← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050408.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050408.5 Rolnummer: C.02.0419.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2006-06-15 Raadplegingen: 476 - laatst gezien 2026-07-04 13:45 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Als kosten van onthaal, waarvan de erop geheven B.T.W. niet aftrekbaar is, komen in aanmerking, de kosten gedaan voor onthaal en ontvangst, desgevallend gepaard gaande met vermaak of ontspanning, van aan het bedrijf vreemde bezoekers, inzonderheid klanten en leveranciers, met het oog op het bestendigen of verstevigen van zakelijke relaties; wanneer de betrokken activiteit evenwel hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft de eindkoper in te lichten over het bestaan en de hoedanigheden van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen, is zij een reclame waarvan de kosten niet van aftrek uitgesloten zijn

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Algemeen (belasting over de toegevoegde waarde) Vrije woorden: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Niet voor aftrek in aanmerking komende belasting Belasting op kosten van onthaal Kosten van onthaal Nota: C.02.0419.N Conclusie openbaar ministerie:
  1. Het Hof van Beroep te Antwerpen diende in deze zaak te beoordelen of de B.T.W. op de door verweerster in 199O en 1991 betaalde facturen voor het inrichten van feestelijkheden in het kader van de promotie van door haar uitgegeven tijdschriften, waarop cliënten en toekomstige cliënten uitgenodigd waren, als publiciteitskosten voor aftrek in aanmerking kwamen op grond van artikel 45, ,§ 1, 1°, van het B.T.W.-Wetboek, dan wel diende gekwalificeerd te worden als B.T.W. op 'kosten van onthaal', waarvan de aftrek door artikel 45, ,§ 3, 4°, van dat wetboek niet wordt toegestaan. In eerste aanleg had de Eerste Rechter op basis van de feitelijke elementen besloten dat de B.T.W. wel degelijk betrekking had op publicitaire acties strekkende tot een verhoogde verkoop en er van 'kosten van onthaal' in de zin van bedoeld artikel 45, ,§ 3, 4° geen sprake kon zijn, onder meer gelet op het gebrek aan definitie van dit laatste begrip in de Belgische rechtsorde en verwijzend naar rechtspraak van het Europees Hof van Justitie van 17 november
  2. Het hof van beroep bevestigde het vonnis a quo met het thans bestreden arrest.
  3. In het enig middel tot cassatie verwijt eiser het arrest de toepassing van artikel 45, ,§ 3, 4°, van de hand te hebben gewezen op grond van het publicitair karakter van de litigieuze uitgaven, doch zonder na te gaan of de uitgaven al dan niet naar hun aard als uitgaven van onthaal aan te merken zijn. Volgens eiser kan bestaan van publicitaire doeleinden immers niet volstaan om de B.T.W. op uitgaven, die materieel als kosten van onthaal aan te merken zijn, aan bedoeld voorschrift te doen ontsnappen. Essentieel is volgens eiser, dus niet het doel, dat wellicht altijd publicitair zal zijn, maar wel de aard van de uitgaven: bij een onthaal wordt aan de gasten spijs en drank aangeboden, met naargelang de gevallen bloemen, vermaak en dergelijke.
  4. Het begrip 'kosten van onthaal' wordt noch in de wet, noch in de voorbereidende werken omschreven. De B.T.W.-Administratie omschrijft dit begrip in zijn Aanschrijving nr. 103 van 31 december 1970 als 'de kosten op het stuk van public-relations gedaan voor onthaal, ontvangst en vermaak of ontspanning van aan het bedrijf vreemde bezoekers, inzonderheid leveranciers en klanten. Hiermee wordt alle B.T.W. bedoeld die betrekking heeft op onthaal.' (aanschrijving nr. 103 van 31 december 1970, B.T.W. Gecoördineerde aanschrijvingen, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1988, nr. 103/1970, ,§ 15). De bedoeling van de wetgever is geweest de B.T.W. geheven van kosten die geen louter professioneel karakter hebben, van de aftrek uit te sluiten. Kosten die wél een louter professioneel karakter hebben, volgen immers de algemene regel van artikel 45, ,§ 1, van het B.T.W.-Wetboek: de B.T.W. betaald op kosten voor het verrichten van aan de B.T.W. onderworpen leveringen of diensten, komt integraal voor aftrek in aanmerking. In deze zin bepaalt ook artikel 17, 6° van de Zesde E.E.G. richtlijn bepaling analoog aan art. 45, ,§ 1 van het B.T.W.-Wetboek dat ' (...) de uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, (...) van aftrek zullen zijn uitgesloten. In dit verband kan ook verwezen worden naar het Eerste Rapport bij de Zesde Richtlijn dat aangaande de niet-aftrekbaarheid van bepaalde uitgaven van de belastingplichtige het volgende opmerkt: 'Het recht om zekere categorieën van uitgaven als niet-aftrekbaar te beschouwen, is toegelaten sedert de aanvaarding van de Tweede Richtlijn van 11 april 1967, artikel 11
(4)welk voorziet in de optie om uit het aftreksysteem uit te sluiten de goederen en diensten welke 'uitsluitend of gedeeltelijk kunnen gebruikt worden voor de private noden van de belastbare persoon of van zijn staff' (Zie B. TERRAen J. KAJUS, A guide to the Sixth VAT Directive-Commentary to the Value Added Tax of the European Community, IBFD Publications, 1991, p. 929). Ter zake weze gepreciseerd dat de aftrekbeperking van artikel 45, ,§ 3, 4°, van het B.T.W.-Wetboek in uitvoering van de Tweede Richtlijn reeds sinds 1969 is opgenomen in het B.T.W.-Wetboek en dat bedoelde beperking ook na de inwerkingtreding van de Zesde B.T.W.-richtlijn gehandhaafd blijft (cfr. infra). Een en ander impliceert aldus dat de feitenrechter aan de hand van de feitelijke gegevens van de zaak zal dienen na te gaan of de gemaakte kosten al dan niet betrekking hebben op goederen of diensten welke uitsluitend of gedeeltelijk kunnen gebruikt worden voor 'de private noden van de belastbare persoon of van zijn staff'.
  1. Voorts kan verwezen worden naar het antwoord van de Minister van Financiën op een parlementaire vraag van senator Destexhe dd. 20 juni 1997 (Vr. en Antw., Senaat, 9 september 1997, nr. 1-53, p. 2700-2701): 'Artikel 45, ,§ 3, 4°, van het B.T.W.-Wetboek sluit het recht op aftrek uit voor de B.T.W. geheven van kosten van onthaal. De kosten die door deze bepaling worden beoogd, zijn de door een bedrijf op het stuk van public relations gedane kosten voor onthaal, ontvangst en vermaak van aan het bedrijf vreemde bezoekers, met name de leveranciers en de klanten. Het betreft onder meer hotel- en restaurantkosten, kosten van traiteurs, kosten voor aankoop van dranken en levensmiddelen, bloemen, enz. Dit is duidelijk het geval in de door het geachte lid geschetste situatie, waarbij door een handelaar kosten worden gemaakt met het oog op de organisatie van een receptie in zijn inrichting teneinde een grotere lokale bekendheid te krijgen. Ook al kan niet ontkend worden dat de betreffende handelaar op die manier zijn verkoop wenst te stimuleren, toch gaat het niet om een eigenlijke publiciteitsverrichting, aangezien deze, volgens het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het overbrengen van een boodschap impliceert waarin de kwaliteiten van een product of een dienst uitdrukkelijk worden aangeprezen.' De Minister van Financiën erkent aldus dat wel degelijk de bedoeling van de gemaakte kosten moet nagegaan worden. De in het tweede lid van het antwoord gebruikte termen 'met het oog op' en 'ten einde' wijzen dit klaar en duidelijk uit, evenals het tegenover elkaar plaatsen van het krijgen van een lokale bekendheid en het overbrengen van een boodschap. De Minister laat er voorts geen twijfel over bestaan dat ten aanzien van kosten van onthaal een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds kosten voor een receptie zonder uitdrukkelijke boodschap ter aanprijzing van een product en anderzijds kosten voor een publiciteitsverrichting die de overbrenging van een dergelijke boodschap impliceert.
  2. Het standpunt van eiser in cassatie dat louter dient gekeken te worden naar de aard van de kosten, zonder verder acht te slaan op de bedoeling van de belastingplichtige of de context waarin de kosten werden gedaan, blijkt ook in de fiscale praktijk niet te worden gevolgd. 6.
  3. Zo besliste de B.T.W.-Administratie dat de kosten betreffende de terbeschikkingstelling van hostessen die op het Autosalon mooi staan te wezen naast de tentoongestelde auto's om een voor het publiek aangenaam klimaat te scheppen, niet als kosten van onthaal worden aangemerkt (Besl. Van 14 januari 1977, nr. E.T. 23.318, nr. 676, B.T.W.-Revue, nr. 37, p. 905), terwijl bedoelde kosten door enkel acht te slaan op hun aard automatisch als kosten van onthaal zouden dienen te worden gekwalificeerd; 6.
  4. Terzake kan tevens verwezen worden naar de stellingname van de B.T.W.-Administratie ten aanzien van het gebruik van business-seats en loges, in volgende bewoordingen: ' Daarentegen worden niet als kosten van onthaal bedoeld in bovengenoemd artikel 45, ,§ 3, 4°, maar als publiciteitskosten aangemerkt de door ondernemingen gedane uitgaven met betrekking tot het gebruik van business-seats en loges voor zover bedoelde ondernemingen door middel van die business-seats en loges onder één of andere vorm publiciteit voeren' (Besl. Van 7 en 10 juli 1989, nr. E.T. 63.540, B.T.W.-Revue, Nr. 88/11/89, nr. 915, p. 433); 6.
  5. Bij beslissing van 22 januari 1991 oordeelde de B.T.W.- Administratie verder dat '(...) de voormelde regels mutatis mutandis van toepassing zijn ten aanzien van andere sportmanifestaties (tennis, volleybal, enz.) en van culturele manifestaties (theater, bioscoop, concerten, enz.) waarvan de organisatie onderworpen is aan de B.T.W.' (Besl. Van 22 januari 1991, nr. E.T. 70.979, B.T.W.-Revue, Nr. 94/3/91, nr. 940, p. 147).
  6. De verwerping van de aftrek van de B.T.W. betaald voor kosten van onthaal betreft een uitzondering op de algemene regel van artikel 45 van het B.T.W.-Wetboek, krachtens welke bepaling de B.T.W. in aftrek kan worden gebracht, wanneer deze wordt betaald voor het verkrijgen van goederen of diensten in zover diezelfde goederen of diensten worden gebruikt voor het verrichten van handelingen die zelf onderworpen zijn aan de B.T.W.. De beperking van het recht op aftrek waarin artikel 45, ,§ 3, 4°, van het B.T.W.-Wetboek voorziet ten aanzien van de kosten van onthaal, dient dan ook strikt te worden geïnterpreteerd, mede gelet op het legaliteitsbeginsel neergelegd in artikel 170 van de Grondwet (cfr. Cass., 28 mei 1942, J. Prat. Dr. Fisc., 1942, 45).
  7. Het Hof van Justitie boog zich in het verleden reeds over de problematiek van de aftrek van voorbelasting op publiciteitskosten (H.v.J., zaak C-73/92 van 17 november 1993, Jur. H.v.J., 1993, I, 6009; B.T.W.-revue, 1994, 769 en zaak C-69/92 van 17 november 1993, B.T.W.-revue, 1994, 769). In drie arresten van 17 november 1993 gaf het Hof een definitie van het begrip diensten op het gebied van reclame. Het is volgens het Hof voldoende dat een promotieactiviteit, zoals de verkoop van goederen tegen kortingprijzen, het gratis uitdelen van producten, de levering van diensten tegen een gereduceerd tarief of om niet, de organisatie van een cocktailparty of een banket, neerkomt op een boodschap om het publiek in te lichten over het bestaan en de kwaliteiten van het aangeprezen product of de aangeprezen dienst met het doel de verkoop ervan te doen toenemen, om deze promotieactiviteit te kunnen aanmerken als een dienst op het gebied van reclame in de zin van artikel 9, tweede lid, sub c, van de Zesde richtlijn. Vallen derhalve op grond van deze definitie onder het begrip reclame van artikel 9 van de Zesde richtlijn: - de diensten van een reclamebedrijf in het kader van diverse manifestaties zoals recreatieve bijeenkomsten, cocktailparty's en dergelijke; - de diensten die worden verricht in het kader van 'public-relations'-manifestaties, zoals persconferenties, seminaries enz... - promotieactiviteiten. Het is wel noodzakelijk dat deze activiteiten neerkomen op een boodschap om het publiek in te lichten over het bestaan en de kwaliteiten van het aangeprezen product of de aangeprezen dienst met het doel de verkoop ervan te doen toenemen. Volgens het Hof EG houdt het begrip 'reclame' bijgevolg noodzakelijk de verspreiding van een boodschap in die tot doel heeft de consument op de hoogte te brengen van het bestaan en de hoedanigheden van een product of dienst teneinde de verkoop ervan te bevorderen. Normaliter gebeurt de verspreiding van een reclameboodschap door middel van woord en beeld (in de pers, op radio of televisie of door middel van folders e.d.m.). Door de mogelijkheid te scheppen om publiciteit te voeren door andere middelen zou het Hof, volgens de rechtsleer, de deur op een kier gezet hebben voor een onderscheid tussen kosten van onthaal (BTW niet aftrekbaar) en kosten van publiciteit waarvan de B.T.W. aftrekbaar is (VANHALLE, T. en REYNDERS, S., 'Het onderscheid tussen de begrippen kosten van onthaal en publiciteitskosten in de B.T.W.-administratie: de nieuwe toren van Babel?' (noot onder Antwerpen, 15 maart 1999), T.F.R., 1999, 660). In het licht van deze rechtspraak is het mogelijk om kosten die gemaakt zijn voor het organiseren van een receptie of een banket met als doel de verkoop te stimuleren, te kwalificeren als een publiciteitskost zolang er een duidelijk en rechtstreeks verband is tussen de uitgave en de reclamedoeleinden.
  8. Men mag niet uit het oog verliezen dat het Hof EG in 1993 slechts oordeelde over de B.T.W.-technische kwalificatie van een aantal handelingen rekening houdend met begrip 'diensten op het gebied van de reclame', zoals bedoeld in artikel 9.2.e van de Zesde B.T.W.-richtlijn. De omstandigheid dat het Hof van Justitie in deze arresten een zeer brede omschrijving heeft gegeven van het begrip 'diensten op het gebied van de reclame' lijkt niet onmiddellijk relevant voor de interpretatie van het begrip 'kosten van onthaal' naar Belgisch recht (Anders o.m. VANDENDRIESSCHE, P., ' Kosten van onthaal of publiciteit: waar ligt de grens? ', Fiskoloog, 1997, nr. 634, 6-7 ; VANHALLE, T. en REYNDERS, S., 'Het onderscheid tussen de begrippen kosten van onthaal en publiciteitskosten in de B.T.W.-administratie: de nieuwe toren van Babel?', T.F.R., 1999, 660 en 662). Daarnaast moet worden beklemtoond dat de beperking van artikel 45, ,§3, 4° W.B.T.W. reeds sinds 1969 is opgenomen in het BTW-wetboek. Deze oude uitsluiting van het recht op aftrek is niet strijdig met de Zesde B.T.W.-richtlijn. Artikel 17.6 Zesde B.T.W.-richtlijn luidt als volgt: 'Uiterlijk binnen vier jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding, van deze richtlijn, bepaalt de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen, voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde bestaat. De uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie zijn in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten. Totdat de hierboven bedoelde voorschriften in werking treden kunnen de Lidstaten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag'. In een belangrijk arrest van 18 juni 1998 was de interpretatie van deze bepaling aan de orde. Het Hof EG oordeelde dat een nationale regeling inzake belasting over de toegevoegde waarde, die reeds bestond bij de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn en die de aftrekbaarheid van belasting uitsluit voor vervoermiddelen die het gereedschap van de werkzaamheid van de belastingplichtige vormen, niet in strijd is met artikel 17, tweede lid van de richtlijn, aangezien artikel 17, zesde lid, van die richtlijn de lidstaten toestaat, tot de inwerkingtreding van door de Raad vast te stellen voorschriften elke uitsluiting van het recht op aftrek te handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van de richtlijn voorzag (H.v.J., zaak C-43/96 van 18 juni 1998, Jur. H.v.J., 1998, I, 3903, met conclusie Advocaat-generaal F.G. Jacobs; Vgl. BRAUN, K.M., Aftrek van voorbelasting in de B.T.W., p. 237, nr. 11.3.2). In het licht van deze rechtspraak kan er geen twijfel over bestaan dat de reeds in 1969 bestaande aftrekbeperking van artikel 45, ,§3, 4° W.B.T.W. ook na de Zesde B.T.W.-richtlijn onveranderd kan worden toegepast. De voorziening van de Belgische Staat merkt dan ook terecht op dat het bestreden arrest ten onrechte stelt dat de bepaling die de aftrek van de terzake betaalde BTW verbiedt, moet geïnterpreteerd worden conform aan de Zesde richtlijn. De richtlijn is inderdaad niet relevant voor de interpretatie van artikel 45, ,§3, 4° W.B.T.W. 1O. Uit het voorgaande volgt dat het middel faalt naar recht nu het ervan uitgaat dat, om na te gaan of bepaalde kosten als kosten van onthaal dienen te worden gekwalificeerd, enkel de aard van de kosten relevant is, zonder verder acht te slaan op de bedoeling van de belastingplichtige of de context waarin de kosten werden gedaan. Besluit: VERWERPING. Fiche 2 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 8 april 2005, AR C.02.0419.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Niet voor aftrek in aanmerking komende belasting Belasting op kosten van onthaal Kosten van onthaal Nota: C.02.0419.N Conclusie openbaar ministerie:
  9. Het Hof van Beroep te Antwerpen diende in deze zaak te beoordelen of de B.T.W. op de door verweerster in 199O en 1991 betaalde facturen voor het inrichten van feestelijkheden in het kader van de promotie van door haar uitgegeven tijdschriften, waarop cliënten en toekomstige cliënten uitgenodigd waren, als publiciteitskosten voor aftrek in aanmerking kwamen op grond van artikel 45, ,§ 1, 1°, van het B.T.W.-Wetboek, dan wel diende gekwalificeerd te worden als B.T.W. op "kosten van onthaal", waarvan de aftrek door artikel 45, ,§ 3, 4°, van dat wetboek niet wordt toegestaan. In eerste aanleg had de Eerste Rechter op basis van de feitelijke elementen besloten dat de B.T.W. wel degelijk betrekking had op publicitaire acties strekkende tot een verhoogde verkoop en er van "kosten van onthaal" in de zin van bedoeld artikel 45, ,§ 3, 4° geen sprake kon zijn, onder meer gelet op het gebrek aan definitie van dit laatste begrip in de Belgische rechtsorde en verwijzend naar rechtspraak van het Europees Hof van Justitie van 17 november
  10. Het hof van beroep bevestigde het vonnis a quo met het thans bestreden arrest.
  11. In het enig middel tot cassatie verwijt eiser het arrest de toepassing van artikel 45, ,§ 3, 4°, van de hand te hebben gewezen op grond van het publicitair karakter van de litigieuze uitgaven, doch zonder na te gaan of de uitgaven al dan niet naar hun aard als uitgaven van onthaal aan te merken zijn. Volgens eiser kan bestaan van publicitaire doeleinden immers niet volstaan om de B.T.W. op uitgaven, die materieel als kosten van onthaal aan te merken zijn, aan bedoeld voorschrift te doen ontsnappen. Essentieel is volgens eiser, dus niet het doel, dat wellicht altijd publicitair zal zijn, maar wel de aard van de uitgaven: bij een onthaal wordt aan de gasten spijs en drank aangeboden, met naargelang de gevallen bloemen, vermaak en dergelijke.
  12. Het begrip 'kosten van onthaal' wordt noch in de wet, noch in de voorbereidende werken omschreven. De B.T.W.-Administratie omschrijft dit begrip in zijn Aanschrijving nr. 103 van 31 december 1970 als "de kosten op het stuk van public-relations gedaan voor onthaal, ontvangst en vermaak of ontspanning van aan het bedrijf vreemde bezoekers, inzonderheid leveranciers en klanten. Hiermee wordt alle B.T.W. bedoeld die betrekking heeft op onthaal." (aanschrijving nr. 103 van 31 december 1970, B.T.W. Gecoördineerde aanschrijvingen, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1988, nr. 103/1970, ,§ 15). De bedoeling van de wetgever is geweest de B.T.W. geheven van kosten die geen louter professioneel karakter hebben, van de aftrek uit te sluiten. Kosten die wél een louter professioneel karakter hebben, volgen immers de algemene regel van artikel 45, ,§ 1, van het B.T.W.-Wetboek: de B.T.W. betaald op kosten voor het verrichten van aan de B.T.W. onderworpen leveringen of diensten, komt integraal voor aftrek in aanmerking. In deze zin bepaalt ook artikel 17, 6° van de Zesde E.E.G. richtlijn bepaling analoog aan art. 45, ,§ 1 van het B.T.W.-Wetboek dat " (...) de uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, (...) van aftrek zullen zijn uitgesloten. In dit verband kan ook verwezen worden naar het Eerste Rapport bij de Zesde Richtlijn dat aangaande de niet-aftrekbaarheid van bepaalde uitgaven van de belastingplichtige het volgende opmerkt: "Het recht om zekere categorieën van uitgaven als niet-aftrekbaar te beschouwen, is toegelaten sedert de aanvaarding van de Tweede Richtlijn van 11 april 1967, artikel 11
(4)welk voorziet in de optie om uit het aftreksysteem uit te sluiten de goederen en diensten welke 'uitsluitend of gedeeltelijk kunnen gebruikt worden voor de private noden van de belastbare persoon of van zijn staff' (Zie B. TERRAen J. KAJUS, A guide to the Sixth VAT Directive-Commentary to the Value Added Tax of the European Community, IBFD Publications, 1991, p. 929). Ter zake weze gepreciseerd dat de aftrekbeperking van artikel 45, ,§ 3, 4°, van het B.T.W.-Wetboek in uitvoering van de Tweede Richtlijn reeds sinds 1969 is opgenomen in het B.T.W.-Wetboek en dat bedoelde beperking ook na de inwerkingtreding van de Zesde B.T.W.-richtlijn gehandhaafd blijft (cfr. infra). Een en ander impliceert aldus dat de feitenrechter aan de hand van de feitelijke gegevens van de zaak zal dienen na te gaan of de gemaakte kosten al dan niet betrekking hebben op goederen of diensten welke uitsluitend of gedeeltelijk kunnen gebruikt worden voor 'de private noden van de belastbare persoon of van zijn staff'.
  1. Voorts kan verwezen worden naar het antwoord van de Minister van Financiën op een parlementaire vraag van senator Destexhe dd. 20 juni 1997 (Vr. en Antw., Senaat, 9 september 1997, nr. 1-53, p. 2700-2701): "Artikel 45, ,§ 3, 4°, van het B.T.W.-Wetboek sluit het recht op aftrek uit voor de B.T.W. geheven van kosten van onthaal. De kosten die door deze bepaling worden beoogd, zijn de door een bedrijf op het stuk van public relations gedane kosten voor onthaal, ontvangst en vermaak van aan het bedrijf vreemde bezoekers, met name de leveranciers en de klanten. Het betreft onder meer hotel- en restaurantkosten, kosten van traiteurs, kosten voor aankoop van dranken en levensmiddelen, bloemen, enz. Dit is duidelijk het geval in de door het geachte lid geschetste situatie, waarbij door een handelaar kosten worden gemaakt met het oog op de organisatie van een receptie in zijn inrichting teneinde een grotere lokale bekendheid te krijgen. Ook al kan niet ontkend worden dat de betreffende handelaar op die manier zijn verkoop wenst te stimuleren, toch gaat het niet om een eigenlijke publiciteitsverrichting, aangezien deze, volgens het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het overbrengen van een boodschap impliceert waarin de kwaliteiten van een product of een dienst uitdrukkelijk worden aangeprezen." De Minister van Financiën erkent aldus dat wel degelijk de bedoeling van de gemaakte kosten moet nagegaan worden. De in het tweede lid van het antwoord gebruikte termen "met het oog op" en "ten einde" wijzen dit klaar en duidelijk uit, evenals het tegenover elkaar plaatsen van het krijgen van een lokale bekendheid en het overbrengen van een boodschap. De Minister laat er voorts geen twijfel over bestaan dat ten aanzien van kosten van onthaal een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds kosten voor een receptie zonder uitdrukkelijke boodschap ter aanprijzing van een product en anderzijds kosten voor een publiciteitsverrichting die de overbrenging van een dergelijke boodschap impliceert.
  2. Het standpunt van eiser in cassatie dat louter dient gekeken te worden naar de aard van de kosten, zonder verder acht te slaan op de bedoeling van de belastingplichtige of de context waarin de kosten werden gedaan, blijkt ook in de fiscale praktijk niet te worden gevolgd. 6.
  3. Zo besliste de B.T.W.-Administratie dat de kosten betreffende de terbeschikkingstelling van hostessen die op het Autosalon mooi staan te wezen naast de tentoongestelde auto's om een voor het publiek aangenaam klimaat te scheppen, niet als kosten van onthaal worden aangemerkt (Besl. Van 14 januari 1977, nr. E.T. 23.318, nr. 676, B.T.W.-Revue, nr. 37, p. 905), terwijl bedoelde kosten door enkel acht te slaan op hun aard automatisch als kosten van onthaal zouden dienen te worden gekwalificeerd; 6.
  4. Terzake kan tevens verwezen worden naar de stellingname van de B.T.W.-Administratie ten aanzien van het gebruik van business-seats en loges, in volgende bewoordingen: " Daarentegen worden niet als kosten van onthaal bedoeld in bovengenoemd artikel 45, ,§ 3, 4°, maar als publiciteitskosten aangemerkt de door ondernemingen gedane uitgaven met betrekking tot het gebruik van business-seats en loges voor zover bedoelde ondernemingen door middel van die business-seats en loges onder één of andere vorm publiciteit voeren" (Besl. Van 7 en 10 juli 1989, nr. E.T. 63.540, B.T.W.-Revue, Nr. 88/11/89, nr. 915, p. 433); 6.
  5. Bij beslissing van 22 januari 1991 oordeelde de B.T.W.- Administratie verder dat "(...) de voormelde regels mutatis mutandis van toepassing zijn ten aanzien van andere sportmanifestaties (tennis, volleybal, enz.) en van culturele manifestaties (theater, bioscoop, concerten, enz.) waarvan de organisatie onderworpen is aan de B.T.W." (Besl. Van 22 januari 1991, nr. E.T. 70.979, B.T.W.-Revue, Nr. 94/3/91, nr. 940, p. 147).
  6. De verwerping van de aftrek van de B.T.W. betaald voor kosten van onthaal betreft een uitzondering op de algemene regel van artikel 45 van het B.T.W.-Wetboek, krachtens welke bepaling de B.T.W. in aftrek kan worden gebracht, wanneer deze wordt betaald voor het verkrijgen van goederen of diensten in zover diezelfde goederen of diensten worden gebruikt voor het verrichten van handelingen die zelf onderworpen zijn aan de B.T.W.. De beperking van het recht op aftrek waarin artikel 45, ,§ 3, 4°, van het B.T.W.-Wetboek voorziet ten aanzien van de kosten van onthaal, dient dan ook strikt te worden geïnterpreteerd, mede gelet op het legaliteitsbeginsel neergelegd in artikel 170 van de Grondwet (cfr. Cass., 28 mei 1942, J. Prat. Dr. Fisc., 1942, 45).
  7. Het Hof van Justitie boog zich in het verleden reeds over de problematiek van de aftrek van voorbelasting op publiciteitskosten (H.v.J., zaak C-73/92 van 17 november 1993, Jur. H.v.J., 1993, I, 6009; B.T.W.-revue, 1994, 769 en zaak C-69/92 van 17 november 1993, B.T.W.-revue, 1994, 769). In drie arresten van 17 november 1993 gaf het Hof een definitie van het begrip diensten op het gebied van reclame. Het is volgens het Hof voldoende dat een promotieactiviteit, zoals de verkoop van goederen tegen kortingprijzen, het gratis uitdelen van producten, de levering van diensten tegen een gereduceerd tarief of om niet, de organisatie van een cocktailparty of een banket, neerkomt op een boodschap om het publiek in te lichten over het bestaan en de kwaliteiten van het aangeprezen product of de aangeprezen dienst met het doel de verkoop ervan te doen toenemen, om deze promotieactiviteit te kunnen aanmerken als een dienst op het gebied van reclame in de zin van artikel 9, tweede lid, sub c, van de Zesde richtlijn. Vallen derhalve op grond van deze definitie onder het begrip reclame van artikel 9 van de Zesde richtlijn: - de diensten van een reclamebedrijf in het kader van diverse manifestaties zoals recreatieve bijeenkomsten, cocktailparty's en dergelijke; - de diensten die worden verricht in het kader van "public-relations"-manifestaties, zoals persconferenties, seminaries enz... - promotieactiviteiten. Het is wel noodzakelijk dat deze activiteiten neerkomen op een boodschap om het publiek in te lichten over het bestaan en de kwaliteiten van het aangeprezen product of de aangeprezen dienst met het doel de verkoop ervan te doen toenemen. Volgens het Hof EG houdt het begrip "reclame" bijgevolg noodzakelijk de verspreiding van een boodschap in die tot doel heeft de consument op de hoogte te brengen van het bestaan en de hoedanigheden van een product of dienst teneinde de verkoop ervan te bevorderen. Normaliter gebeurt de verspreiding van een reclameboodschap door middel van woord en beeld (in de pers, op radio of televisie of door middel van folders e.d.m.). Door de mogelijkheid te scheppen om publiciteit te voeren door andere middelen zou het Hof, volgens de rechtsleer, de deur op een kier gezet hebben voor een onderscheid tussen kosten van onthaal (BTW niet aftrekbaar) en kosten van publiciteit waarvan de B.T.W. aftrekbaar is (VANHALLE, T. en REYNDERS, S., "Het onderscheid tussen de begrippen kosten van onthaal en publiciteitskosten in de B.T.W.-administratie: de nieuwe toren van Babel?" (noot onder Antwerpen, 15 maart 1999), T.F.R., 1999, 660). In het licht van deze rechtspraak is het mogelijk om kosten die gemaakt zijn voor het organiseren van een receptie of een banket met als doel de verkoop te stimuleren, te kwalificeren als een publiciteitskost zolang er een duidelijk en rechtstreeks verband is tussen de uitgave en de reclamedoeleinden.
  8. Men mag niet uit het oog verliezen dat het Hof EG in 1993 slechts oordeelde over de B.T.W.-technische kwalificatie van een aantal handelingen rekening houdend met begrip "diensten op het gebied van de reclame", zoals bedoeld in artikel 9.2.e van de Zesde B.T.W.-richtlijn. De omstandigheid dat het Hof van Justitie in deze arresten een zeer brede omschrijving heeft gegeven van het begrip "diensten op het gebied van de reclame" lijkt niet onmiddellijk relevant voor de interpretatie van het begrip "kosten van onthaal" naar Belgisch recht (Anders o.m. VANDENDRIESSCHE, P., " Kosten van onthaal of publiciteit: waar ligt de grens? ", Fiskoloog, 1997, nr. 634, 6-7 ; VANHALLE, T. en REYNDERS, S., "Het onderscheid tussen de begrippen kosten van onthaal en publiciteitskosten in de B.T.W.-administratie: de nieuwe toren van Babel?", T.F.R., 1999, 660 en 662). Daarnaast moet worden beklemtoond dat de beperking van artikel 45, ,§3, 4° W.B.T.W. reeds sinds 1969 is opgenomen in het BTW-wetboek. Deze oude uitsluiting van het recht op aftrek is niet strijdig met de Zesde B.T.W.-richtlijn. Artikel 17.6 Zesde B.T.W.-richtlijn luidt als volgt: "Uiterlijk binnen vier jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding, van deze richtlijn, bepaalt de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen, voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde bestaat. De uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie zijn in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten. Totdat de hierboven bedoelde voorschriften in werking treden kunnen de Lidstaten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag". In een belangrijk arrest van 18 juni 1998 was de interpretatie van deze bepaling aan de orde. Het Hof EG oordeelde dat een nationale regeling inzake belasting over de toegevoegde waarde, die reeds bestond bij de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn en die de aftrekbaarheid van belasting uitsluit voor vervoermiddelen die het gereedschap van de werkzaamheid van de belastingplichtige vormen, niet in strijd is met artikel 17, tweede lid van de richtlijn, aangezien artikel 17, zesde lid, van die richtlijn de lidstaten toestaat, tot de inwerkingtreding van door de Raad vast te stellen voorschriften elke uitsluiting van het recht op aftrek te handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van de richtlijn voorzag (H.v.J., zaak C-43/96 van 18 juni 1998, Jur. H.v.J., 1998, I, 3903, met conclusie Advocaat-generaal F.G. Jacobs; Vgl. BRAUN, K.M., Aftrek van voorbelasting in de B.T.W., p. 237, nr. 11.3.2). In het licht van deze rechtspraak kan er geen twijfel over bestaan dat de reeds in 1969 bestaande aftrekbeperking van artikel 45, ,§3, 4° W.B.T.W. ook na de Zesde B.T.W.-richtlijn onveranderd kan worden toegepast. De voorziening van de Belgische Staat merkt dan ook terecht op dat het bestreden arrest ten onrechte stelt dat de bepaling die de aftrek van de terzake betaalde BTW verbiedt, moet geïnterpreteerd worden conform aan de Zesde richtlijn. De richtlijn is inderdaad niet relevant voor de interpretatie van artikel 45, ,§3, 4° W.B.T.W. 1O. Uit het voorgaande volgt dat het middel faalt naar recht nu het ervan uitgaat dat, om na te gaan of bepaalde kosten als kosten van onthaal dienen te worden gekwalificeerd, enkel de aard van de kosten relevant is, zonder verder acht te slaan op de bedoeling van de belastingplichtige of de context waarin de kosten werden gedaan. Besluit: VERWERPING. Annotaties Publicaties: Fisc.Act. - Bart BUELENS; Kosten van onthaal: waneer eindigt de discussie? - 2008, 1-5 Tekst van de beslissing Nr. C.02.0419.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op benaarstiging van de hoofdcontroleur van het zesde BTW-controlekantoor te Antwerpen, met kantoren te 2000 Antwerpen, Italielei 4, bus 4, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen SANOMA MAGAZINES BELGIUM, naamloze vennootschap, voorheen genaamd NV Mediaxis, met zetel te 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe, Neerveldstraat 109, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 maart 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Feiten De feiten worden in het verzoekschrift als volgt omschreven : Verweerster heeft in 1990 en 1991 diverse facturen betaald voor het inrichten van feestelijkheden waarop cliënten (afnemers of verhoopte toekomstige afnemers van haar publicaties) uitgenodigd waren. In het arrest wordt gepreciseerd dat gezorgd werd voor spijs en drank, vermaak en ontspanning, ten bate van de genodigden. De vraag is of deze uitgaven moeten aangemerkt worden als "kosten van onthaal" in de zin van artikel 45, ,§3, 4°, van het BTW-Wetboek, in welk geval de daarop betaalde BTW, door de betrokken belastingplichtige niet in aftrek mag gebracht worden van de BTW die hij aan de Schatkist moet afdragen. Verweerster hield voor dat de besproken uitgaven integraal als publiciteitskosten aan te merken waren en dat de daarop slaande BTW daarom niet als "kosten van onthaal" mochten behandeld worden, doch wel onder de algemene regel van de aftrekbaarheid vielen. Op de vordering van de administratie heeft verweerster de BTW, die zij in haar aangifte in aftrek had opgenomen, onder voorbehoud betaald, waarna zij terugbetaling ervan heeft gevorderd. De eerste rechter heeft deze aanspraak ingewilligd, daarin gevolgd door het hof van beroep in het aangevochten arrest. IV. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 45, ,§1, 1°, en ,§3, 4°, van de wet van 3 juli 1969 houdende invoering van het wetboek van de belasting op de toegevoegde waarde, in de tekst in voege in de jaren 1990 en 1991, hetzij vóór het in werking treden van de wijzigingen aangebracht bij de wet van 28 december 1992 ; en voor zoveel als nodige artikel 16, punt 6, van de Zesde Richtlijn van de Raad van Ministers van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag (hierna : Zesde Richtlijn). Aangevochten beslissingen Het Hof van Beroep te Antwerpen, rechtdoende op het hoger beroep van eiser, verklaart dit beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de eerste rechter op grond van de volgende motieven : "De betwisting tussen de partijen handelt over de preciese draagwijdte van het begrip 'kosten van onthaal'. De fiscus omschrijft het begrip 'kosten van onthaal' als kosten die een bedrijf maakt op het stuk van public relations voor onthaal, ontvangst en vermaak of ontspanning van aan het bedrijf vreemde bezoekers, inzonderheid leveranciers en klanten. NV Mediaxis verdedigt dat de uitgaven die met reclamedoeleinden worden gemaakt een professioneel karakter hebben, en dan moeten worden uitgesloten van de 'kosten van onthaal'. Artikel 45, ,§1, van het BTW-Wetboek bevat het principe dat elke belastingplichtige de belasting die geheven werd op aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek mag brengen op de belasting die hij verschuldigd is. Artikel 45, ,§3, 4°, dat de aftrek verbiedt van de BTW terzake van kosten van onthaal houdt hierop een uitzondering in, en moet daarom restrictief worden geïnterpreteerd. Bij gebreke aan wettelijke omschrijving van dit begrip moet deze bepaling, die het recht op aftrek beperkt, worden geïnterpreteerd conform aan de Zesde Europese Richtlijn. In artikel 17.6 bepaalt deze richtlijn onder meer dat de uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben zoals weelde-uitgaven voor ontspanning of representatie, in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten zijn. Gelet op het onderscheid dat in deze richtlijn wordt gemaakt tussen uitgaven met een professioneel karakter en uitgaven voor ontspanning en representatie, moet het toepassingsveld van het begrip 'kosten van onthaal' worden beperkt tot die kosten die ten behoeve van klanten of gasten worden gemaakt, zonder dat een ander voordeel wordt nagestreefd dan het creëren van een algemeen gunstige atmosfeer ten overstaan van de onderneming. Indien de kosten daarentegen de directe verkoop beogen of worden gemaakt met het oog op de publiciteit voor welbepaalde producten, gaat het om publiciteit. Het gaat dan om uitgaven met een strikt professioneel karakter en niet om uitgaven voor ontspanning of representatie. Dat deze publiciteit wordt gebracht onder omstandigheden die aan de genieter van de uitgave vermaak of ontspanning bieden en deze uitgave zich in de sfeer van het eindgebruik bevindt, doet dan aan het strikt professioneel karakter van de uitgave geen afbreuk. Het hof stelt vast dat ook de fiscus deze interpretatie toepast, wat blijkt uit :
  9. de administratieve beslissing van 7 en 10 juli 1989 nr. E.T. 63.540, waarbij niet als kosten van onthaal worden aangemerkt maar als publiciteitskosten, de door ondernemingen gedane uitgaven met betrekking tot het gebruik van business-seats en loges voor zover deze ondernemingen door middel van die business-seats en loges onder één of andere vorm publiciteit voeren (BTW revue nr. 88/11/89, 433) ;
  10. het antwoord van de minister van Financiën op parlementaire vraag nr. 269 van de heer D. van 20.06.1997, waaruit blijkt dat de minister als voorwaarde, opdat een uitgave als publiciteitsverrichting zou worden beschouwd in plaats van als kost van onthaal, stelt dat de verrichting het overbrengen van een boodschap impliceert waarin de kwaliteiten van een product of een dienst uitdrukkelijk worden aangeprezen. (Vr. en Antw. Senaat, 9 september 1977, (nr. 1-53), blz. 2700-2701). Een nauwkeurig en concreet onderzoek van de voorgelegde stukken brengt aan het licht dat de gebeurtenissen, waarvan NV Mediaxis de organisatie toevertrouwde aan NV Any Time en die het voorwerp zijn van de voorliggende betwisting, daadwerkelijk dit effectief en concreet publicitair karakter hadden. Lancering tijdschrift Feeling : NV Mediaxis heeft op 31 januari 1991 een lanceringsfeest ingericht naar aanleiding van haar nieuw tijdschrift Feeling, waarvan het eerste nummer op 1 februari 1991 verscheen. Uit de factuur van NV Any Time blijkt dat het om een gebeurtenis ging waar artiesten uit uiteenlopende genres optraden, waar voor spijs en drank werd gezorgd (zie de post 'catering') en waar 'Feeling' - regenschermen werden verspreid. De verkoop van de nummers van een nieuw tijdschrift hangt vanzelfsprekend af van de bekendheid die dit tijdschrift verwerft door de andere media. Een feest, speciaal georganiseerd om een nieuw tijdschrift bekend te maken, is in hoofde van een uitgeverij duidelijk een loutere daad van publiciteit. De kosten die dergelijke gebeurtenis meebrengt zijn zuivere professionele publiciteitskosten, en geen kosten van onthaal. De gouden prosper en man en vrouw van het jaar : Uit de voorgebrachte stukken blijkt dat het weekblad Panorama/De Post jaarlijks een prijs uitreikt aan iemand die zich (volgens de door de redactie benoemde jury) verdienstelijk heeft gemaakt in het Belgische popmilieu (de gouden prosper), terwijl de lezers worden uitgenodigd jaarlijks de man en de vrouw van het jaar te kiezen. De verkiezing van de winnaar van de gouden prosper, en de huldiging van de mannen en vrouwen van het jaar vinden plaats tijdens een evenement dat door NV Mediaxis wordt georganiseerd. Naar aanleiding van de uitreiking van de gouden prosper worden popconcerten georganiseerd. Uit het door NV Mediaxis neergelegde dossier blijkt dat deze beide verkiezingen bijzonder veel aandacht krijgen, zowel in het eigen weekblad waar reeds weken vooraf artikels aan deze gebeurtenis worden besteed als in de nationale pers, waar over de verkiezingen wordt bericht, telkens met de melding dat het om prijzen gaat die door Panorama worden uitgereikt. In die omstandigheden moet worden besloten dat deze prijzen rechtstreeks de publicatie van het tijdschrift zelf betreffen en ertoe strekken te doen geloven dat het weekblad zich in het bijzonder interesseert aan, enerzijds, de popmuziek, anderzijds, maatschappelijk belangrijke geachte personen. Aldus grijpt NV Mediaxis deze gebeurtenissen aan om het eigen lezerspubliek aan zich te binden, en om een bredere lezerskring te verwerven. De kosten die gepaard gaan met de organisatie van de uitreiking van de prijzen zijn daarom geenszins als kosten van onthaal te beschouwen (des te minder overigens nu uit de publiciteit blijkt dat toegangstiketten moeten worden gekocht), maar zijn zuivere publiciteitskosten. De eerste rechter heeft dus terecht de vordering van NV Mediaxis gegrond bevonden". Grieven De kosten van onthaal omvatten, naar algemeen spraakgebruik, onder meer de kosten die door een natuurlijk persoon of door een vennootschap worden uitgegeven aan spijs, drank, bloemen of vermaak voor gasten en bezoekers. De overweging, in het arrest, dat de bepaling die de aftrek van de terzake betaalde BTW verbiedt moet worden geïnterpreteerd conform aan de Zesde Europese Richtlijn, berust op een misverstand. De besproken bepaling van artikel 45, ,§3, 4°, BTW-Wetboek bestond reeds voor het in werking treden van de genoemde Richtlijn. Artikel 17.6 van deze Richtlijn houdt in : a) dat in de toekomst een algemene maatregel op dit punt zal moeten uitgevaardigd worden ; b) dat inmiddels de in de nationale wetten bestaande voorschriften mogen behouden worden. De bepaling betreffende de uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, geldt als aanwijzing van hetgeen de aangekondigde toekomstige maatregelen in elk geval buiten de sfeer van de aftrekbare BTW zullen moeten laten. Zij heeft geenszins de betekenis dat de BTW die op andere uitgaven geheven werd wel aftrekbaar zal zijn. Voor de interpretatie van het terzake toepasselijk artikel 45, ,§3, 4°, moet dus gezocht worden naar de bedoeling van de Belgische wetgever. Gelet op de samenhang met de andere in artikel 45 opgelegde uitsluitingen (tabak, logies, voeding en dranken), en met de algemene betekenis van het woord "onthaal" moet aangenomen worden dat het gaat om uitgaven die normaliter consumptie-uitgaven uitmaken voor de afnemer van de betrokken levering of dienstverrichting en dat de wetgever, met deze bepaling, heeft willen vermijden dat aldus zulke consumptie-uitgaven zouden ontsnappen aan de BTW, die fundamenteel elke privéverbruik moet treffen. De bepaling van artikel 45, ,§3, 4°, moet dus begrepen worden als een uitzondering op de aftrekbaarheid van de BTW, in gevallen die anders in toepassing van artikel 45, ,§1, wel aftrekbaar zouden zijn. Onder zulke uitgaven vallen normaal de uitgaven voor publiciteit. De vermelde uitzondering slaat dus ook op de uitgaven met publiciteitskarakter. Artikel 45, ,§3, 4°, anders interpreteren zou aan deze bepaling elke betekenis ontnemen. De toepassing van artikel 45, ,§3, 4°, kan immers enkel in aanmerking komen voor uitgaven die ab initio aan de voorwaarden van artikel 45, ,§1, voldoen. Voor andere uitgaven zou de in artikel 45, ,§3, 4°, omschreven uitzondering geen zin hebben. De beschouwing, dat de uitgaven in hoofde van de verstrekker een publicitair karakter vertonen, kan bijgevolg de toepassing van de besproken bepaling niet beïnvloeden. Voor de uitgaven van de beoogde categorie, met name kosten door een onderneming uitgegeven voor onthaal van personen die geen deel uitmaken van haar eigen bedrijfspersoneel, zal dit publicitair karakter inderdaad wellicht altijd aanwezig zijn. Zoniet zouden deze kosten immers niet aan het voorschrift van artikel 45, ,§1, voldoen, en zou er a priori geen recht op aftrek bestaan. Het bestaan van publicitaire doeleinden kan dan ook niet volstaan om de BTW op uitgaven, die materieel als kosten van onthaal aan te merken zijn, aan het voorschrift van artikel 45, ,§3, 4°, BTW-Wetboek te doen ontsnappen. Essentieel is dus niet het doel, dat wellicht altijd publicitair zal zijn, maar wel de aard van de uitgaven : bij een onthaal wordt aan de gasten spijs en drank aangeboden, met naargelang de gevallen bloemen, vermaak en dergelijke. De gevallen, waarin volgens het arrest de administratie zelf van haar stelling zou afwijken omwille van het publicitair karakter van de uitgave kunnen de hierboven omschreven stelling niet tegenspreken. In het eerste geval (BTW-Revue nr. 109, blz. 641) wordt verduidelijkt dat het verlenen van het recht op aftrek ten aanzien van de BTW geheven van kosten voor het gebruik van business-seats en logies, die worden ter beschikking gesteld door sportclubs, een administratieve toegeving betreft die van het principe afwijkt, rekening houdend met bijzondere omstandigheden eigen aan dergelijke manifestaties, maar niet veralgemeenbaar is. In het tweede geval wordt slechts gesteld dat de in de vraag beoogde (specifieke) situatie geen eigenlijke publiciteitsverrichting betreft. Het standpunt van de administratie, dat het bestaan van publicitaire doeleinden niet volstaat om de BTW op uitgaven die materieel als kosten van onthaal aan te merken zijn aan het voorschrift van artikel 45, ,§3, 4°, van het BTW-Wetboek te doen ontsnappen, wordt hierdoor geenszins tegengesproken. Hoe dan ook, een toegevende houding in het beoordelen van grensgevallen kan de correcte toepassing van het principe niet beïnvloeden. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de vaststellingen van de appèlrechters, bedoeld om het publicitair karakter van de besproken uitgaven aan te tonen, de uitspraak niet kunnen verantwoorden. Hieruit volgt dat het arrest, waarbij de toepassing van artikel 45, ,§3, 4°, van de hand gewezen worden op grond van dit publicitair karakter doch zonder na te gaan of de uitgaven al dan niet naar hun aard als uitgaven van onthaal aan te merken zijn, bijgevolg in hoofdorde artikel 45, ,§3, 4°, BTW-Wetboek, en bijkomend de andere in de aanhef van dit middel aangeduide wetsbepalingen schendt. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 45, ,§1.1°, BTW-Wetboek, op de belasting die hij verschuldigd is terzake van de door hem verrichte leveringen en diensten, de belastingplichtige in aftrek mag brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten en van de door hem ingevoerde goederen, voorzover hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de belasting ; Dat, overeenkomstig artikel 45, ,§3, 4°, van hetzelfde wetboek, niet voor aftrek in aanmerking komt de belasting ter zake van kosten van onthaal ; Dat als kosten van onthaal in aanmerking komen de kosten gedaan voor onthaal en ontvangst, desgevallend gepaard gaande met vermaak of ontspanning, van aan het bedrijf vreemde bezoekers, inzonderheid klanten en leveranciers, met het oog op het bestendigen of verstevigen van zakelijke relaties ; Dat evenwel wanneer de betrokken activiteit hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft de eindkoper in te lichten over het bestaan en de hoedanigheden van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen, zij een reclame is waarvan de kosten niet van aftrek uitgesloten zijn ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat :
  11. het toepassingsgebied van het begrip "kosten van onthaal" zich beperkt tot die kosten van ontspanning en vermaak die ten behoeve van klanten of gasten worden gemaakt, zonder dat een ander voordeel wordt nagestreefd dan het creëren van een algemeen gunstige atmosfeer ten overstaan van de onderneming ;
  12. indien de gedane kosten de directe verkoop beogen of worden gemaakt met het oog op de publiciteit voor welbepaalde producten, het om publiciteit en uitgaven gaat met een strikt professioneel karakter ; Dat het arrest vervolgens, op grond van de feitelijke omstandigheden van de zaak, oordeelt dat de voor rekening van verweerster door de NV Any Time Communication Event georganiseerde evenementen daadwerkelijk een effectief en concreet publicitair karakter hadden en dat het feit dat die publiciteit werd gebracht onder omstandigheden die aan de bezoeker van de evenementen vermaak of ontspanning bieden en dat de uitgaven zich in de sfeer van het eindverbruik bevinden, geen afbreuk doet aan het strikt professioneel karakter van die uitgaven ; Dat door aldus te oordelen, het arrest zijn beslissing dat de kosten van het organiseren van de bedoelde evenementen geen kosten van onthaal zijn in de zin van artikel 45, ,§3, 4°, BTW-Wetboek, naar recht verantwoordt ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van honderd en vier euro achtentwintig cent jegens de eisende partij en op de som van driehonderd en twaalf euro zevenenvijftig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van acht april tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050408.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120615.5 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140220.1 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190322.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.