met de hoger vermelde beginselen die 'de conservatoire tussenkomst' beheersen. Vooreerst doet het enkele feit dat het voorwerp van de vordering in\tot tussenkomst overeenstemt met het voorwerp van de reeds hangende vordering geen afbreuk aan het gebeurlijk agressieve karakter van de tussenkomst. Vervolgens verliest de tussenkomst haar gebeurlijk conservatoir karakter zodra de tussenkomende partij te eigen behoeve enige vorm van veroordeling vraagt. Tot slot kan het geding voor de tussenkomende partij hoe dan ook geen andere gevolgen hebben dan voor de partij bij wie zij zich heeft aangesloten: de tussenkomst staat en valt met de vordering waarop ze geënt is. Waar de appèlrechters dan ook: - vaststellen (p. 6-7 en 8) dat de vordering van de oorspronkelijk eisende partij, bij gebrek aan belang (bij de voortzetting van de procedure), zonder voorwerp is geworden, - overwegen (p. 7) dat "de bedenking dat de (oorspronkelijk eisende partij) geen belang meer (heeft) niet van aard is de toelaatbaarheid van een aansluitende conservatoire tussenkomst in het gedrang te brengen" - en aldus de bedoelde (oorspronkelijke) vordering verder beoordelen (p. 8-9) "zowel vanuit het oogpunt van de kostenbeoordeling van de tussenvorderingen en tevens (...) met betrekking tot het voorwerp van de vrijwillige tussenkomst", - om te besluiten (p. 15) tot de ontvankelijkheid van de vrijwillige tussenkomst, vervolgens tot de bevestiging van het beroepen vonnis "weze het op andere gronden" ondanks het feit dat de vordering van de oorspronkelijk eisende partij zonder voorwerp is geworden en tot de gemeenverklaring van het tussengekomen arrest (aan de tussenkomende partij), miskennen zij art. 812, 2de lid Ger.W. Zoals de eisers terecht aanvoeren (p. 17), zijn de bijkomende beschouwingen : - dat het in art. 812, 2de lid Ger.W. bepaalde voorschrift niet van openbare orde is "en dienvolgens bezwaarlijk tot een manifeste sanctionering aanleiding kan geven" (p. 6), - dat in het onderhavige geval "niet aan het normdoel van art. 812, 2de lid Ger.W. wordt getornd" nu de huurders door (het voorwerp van) de vrijwillige tussenkomst niet 'verrast' kunnen zijn en evenmin 'gekrenkt' in hun recht van verdediging (p. 9), ter zake irrelevant. 4. Besluit VERNIETIGING van het bestreden arrest, behalve in zoverre de appèlrechters het hoger beroep toelaatbaar verklaren en zeggen voor recht dat de oorspronkelijke vordering aan de zijde van de uitwinnende kredietverlener de 2de verweerster zonder voorwerp is geworden. De grieven verwoord onder het 2de middel kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. ___________________________
(1)Voor een beter begrip van de in onderhavige zaak gestelde problematiek kan verwezen worden naar een interessant arrest van het Hof van Beroep te Luik van 4 november 1996 (J.L.M.B. 1997, 1024). In het raam van art. 1280 Ger.W. (procedure 'voorlopige maatregelen' tussen echtgenoten in echtscheiding) vordert de vrouw een persoonlijke onderhoudsgeld van de man (art. 213 B.W.). De eerste rechter willigt de vordering in. De man tekent hoger beroep aan. In de loop van de procedure in hoger beroep komt het O.C.M.W. vrijwillig tussen : het O.C.M.W. wil toezien op het verloop van de procedure ten einde nadien de door het O.C.M.W. ten behoeve van de vrouw voorgeschoten gelden te kunnen recupereren van de man (mogelijkheid die de O.C.M.W.-Wet biedt). Het O.C.M.W. sluit zich dan ook aan bij de stelling van de vrouw, wat haar tussenkomst een conservatoir karakter verleent. In de loop van het hoger beroep duikt evenwel een geschrift op waarbij de vrouw afziet van haar aanspraak op het bedoelde persoonlijke onderhoudsgeld. In die optiek past het O.C.M.W. zijn tussenkomst aan en vordert (rechtstreeks) de veroordeling van de man tot terugbetaling van de voorgeschoten gelden. Ondergeschikt beoogt het O.C.M.W. de niet-tegenwerpbaarheid van het litigieuze stuk. De appèlrechters verklaren de aldus geëvolueerde tussenkomst (in globo) onontvankelijk. Evenals de in het thans bestreden arrest illustreert voormelde zaak het weinig proceseconomische resultaat waartoe een stringente toepassing van art. 812, 2de lid Ger.W. kan leiden. Vergelijk met de Franse Code de Procédure Civile, alwaar een agressieve tussenkomst in hoger beroep mogelijk, bij wijze van uitzondering, 'als de evolutie van het geschil dit eist' (zie voor een bespreking : K. BROECKX, o.c., p. 319-322, nrs. 708-713). Zonder wettekst (die in een afwijking voorziet van art. 812, 2de lid Ger.W.), kan die nuance, spijtig genoeg, in België geen toepassing vinden. Tekst van de beslissing Nr. C.02.0108.N 1. T.A., en zijn echtgenote, 2. V.L., eisers, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. A.R., 2. J. DESTOOP & C. D'HOOGE, vennootschap onder firma, met zetel te 8500 Kortrijk, Bloemistenstraat 11, vertegenwoordigd door haar vereffenaars , 3. FREILAND, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 8760 Meulebeke, Elbestraat 5, verweerders. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 oktober 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middelen De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de Grondwet ; artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing oordeelt het hof van beroep dat de vrijwillige tussenkomst van eerste verweerder toelaatbaar is "in zoverre hierbij wordt aangesloten bij de stelling van de oorspronkelijk eisende partij die resulteerde in de vernietiging van het notarieel huurcontract uitgesproken in het bestreden vonnis". Op grond van de theorie van de "derde-medeplichtigheid aan contractbreuk" bevestigen de appèlrechters vervolgens het beroepen vonnis in zoverre daarin de notariële huurovereenkomst van 6 juni 1990 nietig werd verklaard, en zeggen ze voorts voor recht "dat de oorspronkelijke vordering in hoofde van (tweede verweerster) zonder voorwerp is geworden", terwijl het arrest bovendien gemeen wordt verklaard aan eerste verweerster. De appèlrechters baseren zich daarbij op de volgende overwegingen : "Waar (eerste eiser) voorhoudt dat de procedure zonder voorwerp zou zijn geworden ingevolge de openbare verkoop door (derde verweerster) ten gevolge van het wegvallen van het belang bij de vordering in hoofde van de hypothecaire schuldeiser, is dit alhier (m. n. op het vlak van de regelmatigheid ontoelaatbaarheid van het hoger beroep) niet relevant ; Het belang wordt immers beoordeeld op het ogenblik van het instellen van een rechtsvordering (...), desgevallend het ogenblik van het instellen van een rechtsmiddel. Op beide ogenblikken te dezen was het belang in hoofde van de hypothecaire schuldeiser nog intact. Het feit dat deze naderhand, d.i. na het beoordelingsmoment van de toelaatbaarheid, ten gevolge van de openbare verkoop werd voldaan, is desgevallend van aard de vordering haar 'voorwerp' te ontnemen of zonder voorwerp te maken - hetgeen een beoordeling ten gronde impliceert - doch ontneemt het belang of de toelaatbaarheid niet van de betrokken partij of haar vordering. De curator (te dezen eerste verweerster) heeft ontegensprekelijk belang bij deze tussenkomst, gelet op de last die op het patrimonium rust door het huurcontract en het nadeel aldus aan de schuldeisers berokkend. Overigens werd te dezen de oorspronkelijke vordering van de hypothecaire schuldeiser ingewilligd en de voorhanden zijnde titel van verhuring van de villa met o.m. (eerste eiser) vernietigd, er is een titel tot nietigverklaring voorhanden. (...) Toelaatbaarheid vrijwillige tussenkomst (eerste verweerster). (Eerste eiser) beroept zich op de 'manifeste' niet-toelaatbaarheid van voormelde tussenkomst op grond van art. 812, tweede lid, Ger. W.. Afgezien van de vaststelling dat voormeld voorschrift niet van openbare orde is en dienvolgens bezwaarlijk tot een 'manifeste' sanctionering aanleiding kan geven, is de in voormeld artikel geviseerde tussenkomst beperkt tot de 'tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling', m.n. de zgn. agressieve tussenkomst, en geenszins tot het geval waarbij de tussenkomende partij zich louter aansluit bij het standpunt van een andere partij (...). In zoverre de vrijwillig tussenkomende partij te dezen - en dit overigens in hoofdorde - zich tegenover het hoger beroep van (eerste eiser) enkel verweert door de bevestiging te vragen van het bestreden vonnis en zich aldus louter aansluit bij het standpunt van de oorspronkelijke eisende partij (te dezen tweede verweerster), aangenomen in het door (eerste eiser) bestreden vonnis en ook bevestigd in conclusies voor (tweede verweerster), is de vrijwillige tussenkomst volkomen regelmatig en toelaatbaar. Evenmin vereist dergelijk aansluiten een bijkomende kantmelding overeenkomstig art. 5 Hyp. W.. Hoger is reeds gebleken dat het feit dat de oorspronkelijke schuldeiser (te dezen tweede verweerster) inmiddels is uitbetaald de beoordeling ten gronde raakt (het al dan niet nog voorhanden zijn van een voorwerp van de vordering) doch niet de toelaatbaarheid in het gedrang vermag te brengen. Deze dient beoordeeld op het ogenblik van het instellen van de vordering. De bedenking dat de hypothecaire schuldeiser geen 'belang' meer zou hebben gehad is niet van aard de toelaatbaarheid van een aansluitende, conservatoire tussenkomst in het gedrang te brengen. Het fèit dat de oorspronkelijk eisende (partij, te dezen tweede verweerster) voorafgaand aan het neerleggen van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst nog geen stelling had genomen in hoger beroep doet hieraan niets af. Evenmin het feit dat de curator (te dezen eerste verweerster) aldus - op begrijpelijke wijze - de procedure heeft pogen te deblokkeren. Hierbij buiten beschouwing latend de vraag of het bestreden vonnis gerechtigd was de nietigverklaring van de gezegde notariële huurovereenkomst uit te spreken, is ook de aanspraak van de vrijwillig tussenkomende partij in subsidiaire orde - strekkende tot de niet-tegenstelbaarheid te haren opzichte van kwestieuze overeenkomst - in essentie conservatoir, gezien dit voorwerp reeds impliciet vervat ligt in de vordering tot nietigverklaring van de oorspronkelijk eisende partij. Overigens zal infra blijken of deze subsidiaire aanspraak aan de orde is, evenals deze met betrekking miskenning van art. 1575 Ger. W.. (...) Beoordeling ten gronde ; De oorspronkelijke vordering was onmiskenbaar en duidelijk gebaseerd op de derde-medeplichtigheid, de actio pauliana en art. 45 Hyp. W.. De vordering werd door de eerste rechter ingewilligd op grond van art. 1167 B.W., die op deze basis tot de 'nietigverklaring' - en inderdaad niet de niet-tegenstelbaarheid - van de huurovereenkomst heeft beslist. Hoger is reeds gewezen op het verweer van (eerste eiser) omtrent de uitbetaling van de oorspronkelijke hypothecaire schuldeiser. Hoger is tevens reeds gesteld dat dit de toelaatbaarheid van de vrijwillige tussenkomst geenszins belet. Wel dient vastgesteld dat ten gevolge van de openbare verkoop, de hypothecaire schuldeiser in de loop van 1994 volledig werd vergoed en de oorspronkelijke vordering dienvolgens - na het hoger beroep - zonder voorwerp is geworden. Nu de vergoeding evenwel slechts met het instellen van het rechtsmiddel (neerlegging op 23 juli 1993) is gebeurd dient de gegrondheid van de grieven nog steeds onderzocht. Dit zowel vanuit het oogpunt van de kostenbeoordeling van de tussenvorderingen en tevens - naar het oordeel van het hof - met betrekking tot het voorwerp van de vrijwillige tussenkomst. Waar en in zoverre dit de bevestiging vordert van het bestreden vonnis en zich aldus aansluit hij de oorspronkelijke vordering, beoogt deze partij - die hiertoe ontegensprekelijk belang heeft - niets anders dan een gemeenverklaring te haren opzichte van de uitspraak. Weze het dat in tegenstelling tot de eigenlijke vordering tot gemeenverklaring de curatele hier als verzoekende partij optreedt en niet als 'gedaagde', minstens zijn beide rechtsfiguren uiterst gelijklopend. Waar de vrijwillige tussenkomst in werkelijkheid de gemeenverklaring beoogt van de tussen te komen uitspraak kan het verzoek worden ingewilligd. Hierbij kan nog volledigheidshalve worden gewezen op het fèit dat hierdoor ook niet aan het normdoel van art. 812, tweede lid, wordt getornd. Onverminderd het feit dat de 'dubbele aanleg' geen algemeen rechtsbeginsel uitmaakt in burgerlijke zaken, kan de huurder (te dezen de eisers) bezwaarlijk voorhouden verrast te zijn geweest of beknot in zijn verdedigingsrechten, nu ten gevolge van de vrijwillige tussenkomst enkel een vroegere - in eerste aanleg reeds geformuleerde aanspraak - wordt bijgetreden, zonder meer, en hij zich hierop reeds heeft verdedigd. Het feit dat deze vordering zonder voorwerp wordt, doet hieraan niets af. Het hof is evenwel de overtuiging toegedaan dat de vordering tot nietigverklaring behoorde ingewilligd, evenwel op grond van de rechtsfiguur van de derde-medeplichtigheid. De theorie van de derde-medeplichtigheid veronderstelt vooreerst het bewijs van een contractbreuk door de schuldenaar. Dit is te dezen manifest, nu door het afsluiten van de notariële huurovereenkomst voor 36 jaar voor een luttele huurprijs van 1.000 BEF per maand bij akte van 6 juni 1990 dit duidelijk in strijd is met de (overigens ook anterieure) verbintenissen opgenomen door (derde verweerster), in o.m. de art. 8 en 12 van het modelkohier dat integraal deel uitmaakt van de kredietverlening. Aldaar was o.m. voorzien dat er - zonder toestemming van (tweede verweerster), d(
- ie)alhier zelfs niet tijdig op de hoogte werd gebracht - geen huurovereenkomsten mochten worden afgesloten voor langer dan 3 jaar, noch bepalingen mochten worden opgenomen 'waardoor de waarborgen van (tweede verweerster) kunnen worden afgezwakt' en niet met enig zakelijk recht mocht (...) worden bezwaard. Zowel de duur van de huurovereenkomst als de prijs zijn strijdig met voormelde bepalingen en zijn van aard een manifest nadeel te berokkenen aan de kredietverlener en hypothecaire schuldeiser (te dezen tweede verweerster) die de realisatiemogelijkheden en de onmiddellijke waarderaming van het onroerend goed aldus zwaar ziet verminderen. Het feit dat er mogelijks andere realisatiemogelijkheden zouden zijn doet aan het vorengestelde niets af. De rechtstreekse deelname aan deze contractbreuk door de derde(n), te dezen (eisers) kan evenmin ter discussie staan, gezien voormeld huurcontract precies tot stand kwam tussen de oorspronkelijke schulde(nares) (...) van (tweede verweerster) en (de eisers). Ondanks de karige bewijsmedewerking wat de precieze fèitelijke elementen betreft, de afwezigheid van enig (wellicht zeer vruchtbaar) opzoekingswerk door de betrokken partijen o.m. wat bvb. het wirwar van vennootschappen en hun onderlinge banden betreft (bvb. omtrent de mede-gebruikers van telefoon en elektriciteit vermeld in het huurcontract), kan in de gegeven omstandigheden de medeplichtigheid van de derden evenmin ernstig worden in vraag gesteld nu (de eisers) wisten of behoorden te weten dat zij door voormeld contract af te sluiten aan andermans contractbreuk deelnamen, m.n. deze door (hun) verhuurder (te dezen derde verweerster). Dit blijkt o.m. uit de volgende elementen : Uit deze concrete omstandigheden blijkt afdoende dat (eisers) niet als te goeder trouw, kunnen worden beschouwd. De uitleg die terzake door (eerste eiser) wordt gegeven is volstrekt ongeloofwaardig. Gelet op al deze gegevens samengenomen is het huurcontract aan de gezegde (lange tijd fictieve, want niet opgevraagde) prijs en voor een dergelijke lange duur, mede gelet op de leeftijd van de huurders (te dezen de eisers), hun in werkelijkheid lang onbetaald gebleven permanente bezetting van het pand en het noodzakelijk handelsdoel dat de vennootschap-eiseres (te dezen derde verweerster) dient na te streven, noodzakelijkerwijze een constructie in het uitsluitende voordeel van de huurders, waarin de aankopende vennootschap bereid werd gevonden de constructie (mede) op te zetten en/of er aan mee te werken. In die omstandigheden is het uit te sluiten dat dit buiten het medeweten van de huurders zou zijn gebeurd, en is het integendeel aan te nemen dat dit op hun uitsluitende verzoek is tot stand gekomen. Het feit dat naderhand gepoogd werd de huurster (te dezen tweede eiseres) nu als zaakvoerster in de eigendomsvennootschap binnen te loodsen, bevestigt slechts de bedoeling van partijen in hun poging om dit systeem te bestendigen. Waar uit de notariële akte huurverlening blijkt, dat er bovendien een hypothecaire inschrijving voorhanden was - overigens expliciet toegevoegd in de rand en bijkomend geparafeerd door elk der partijen - en bovendien algemeen gebruikelijk is dat hierin een bepaling wordt opgenomen waarbij verzwarende lasten zoals langere huurcontracten worden uitgesloten en/of aan banden gelegd, behoorde het (de eisers) hieromtrent informatie in te winnen bij de eigenares (te dezen derde verweerster), voor zover zij niet moedwillig hun medewerking hebben verleend om de bepalingen ten laste van de eigenares te overtreden. Dit laatste is in het licht van hetgeen voorafgaat, aan te nemen. Minstens wisten (de eisers) of behoorden zij te weten dat door de langdurige onbeschikbaarheid te beogen of eraan mede te werken zij de gebruikelijke vorderings- en zekerheidsrechten van de hypothecaire schuldeiser en/of latere eigenaars nadelig beïnvloeden. De vordering in zoverre gebaseerd op de derde-medeplichtigheid komt dan ook gegrond voor. De fout was onmiskenbaar oorzaak van de zware moeilijkheden bij de uitwinning (...) en van het feit dat de nieuwe koper nog steeds de vrije beschikking ontzegd wordt van het onroerend goed, nu (de eisers) volgens de laatst neergelegde conclusies nog steeds aldaar wonen. De meest correcte herstelwijze van deze fout is in de gegeven omstandigheden de opheffing of nietigverklaring van de litigieuze akte. Het eerste vonnis dient dan ook bevestigd waar het tot de nietigverklaring van de notariële akte besloot, weze het op andere gronden. Het feit dat een en ander notarieel gebeurde doet hieraan niets af. Het hoort niet tot de taak van de notaris de oogmerken van de contracterende partijen te acteren, laat staan deze op hun waarachtigheid te toetsen. Ook het feit dat de huurovereenkomst kennelijk verder werd uitgevoerd is - zoals hoger gebleken - enkel van aard hetgeen voorafgaat te bevestigen. Een dergelijke nietigheid kan geenszins worden 'gedekt' door de houding van de partijen, laat staan in de alhier gegeven bijzondere omstandigheden. Meteen dient niet verder ingegaan op de al dan niet toelaatbaarheid van de vrijwillige tussenkomst van de curatele in hoger beroep waar dit andere - minder conservatoire - aanspraken nastreefde" (p. 5-14. folio's 1786-1795 van het bestreden arrest). Grieven Eerste onderdeel Te dezen staat vast dat de initiële vordering in eerste aanleg werd ingesteld door tweede verweerster, die als kredietverleenster en hypothecaire schuldeiseres haar schuldenares, te dezen derde verweerster, samen met de eisers had gedagvaard teneinde de nietigverklaring te horen uitspreken van de notariële overeenkomst van 6 juni 1990 waarbij derde verweerster de door haar aangekochte en in het voordeel van tweede verweerster gehypothekeerde villa met garage verhuurde aan de eisers. In het beroepen vonnis van 22 juni 1993 werd deze vordering gegrond verklaard en werd voor recht gezegd dat de notariële huurovereenkomst van 6 juni 1990 nietig is. Zo ook staat vast dat de gehypothekeerde villa, samen met het eveneens ten voordele van tweede verweerster gehypothekeerde "complex fabrieksgebouwen", naar aanleiding van het door tweede verweerster benaarstigde uitvoerend beslag op deze goederen, in augustus 1994 openbaar werd verkocht aan eerste verweerster, die nadien failliet werd verklaard en werd vertegenwoordigd door haar curator, terwijl evenmin werd betwist dat de hypothecaire schuldvordering van tweede verweerster door de opbrengst van deze openbare verkoop volledig werd voldaan. Dit laatste noopte de appèlrechters ertoe te oordelen dat de oorspronkelijke vordering van tweede verweerster - d.w.z. de vordering tot nietigverklaring van de huurovereenkomst van 6 juni 1990 - te dezen "zonder voorwerp" was geworden. De vrijwillige tussenkomst van eerste verweerster werd evenwel toelaatbaar verklaard "in zoverre hierbij wordt aangesloten bij de stelling van de oorspronkelijk eisende partij die resulteerde in de vernietiging van het notarieel huurcontract uitgesproken in het bestreden vonnis". Op grond van de theorie van de "derde-medeplichtigheid aan contractbreuk" verklaart het hof van beroep de notariële huurovereenkomst van 6 juni 1990 vervolgens nietig, nu die huurovereenkomst was verboden door de bepalingen van de tussen tweede verweerster als uitlener en derde verweerster als ontlener gesloten hypothecaire leningovereenkomst. Zowel het dispositief als de motieven van het bestreden arrest zijn aldus door tegenstrijdigheid aangetast en schenden derhalve de motiveringsverplichting, nu enerzijds wordt geoordeeld dat de door tweede verweerster ingestelde oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring van de huurovereenkomst "zonder voorwerp" is, doch anderzijds wordt geoordeeld dat die huurovereenkomst moet worden nietigverklaard. De omstandigheid dat de desbetreffende vordering strekte tot het "zeggen voor recht" dat de huurovereenkomst nietig was, doet immers geen afbreuk aan de bedenking dat de desbetreffende veroordeling slechts "op vordering" van een welbepaalde partij kan worden uitgesproken. De appèlrechters statueren aldus tegenstrijdig en miskennen bijgevolg, door de bestreden beslissing door deze tegenstrijdigheid niet regelmatig met redenen te omkleden, artikel 149 van de Grondwet. Tweede onderdeel Te dezen staat vast dat de initiële vordering in eerste aanleg werd ingesteld door tweede verweerster, die als kredietverleenster en hypothecaire schuldeiseres haar schuldenares, te dezen derde verweerster, samen met eisers had gedagvaard teneinde de nietigverklaring te horen uitspreken van de notariële overeenkomst van 6 juni 1990 waarbij derde verweerster de door haar aangekochte en in het voordeel van tweede verweerster gehypothekeerde villa met garage verhuurde aan eisers. In het beroepen vonnis van 22 juni 1993 werd deze vordering gegrond verklaard en werd voor recht gezegd dat de notariële huurovereenkomst van 6 juni 1990 nietig is. Zo ook staat vast dat de gehypothekeerde villa, samen met het eveneens ten voordele van tweede verweerster gehypothekeerde "complex fabrieksgebouwen", naar aanleiding van het door tweede verweerster benaarstigde uitvoerend beslag op deze goederen, in augustus 1994 openbaar werd verkocht aan eerste verweerster, die nadien failliet werd verklaard en werd vertegenwoordigd door haar curator, terwijl evenmin werd betwist dat de hypothecaire schuldvordering van tweede verweerster door de opbrengst van deze openbare verkoop volledig werd voldaan. Dit laatste noopte de appèlrechters ertoe te oordelen dat de oorspronkelijke vordering van tweede verweerster - d.w.z. de vordering tot nietigverklaring van de huurovereenkomst van 6 juni 1990 - te dezen "zonder voorwerp" was geworden. De vrijwillige tussenkomst van eerste verweerster werd evenwel toelaatbaar verklaard "inzoverre hierbij wordt aangesloten bij de stelling van de oorspronkelijk eisende partij die resulteerde in de vernietiging van het notarieel huurcontract uitgesproken in het bestreden vonnis". Op grond van de theorie van de "derde-medeplichtigheid aan contractbreuk" verklaart het hof van beroep de notariële huurovereenkomst van 6 juni 1990 vervolgens nietig, nu die huurovereenkomst was verboden door de bepalingen van de tussen tweede verweerster als uitlener en derde verweerster als ontlener gesloten hypothecaire leningovereenkomst. In die context kon het hof van beroep niet wettig oordelen dat de huurovereenkomst van 6 juni 1990 nietig moet worden verklaard en dat die beslissing "gemeen" is aan eerste verweerster, die immers slechts voor het eerst in hoger beroep vrijwillig tussenkwam. Op die manier verkrijgt eerste verweerster, die te dezen niet optrad als rechtsopvolger van tweede verweerster, immers voor het eerst in hoger beroep een veroordeling, nl. een beslissing tot nietigverklaring van de huurovereenkomst. Dit laatste is onwettig, nu artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek voorschrijft dat tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal kan plaatsvinden in hoger beroep. De bedenking van de appèlrechters dat het in artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek neergelegde voorschrift niet van openbare orde is (p. 6, folio 1787 van het bestreden arrest), evenals de bedenking dat de eisers door de vrijwillige tussenkomst van eerste verweerster niet "verrast" konden worden of niet werden gekrenkt in hun rechten van verdediging (p. 9. folio 1790 van het bestreden arrest), is in dit verband niet relevant en doet geen afbreuk aan het in het tweede lid van artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek omschreven verbod van een agressieve tussenkomst voor het eerst in hoger beroep. Een dergelijke agressieve tussenkomst wordt te dezen door het hof van beroep wel toegekend : nu de vordering van tweede verweerster "zonder voorwerp" werd verklaard, is eerste verweerster de enige in wiens voordeel de veroordeling - te dezen de nietigverklaring van de huurovereenkomst van 6 juni 1990 - werd uitgesproken. De appèlrechters miskennen derhalve het aangehaalde artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek door ten voordele van eerste verweerster voor het eerst in hoger beroep een veroordeling uit te spreken. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 1165 en 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing oordeelt het hof van beroep dat de vrijwillige tussenkomst van eerste verweerster toelaatbaar is "in zoverre hierbij wordt aangesloten bij de stelling van de oorspronkelijk eisende partij die resulteerde in de vernietiging van het notarieel huurcontract uitgesproken in het bestreden vonnis". Op grond van de theorie van de "derde-medeplichtigheid aan contractbreuk" bevestigen de appèlrechters vervolgens het beroepen vonnis in zoverre daarin de notariële huurovereenkomst van 6 juni 1990 nietig werd verklaard, en zeggen ze voorts voor recht "dat de oorspronkelijke vordering in hoofde van (tweede verweerster) zonder voorwerp is geworden", terwijl het arrest bovendien gemeen wordt verklaard aan eerste verweerster. De appèlrechters baseren zich daarbij op de volgende overwegingen : "Waar (eerste eiser) voorhoudt dat de procedure zonder voorwerp zou zijn geworden ingevolge de openbare verkoop door (derde verweerster) ten gevolge van het wegvallen van het belang hij de vordering in hoofde van de hypothecaire schuldeiser, is dit alhier (m.n. op het vlak van de regelmatigheid of toelaatbaarheid van het hoger beroep) niet relevant. Het belang wordt immers beoordeeld op het ogenblik van het instellen van een rechtsvordering (...), desgevallend het ogenblik van het instellen van een rechtsmiddel. Op beide ogenblikken te dezen was het belang in hoofde van de hypothecaire schuldeiser nog intact. Het feit dat deze naderhand, d.i. na het beoordelingsmoment van de toelaatbaarheid ten gevolge van de openbare verkoop werd voldaan, is desgevallend van aard de vordering haar 'voorwerp' te ontnemen of zonder voorwerp te maken - hetgeen een beoordeling ten gronde impliceert - doch ontneemt het belang of de toelaatbaarheid niet van de betrokken partij of haar vordering. De curator (te dezen eerste verweerster) heeft ontegensprekelijk belang bij deze tussenkomst, gelet op de last die op het patrimonium rust door het huurcontract en het nadeel aldus aan de schuldeisers berokkend. Overigens werd te dezen de oorspronkelijke vordering van de hypothecaire schuldeiser ingewilligd en de voorhanden zijnde titel van verhuring van de villa met o.m. (eerste eiser) vernietigd, er is een titel tot nietigverklaring voorhanden. (...) Toelaatbaarheid vrijwillige tussenkomst (eerste verweerster). (Eerste eiser) beroept zich op de 'manifeste' niet-toelaatbaarheid van voormelde tussenkomst op grond van art. 812, tweede lid, Ger. W.. Afgezien van de vaststelling dat voormeld voorschrift niet van openbare orde is en dienvolgens bezwaarlijk tot een 'manifeste' sanctionering aanleiding kan geven, is de in voormeld artikel geviseerde tussenkomst beperkt tot de 'tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling', m.n. de zgn. agressieve tussenkomst, en geenszins tot het geval waarbij de tussenkomende partij zich louter aansluit hij het standpunt van een andere partij (...). In zoverre de vrijwillig tussenkomende partij te dezen - en dit overigens in hoofdorde - zich tegenover het hoger beroep van (eerste eiser) enkel verweert door de bevestiging te vragen van het bestreden vonnis en zich aldus louter aansluit bij het standpunt van de oorspronkelijke eisende partij (te dezen tweede verweerster), aangenomen in het door (eerste eiser) bestreden vonnis en ook bevestigd in conclusies voor (tweede verweerster), is de vrijwillige tussenkomst volkomen regelmatig en toelaatbaar. Evenmin vereist dergelijk aansluiten een bijkomende kantmelding overeenkomstig art. 5 Hyp. W.. Hoger is reeds gebleken dat het feit dat de oorspronkelijke schuldeiser (te dezen tweede verweerster) inmiddels is uitbetaald de beoordeling ten gronde raakt (het al dan niet nog voorhanden zijn van een voorwerp van de vordering) doch niet de toelaatbaarheid in het gedrang vermag te brengen. Deze dient beoordeeld op het ogenblik van het instellen van de vordering. De bedenking dat de hypothecaire schuldeiser geen 'belang' meer zou hebben gehad is niet van aard de toelaatbaarheid van een aansluitende, conservatoire tussenkomst in het gedrang te brengen. Het feit dat de oorspronkelijk eisende (partij, te dezen tweede verweerster), voorafgaand aan het neerleggen van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst nog geen stelling had genomen in hoger beroep doet hieraan niets af. Evenmin het feit dat de curator (te dezen eerste verweerster) aldus - op begrijpelijke wijze - de procedure heeft pogen te deblokkeren. Hierbij buiten beschouwing latend de vraag of het bestreden vonnis gerechtigd was de nietigverklaring van de gezegde notariële huurovereenkomst uit te spreken, is ook de aanspraak van de vrijwillig tussenkomende partij in subsidiaire orde - strekkende tot de niet-tegenstelbaarheid te haren opzichte van kwestieuze overeenkomst - in essentie conservatoir, gezien dit voorwerp impliciet vervat ligt in de vordering tot nietigverklaring van de oorspronkelijk eisende partij. Overigens zal infra blijken of deze subsidiaire aanspraak aan de orde is, evenals deze met betrekking of miskenning van art. 1575 Ger. W.. (...) Beoordeling ten gronde. De oorspronkelijke vordering was onmiskenbaar en duidelijk gebaseerd op de derde-medeplichtigheid, de actio pauliana en art. 15 Hyp. W.. De vordering werd door de eerste rechter ingewilligd op grond van art. 1167 B.W., die op deze basis tot de 'nietigverklaring' - en inderdaad niet de niet-tegenstelbaarheid - van de huurovereenkomst heeft beslist. Hoger is reeds gewezen op het verweer van (eerste eiser) omtrent de uitbetaling van de oorspronkelijke hypothecaire schuldeiser. Hoger is tevens reeds gesteld dat dit de toelaatbaarheid van de vrijwillige tussenkomst geenszins belet. Wel dient vastgesteld dat ten gevolge van de openbare verkoop, de hypothecaire schuldeiser in de loop van 1991 volledig werd vergoed en de oorspronkelijke vordering dienvolgens - na het hoger beroep - zonder voorwerp is geworden. Nu de vergoeding evenwel slechts na het instellen van het rechtsmiddel (neerlegging op 23 juli 1993) is gebeurd, dient de gegrondheid van de grieven nog steeds onderzocht. Dit zowel vanuit het oogpunt van de kostenbeoordeling van de tussenvorderingen en tevens - naar het oordeel van het hof - met betrekking tot het voorwerp van de vrijwillige tussenkomst. Waar en in zoverre dit de bevestiging vordert van het bestreden vonnis en zich aldus aansluit bij de oorspronkelijke vordering, beoogt deze partij - die hiertoe ontegensprekelijk belang heeft - niets anders dan een gemeenverklaring te haren opzichte van de uitspraak. Weze het dat in tegenstelling tot de eigenlijke vordering tot gemeenverklaring de curatele hier als verzoekende partij optreedt en niet als 'gedaagde', minstens zijn beide rechtsfiguren uiterst gelijklopend. Waar de vrijwillige tussenkomst in werkelijkheid de gemeenverklaring beoogt van de tussen te komen uitspraak kan het verzoek worden ingewilligd. Hierbij kan nog volledigheidshalve worden gewezen op het feit dat hierdoor ook niet aan het normdoel van art. 812, tweede lid, wordt getornd. Onverminderd het feit dat de 'dubbele aanleg' geen algemeen rechtsbeginsel uitmaakt in burgerlijke zaken, kan de huurder (te dezen de eisers) bezwaarlijk voorhouden verrast te zijn geweest of beknot in zijn verdedigingsrechten, nu ten gevolge van de vrijwillige tussenkomst enkel een vroegere - in eerste aanleg reeds geformuleerde aanspraak - wordt bijgetreden, zonder meer, en hij zich hierop reeds heeft verdedigd. Het feit dat deze vordering zonder voorwerp wordt, doet hieraan niets af. Het hof is evenwel de overtuiging toegedaan dat de vordering tot nietigverklaring behoorde ingewilligd, evenwel op grond van de rechtsfiguur van de derde-medeplichtigheid. De theorie van de derde-medeplichtigheid veronderstelt vooreerst het bewijs van een contractbreuk door de schuldenaar. Dit is te dezen manifest, nu door het afsluiten van de notariële huurovereenkomst voor 36 jaar voor een luttele huurprijs van 1.000 BEF per maand bij akte van 6 juni 1990 dit duidelijk in strijd is met de (overigens ook anterieure) verbintenissen opgenomen door (derde verweerster), in o.m. de art. 8 en 12 van het modelkohier dat integraal deel uitmaakt van de kredietverlening. Aldaar was o.m. voorzien dat er - zonder toestemming van (tweede verweerster), d(
- ie)alhier zelfs niet tijdig op de hoogte werd gebracht - geen huurovereenkomsten mochten worden afgesloten voor langer dan 3 jaar, noch bepalingen mochten worden opgenomen 'waardoor de waarborgen van (tweede verweerster) kunnen worden afgezwakt' en niet met enig zakelijk recht mocht (...) worden bezwaard. Zowel de duur van de huurovereenkomst als de prijs zijn strijdig met voormelde bepalingen en zijn van aard een manifest nadeel te berokkenen aan de kredietverlener en hypothecaire schuldeiser (te dezen tweede verweerster) die de realisatiemogelijkheden en de onmiddellijke waarderaming van het onroerend goed aldus zwaar ziet verminderen. Het feit dat er mogelijke andere realisatiemogelijkheden zouden zijn doet aan het vorengestelde niets af. De rechtstreekse deelname aan deze contractbreuk door de derde(n), te dezen (de eisers) kan evenmin ter discussie staan, gezien voormeld huurcontract precies tot stand kwam tussen de oorspronkelijke schuldenares (...) van (tweede verweerster) en (de eisers). Ondanks de karige bewijsredenering wat de precieze feitelijke elementen betreft, de afwezigheid van enig (wellicht zeer vruchtbaar) opzoekingswerk door de betrokken partijen o.m. wat bvb. het wirwar van vennootschappen en hun onderlinge banden betreft (bvb. omtrent de mede-gebruikers van telefoon en elektriciteit vermeld in het huurcontract), kan in de gegeven omstandigheden de medeplichtigheid van de derden evenmin ernstig worden in vraag gesteld nu (de eisers) wisten of behoorden te weten dat zij door voormeld contract af te sluiten aan andermans contractbreuk deelnamen, m.n. deze door (hun) verhuurder (te dezen derde verweerster). Dit blijkt o.m. uit de volgende elementen (...) : Uit deze concrete omstandigheden blijkt afdoende dat (de eisers) niet als te goeder trouw kunnen worden beschouwd De uitleg die terzake door (eerste eiser) wordt gegeven is volstrekt ongeloofwaardig. Gelet op al deze gegevens samengenomen is het huurcontract aan de gezegde (lange tijd fictieve, want niet opgevraagde) prijs en voor een dergelijke lange duur, mede gelet op de leeftijd van de huurders (te dezen de eisers), hun in werkelijkheid lang onbetaald gebleven permanente bezetting van het pand en het noodzakelijk handelsdoel dat de vennootschap-eiseres (te dezen derde verweerster) dient na te streven, noodzakelijkerwijze een constructie in het uitsluitende voordeel van de huurders, waarin de aankopende vennootschap bereid werd gevonden de constructie (mede) op te zetten en/of er aan mee te werken. In die omstandigheden is het uit te sluiten dat dit buiten het medeweten van de huurders zou zijn gebeurd en is het integendeel aan te nemen dat dit op hun uitsluitende verzoek is tot stand gekomen. Het feit dat naderhand gepoogd werd de huurster (te dezen tweede eiseres) nu als zaakvoerster in de eigendomsvennootschap binnen te loodsen, bevestigt slechts de bedoeling van partijen in hun poging om dit systeem te bestendigen. Waar uit de notariële akte huurverlening bovendien blijkt dat er een hypothecaire inschrijving voorhanden was - overigens expliciet toegevoegd in de rand en bijkomend geparafeerd door elk der partijen - en bovendien algemeen gebruikelijk is dat hierin een bepaling wordt opgenomen waarbij verzwarende lasten zoals langere huurcontracten worden gesloten en/of aan handen gelegd, behoorde het (de eisers) hieromtrent informatie in te winnen bij de eigenares (te dezen derde verweerster), voor zover zij niet moedwillig hun medewerking hebben verleend om de bepalingen ten laste van de eigenares te overtreden. Dit laatste is in het licht van hetgeen voorafgaat, aan te nemen. Minstens wisten (de eisers) of behoorden zij te weten dat door de langdurige onbeschikbaarheid te beogen of eraan mede te werken zij de gebruikelijke vorderings- en zekerheidsrechten van de hypothecaire schuldeiser en/of latere eigenaars nadelig beïnvloeden. De vordering in zoverre gebaseerd op de derde-medeplichtigheid komt dan ook gegrond voor. De fout was onmiskenbaar oorzaak van de zware moeilijkheden bij de uitwinning (...) en van het feit dat de nieuwe koper nog steeds de vrije beschikking ontzegd wordt van het onroerend goed, nu (de eisers) volgens de laatst neergelegde conclusies nog steeds aldaar wonen. De meest correcte herstelwijze van deze fout is in de gegeven omstandigheden de opheffing of nietigverklaring van de litigieuze akte. Het eerste vonnis dient dan ook bevestigd waar het tot de nietigverklaring van de notariële akte besloot, weze het op andere gronden. Het feit dat een en ander notarieel gebeurde doet hieraan niets af. Het hoort niet tot de taak van de notaris de oogmerken van de contracterende partijen te acteren, laat staan deze op hun waarachtigheid te toetsen. Ook het feit dat de huurovereenkomst kennelijk verder werd uitgevoerd is - zoals hoger gebleken - enkel van aard hetgeen voorafgaat te bevestigen. Een dergelijke nietigheid kan geenszins worden 'gedekt' door de houding van de partijen, laat staan in de alhier gegeven bijzondere omstandigheden. Meteen dient niet verder ingegaan op de al dan niet toelaatbaarheid van de vrijwillige tussenkomst van de curatele in hoger beroep waar dit andere - minder conservatoire - aanspraken nastreefde" (p. 5-14, folio's 1786-1795 van het bestreden arrest). Grieven Te dezen staat vast dat de initiële vordering in eerste aanleg werd ingesteld door tweede verweerster, die als kredietverleenster en hypothecaire schuldeiseres haar schuldenares, te dezen derde verweerster, samen met de eisers had gedagvaard teneinde de nietigverklaring te horen uitspreken van de notariële overeenkomst van 6 juni 1990 waarbij derde verweerster de door haar aangekochte en in het voordeel van tweede verweerster gehypotheceerde villa met garage verhuurde aan de eisers. In het beroepen vonnis van 22 juni 1993 werd deze vordering gegrond verklaard en werd voor recht gezegd dat de notariële huurovereenkomst van 6 juni 1990 nietig is. Zo ook staat vast dat de gehypothekeerde villa, samen met het eveneens ten voordele van tweede verweerster gehypothekeerde "complex fabrieksgebouwen", naar aanleiding van het door tweede verweerster benaarstigde uitvoerend beslag op deze goederen, in augustus 1994 openbaar werd verkocht aan eerste verweerster, die nadien failliet werd verklaard en werd vertegenwoordigd door haar curator, terwijl evenmin werd betwist dat de hypothecaire schuldvordering van tweede verweerster door de opbrengst van deze openbare verkoop volledig werd voldaan. Dit laatste noopte de appèlrechters ertoe te oordelen dat de oorspronkelijke vordering van tweede verweerster - d.w.z. de vordering tot nietigverklaring van de huurovereenkomst van 6 juni 1990 - te dezen "zonder voorwerp" was geworden. De vrijwillige tussenkomst van eerste verweerster werd evenwel toelaatbaar verklaard "in zoverre hierbij wordt aangesloten hij de stelling van de oorspronkelijk eisende partij die resulteerde in de vernietiging van het notarieel huurcontract uitgesproken in het bestreden vonnis". Op grond van de theorie van de "derde-medeplichtigheid aan contractbreuk" verklaart het hof van beroep de notariële huurovereenkomst van 6 juni 1990 vervolgens nietig, nu die huurovereenkomst was verboden door de bepalingen van de tussen tweede verweerster als uitlener en derde verweerster als ontlener gesloten hypothecaire leningsovereenkomst. Te dezen merken de appèlrechters evenwel niet pertinent op dat de bepalingen van de gewraakte huurovereenkomst "van aard (zijn) een manifest nadeel te berokkenen aan de kredietverlener en hypothecaire schuldeiser (te dezen tweede verweerster) die de realisatiemogelijkheden en de onmiddellijke waarderaming van het onroerend goed aldus zwaar ziet verminderen" (p. 9 in fine, folio 1790 in fine van het bestreden arrest). Het hof van beroep stelt zoals gezegd immers vast "dat ten gevolge van de openbare verkoop, de hypothecaire schuldeiser in de loop van 1994 volledig werd vergoed en de oorspronkelijke vordering dienvolgens - na het hoger beroep - zonder voorwerp is geworden" (derde-laatste alinea van p. 8, folio 1789 van het bestreden arrest). Deze laatste vaststelling impliceert dat er te dezen geen schade voorhanden is die de toepassing van de leer van de derde-medeplichtigheid aan contractbreuk kan wettigen - zoals overigens ook reeds door eerste eiser in zijn appèlconclusie werd aangevoerd (cf. o.m. p. 5 en p. 11 in fine van de namens eerste eiser op 21 februari 2001 neergelegde appèlconclusie). De appèlrechters stellen immers zelf vast dat de aantasting van "de realisatiemogelijkheden en de onmiddellijke waarderaming" van het onderpand van tweede verweerster aan deze laatste blijkbaar geen effectief nadeel heeft toegebracht, zodat evenmin enige schade in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de bedenking van de appèlrechters dat de bepalingen van de huurovereenkomst "de gebruikelijke vorderings- en zekerheidsrechten van de hypothecaire schuldeiser en/of latere eigenaars nadelig beïnvloeden" (p. 13-14, folio's 1794-1795 van het bestreden arrest). De omstandigheid dat een huurovereenkomst m.b.t. het in zekerheid gegeven goed nadelig is voor de "latere eigenaar" van dat goed (te dezen eerste verweerster), laat op zichzelf niet toe om wettig tot het besluit te komen dat (de medeplichtigheid aan) de contractbreuk, gepleegd (samen met
- of)door degene die op het ogenblik van het sluiten van die huurovereenkomst eigenaar is van het goed (te dezen derde verweerster) ten nadele van de schuldeiser van deze laatste (te dezen tweede verweerster), "schade" in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek inhoudt in hoofde van die "latere eigenaar". Deze laatste stelde in zijn verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst overigens zelf dat in het lastenkohier van de openbare verkoop waarbij zij het goed verwierf, melding werd gemaakt van de notariële huurovereenkomst van 6 juni 1990 en het beroepen vonnis van 22 juni 1993 (cf. p. 5 van dit verzoekschrift). Aldus wordt het bestaan van reële "zekere" schade in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek die aanleiding geeft tot de toepassing van de theorie van de derde-medeplichtigheid aan contractbreuk, te dezen niet wettig vastgesteld. Dit geldt a fortiori voor eerste verweerster, die overeenkomstig artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek geen rechten noch verplichtingen kon putten uit de leningsovereenkomst tussen tweede en derde verweerster. De appèlrechters miskennen derhalve zowel artikel 1382 als artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek. IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Eerste onderdeel Overwegende dat de in het onderdeel aangevoerde tegenstrijdigheid niet bestaat ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; Tweede onderdeel Overwegende dat in burgerlijke zaken, overeenkomstig artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek, een partij voor de eerste maal in hoger beroep kan tussenkomen als haar tussenkomst niet strekt tot het bekomen van een veroordeling maar tot het bevestigen van het beroepen vonnis en zich daarbij alleen aansluit bij de stelling van andere partijen ; Dat de tussenkomst in de grenzen moet blijven van het debat zoals het gevoerd is voor de appèlrechter ; Dat wanneer in de loop van het geding in hoger beroep de partij bij wie de tussenkomende partij aansluit, haar vordering wijzigt omdat zij ondertussen betaling heeft verkregen, dit feit niet tot gevolg heeft dat de tussenkomst niet ontvankelijk wordt ; Dat het onrechtstreeks nuttig gevolg van een vrijwillige tussenkomst de toelaatbaarheid ervan niet beïnvloedt ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat tweede verweerster in conclusie voor de appèlrechters gevraagd heeft dat haar oorspronkelijke stelling ingenomen voor de eerste rechter gegrond zou worden bevonden en dat de eerste verweerder zich enkel aansluit bij die vordering ; Dat zij hieruit afleiden dat de vrijwillige tussenkomst volkomen regelmatig en toelaatbaar is ; Dat zij aldus hun beslissing naar recht verantwoorden ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; Tweede middel Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat "de curator ontegensprekelijk belang heeft, gelet op de last die het op het patrimonium rust door het huurcontract en het nadeel aldus aan de schuldeisers berokkend" ; Dat het middel dat opkomt tegen de feitelijke beoordeling door de appèlrechters van de schade van de faillissementsboedel, niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van duizend vierhonderd zesendertig euro eenenvijftig cent jegens de eisende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van acht april tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050408.4 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010111.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div