← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050411.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005

Art.37

,§1,ee Fiche 2 Wanneer de opzegging nietig is, bevat het ontslag geen geldige tijdsbepaling, zodat de arbeidsovereenkomst in beginsel onmiddellijk is beëindigd, ook al vermeldt de ontslagbrief een latere datum

(1).
(1)Cass., 6 jan. 1997, AR S.96.0105.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970106.10, nr 10; Cass., 28 jan. 2002, AR S.00.0014.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020128.5, nr 58. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging Nietigheid Ontslag Bestaan Datum Wettelijke bepalingen:

Art.37

,§1,ee Fiches 3 - 4 Wanneer zowel de werkgever als de werknemer zich na de kennisgeving van de ongeldige opzegging verder hebben gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag heeft plaatsgevonden, wordt de nietigheid van de opzegging niet gedekt, maar kunnen de partijen na een redelijke termijn beschouwd worden als afstand te hebben gedaan van het recht het onmiddellijk ontslag in te roepen; in deze omstandigheden de arbeidsovereenkomst blijft voortduren totdat ze op een andere wijze wordt beëindigd

(1).
(1)Zie Cass., 17 juni 2002, AR S.99.0144.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020617.7, nr 363. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging Nietigheid Ontslag Partijen Verdere uitvoering overeenkomst Afstand van recht van aanvoering van beëindiging Redelijke termijn Wettelijke bepalingen:

Art.37

,§1,ee Thesaurus CAS: AFSTAND VAN RECHT Vrije woorden: AFSTAND VAN RECHT Arbeidsovereenkomst Opzegging Nietigheid Ontslag Verdere uitvoering overeenkomst Afstand van aanvoering van beëindiging overeenkomst Redelijke termijn Wettelijke bepalingen:

Art.37,§1,ee Tekst van de beslissing Nr.

S.04.0113.N.- D.L., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ING BELGIE, naamloze vennootschap, met vennootschapszetel te 1000 Brussel, Marnixlaan 24, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 december 2003 gewezen door het Arbeidshof te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 32, 3°, 37, ,§1, 39, ,§1, en 82, ,§3, eerste en laatste lid, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 20 juli 2000, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ; - artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek ; - artikel 149 van gecoördineerde Grondwet van 17 februari

  1. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de hoofdvordering van verweerster, het hoger beroep van verweerster ontvankelijk en gegrond, vernietigt het dienvolgens het vonnis van 13 december 2000 in de mate dat het werd bestreden en enkel met betrekking tot de toekenning van één Belgische frank provisioneel meer de interest, en veroordeelt het eiser tot betaling van 17.218,91 euro meer de interest, op grond van de volgende motieven : "
  2. Niet (verweerster) doch (eiser) heeft de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tussen hen aangegaan, onregelmatig beëindigd op 31 augustus
  3. (Eiser) bewijst niet dat (verweerster) haar akkoord heeft betuigd met zijn vertrek op 1 september
  4. Wel werd vastgesteld dat (eiser) zich niet meer vertoonde en zich dus niet meer aanbood op het werk. Het feit dat (eiser) gesprekken had met zijn gebiedsleider in de toenmalige Bank Brussel Lambert (BBL), waarin hij meedeelde dat hij overwoog om de bank te verlaten, geldt niet als een opzegging of een minnelijk akkoord met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
  5. De brief van 29 juli 1999, waarin (eiser) zijn werkgeefster meedeelt dat de arbeidsovereenkomst een einde zou nemen op 1 september 1999, is geen opzegging maar een ontslagbrief. Er is hierin geen sprake van een opzegging, opzeggingstermijnen, begin- en einddatum van de opzeggingstermijn, enz... Trouwens als opzeggingsbrief zou zij nietig en onregelmatig zijn. Deze brief kon trouwens pas uitwerking hebben de derde werkdag na de verzending (...) indien zou aanvaard worden dat deze brief van 29 juli 1999 een opzeggingstermijn inhoudt, quod non. Er is geen effectief ontslag gevolgd op 29 juli 1999 (noch door (eiser), noch door (verweerster)) en de arbeidsovereenkomst is gewoon blijven doorlopen tot zij door (eiser) werd beëindigd op 1 september
  6. (Eiser) heeft dus gewoon verder gewerkt tot en met 31 augustus
  7. Hij heeft het ten onrechte over de overeengekomen opzeggingstermijn in zijn brief van 7 september
  8. Het is niet omdat (eiser) er van uit gaat dat (verweerster) deze opzeggingstermijn aanvaardt, dat dit ook zo is.
  9. (Eiser) dient het akkoord van (verweerster) met een (gebrek aan) opzeggingstermijn aan te tonen, waarin hij faalt. Het stuk 3 van (eiser) bewijst dat (verweerster) het geenszins eens was met het vertrek van haar werknemer zonder de prestatie van enige opzeggingstermijn. De stukken 4 en 5 van (verweerster) tonen aan dat er helemaal geen akkoord was. (Eiser) wilde vertrekken omdat hij vanaf 1 september 1999 kantoorhouder is geworden van een Centeakantoor te Reninge. De brief van (eiser) van 29 juli 1999 gewaagt niet van een onderling akkoord om de arbeidsovereenkomst op 1 september

(1999)te beëindigen. Nu het Arbeidshof de brief van 29 juli 1999 ziet als een ontslagbrief - maar een ontslag dat op deze datum niet werd doorgevoerd - en deze niet erkent als een opzeggingsbrief, is de ganse argumentatie nopens de nietige opzegging en het dekken ervan weinig relevant. (Eiser) is blijven werken zonder dat dienaangaande enige opmerking werd geformuleerd tot 31 augustus
  1. (Eiser) heeft na 29 juli 1999 de arbeidsovereenkomst gewoon verder gezet tot hij deze op 1 september 1999 verbrak. (...)
  2. Overeenkomstig artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 is (eiser), die de arbeidsovereenkomst beëindigde zonder dringende reden of zonder voldoende opzeggingstermijn, (...) gehouden aan (verweerster) een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn.
  3. (Eiser) verdiende meer dan het geïndexeerd bedrag van 650.000 BEF (947.000 BEF in 1999) zodat, bij gebrek aan overeenkomst, de in acht te nemen opzeggingstermijn door de rechter wordt bepaald (artikel 82, ,§3, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Het derde lid van dit artikel bepaalt dat indien de opzegging door de bediende wordt gegeven, de opzeggingstermijn niet langer mag zijn dan vier en een halve maand. Gelet op de feitelijke omstandigheden waarin (eiser verweerster) verliet komt een bedrag van vier en een halve maand zeker niet overdreven voor. Er zijn geen redenen voorhanden om die termijn in te korten.
  4. De brief van 29 juli 1999 uitgaande van (eiser) is geen opzeggingsbrief (zie "beknopte mededeling" : "Hierbij verzoek ik U beleefd mijn ontslag in de BBL te willen noteren en dit met ingang van 01 september
  5. Met de meeste Hoogachting,"), zodat het geen belang heeft of deze brief ook werd ontvangen of niet. (Verweerster) houdt immers voor dat zij pas deze brief ontving na ontvangst van de aangetekende brief van 3 september 1999, waar hij als bijlage was gevoegd. Door het moedwillig wegblijven van het werk vanaf 1 september 1999 en het niet meer verder willen presteren voor (verweerster), heeft (eiser) de arbeidsovereenkomst verbroken en beëindigd. (Eiser) toont evenmin aan dat (verweerster) sociale zekerheid "opzegging" van 29 juli 1999 heeft aanvaard. Er wordt zelfs betwist dat (verweerster) deze brief ontving. Feit is dat zij na ontvangst van de brief van 3 september 1999 wel kennis kreeg van de aangetekende brief van 29 juli 1999 daar deze als bijlage was bijgevoegd.
  6. Cijfermatig vordert (verweerster) terecht een bedrag van 694.609 BEF (1.852.291 BEF x 4,5/12) meer de interesten, rekening houdend met het jaarloon van (eiser) dat (cijfermatig) niet wordt betwist en waarvan de berekening gedetailleerd werd in de gedinginleidende dagvaarding" (blz. 7, midden, - 11, tweede volledige alinea). Grieven
  7. Eerste onderdeel
  8. Krachtens artikel 32, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hieronder afgekort als Arbeidsovereenkomstenwet, nemen de verbintenissen voortspruitende uit een arbeidsovereenkomst die voor een onbepaalde tijd werd gesloten, een einde door de wil van een van de partijen. Ieder van de partijen bij een arbeidsovereenkomst kan met andere woorden op elk ogenblik overgaan tot ontslag, zijnde een handeling waarbij zij aan de andere partij ter kennis brengt dat zij besloten heeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Is de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, dan heeft ieder van de partijen krachtens artikel 37, ,§1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, het recht om die te beëindigen door opzegging aan de andere partij. Opzegging is de voorafgaande mededeling door de ene partij bij een arbeidsovereenkomst aan de andere partij van de termijn na verloop waarvan de arbeidsovereenkomst een einde zal nemen. Om als regelmatige opzegging in aanmerking te komen, moet de opzegging voldoen aan de voorwaarden van artikel 37 van de Arbeidsovereenkomstenwet en moet de kennisgeving daarvan het begin en de duur van de opzeggingstermijn vermelden en gebeuren op de door de wet voorgeschreven wijze. Uit de artikelen 32, 30, en 37, ,§1, van de Arbeidsovereenkomstenwet volgt dat het ontslag uitgaande van een van de partijen bij een arbeidsovereenkomst dat geen regelmatige opzegging is, onmiddellijk een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst, ook al vermeldt de ontslagbrief een latere datum. Die onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst is onherroepelijk en kan niet worden ongedaan gemaakt dan met instemming van beide partijen. Het arbeidshof overweegt dat de brief van eiser van 29 juli 1999, waarin eiser aan verweerster meedeelde dat de arbeidsovereenkomst een einde zou nemen op 1 september 1999, geen opzeggingsbrief maar een ontslagbrief is, omdat daarin geen sprake is van een opzegging, opzeggingstermijnen en begin- en einddatum van de opzeggingstermijn (blz. 7, onderaan, en blz. 8, punt 4, midden, van het arrest). Het arbeidshof overweegt voorts dat geen effectief ontslag gevolgd is op 29 juli 1999, noch door eiser, noch door verweerster en dat de arbeidsovereenkomst gewoon is doorgelopen tot zij door eiser werd beëindigd op 1 september 1999 (blz. 8, eerste alinea van het arrest). Een ontslag is op 29 juli 1999 niet doorgevoerd, aldus het arbeidshof nog (blz. 8, punt 4, midden, van het arrest). Het arbeidshof stelt daarbij niet vast dat beide partijen ermee akkoord zijn gegaan het ontslag van 29 juli 1999 ongedaan te maken. Het overweegt integendeel dat er "helemaal geen akkoord was" (blz. 8, punt 4, midden, van het arrest). De overweging van het arbeidshof dat op datum van 29 juli 1999 geen effectief ontslag gevolgd is, noch door eiser, noch door verweerster, kan niet gelden als de vaststelling van de wil van beide partijen het ontslag ongedaan te maken, evenmin als de overweging dat de arbeidsovereenkomst gewoon is doorgelopen tot 1 september
  9. Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat geen effectief ontslag gevolgd of doorgevoerd is op 29 juli 1999 en dat eiser de arbeidsovereenkomst verbrak op 1 september 1999, aangezien het niet de wil van beide partijen vaststelt het door het arbeidshof zelf vastgestelde ontslag bij brief van 29 juli 1999 uitgaande van eiser ongedaan te maken (schending van de artikel 32, 3° en 37, ,§1, van de Arbeidsovereenkomstenwet en van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek).
  10. Krachtens artikel 39, ,§1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, is de partij die een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst beëindigt zonder inachtneming van de wettelijk voorgeschreven opzeggingstermijn, gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens de overeenkomst dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterend gedeelte van die termijn. De door een bediende wiens jaarlijks loon hoger is dan het in artikel 82, ,§3, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde bedrag, in acht te nemen opzeggingstermijn wordt volgens die bepaling, bij gebreke van een overeenkomst gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, vastgesteld door de rechter. Artikel 82, ,§3, derde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat indien de opzegging wordt gegeven door een bediende wiens jaarlijks loon het in die bepaling aangegeven bedrag niet overschrijdt, de opzeggingstermijn niet langer mag zijn dan vier en een halve maand. De opzeggingsvergoeding is verschuldigd op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder dringende reden of inachtneming van de wettelijke opzeggingstermijn. Volgens de hierboven besproken vaststellingen van het arbeidshof dagtekent de ontslagbrief uitgaande van eiser van 29 juli 1999, zonder dat uit de vaststellingen van het arbeidshof blijkt dat het ontslag werd ongedaan gemaakt. De door verweerster gevorderde en door het arbeidshof toegekende opzeggingsvergoeding overeenstemmende met vier en een halve maand loon en voordelen verworven krachtens de overeenkomst, dekt dan ook een periode van vier en een halve maand te rekenen vanaf 29 juli
  11. Het arbeidshof stelt voorts vast dat eiser nog tot en met 31 augustus 1999 gewoon heeft verder gewerkt voor verweerster (blz. 8, eerste alinea, van het arrest). Het arbeidshof overweegt dat, wat de door verweerster gevorderde opzeggingsvergoeding betreft, een bedrag van vier en een halve maand zeker niet overdreven voorkomt en dat er geen redenen zijn om die termijn in te korten (blz. 9, punt 8, van het arrest). Het overweegt voorts dat verweerster cijfermatig terecht een bedrag vordert van 694.609 BEF (1.852.381 BEF x 4,5/12) meer de interest (blz. 11, punt 13, van het arrest) en veroordeelt eiser tot het aldus met vier en een halve maand loon en voordelen verworven krachtens de overeenkomst overeenstemmende bedrag, in euro omgezet, zijnde 17.218,91 euro, vermeerderd met de interest. Voor dezelfde periode kunnen evenwel niet tegelijkertijd door een werknemer arbeidsprestaties worden geleverd én een opzeggingsvergoeding verschuldigd zijn die overeenstemt met het loon (en de voordelen verworven krachtens de overeenkomst) voor die arbeidsprestaties in dezelfde periode. Het arbeidshof veroordeelt eiser derhalve niet wettig tot betaling aan verweerster van een opzeggingsvergoeding overeenstemmende met vier en een halve maand loon en voordelen verworven krachtens de overeenkomst, aangezien het aldus geen rekening houdt met de periode die eiser nog voor verweerster gewerkt heeft in de periode volgend op het ontslag van 29 juli 1999 en derhalve met betrekking tot eenzelfde periode een opzeggingsvergoeding toekent die overeenstemt met het loon voor het verrichten van arbeid (schending van de artikelen 39, ,§1, en 82, ,§3, eerste en derde lid, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 20 juli 2000, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Het arbeidshof beslist niet wettig dat op 29 juli 1999 geen effectief ontslag is gevolgd en doorgevoerd en dat de arbeidsovereenkomst na 29 juli 1999 gewoon is doorgelopen tot zij op 1 september 1999 door eiser werd beëindigd en veroordeelt eiser niet wettig tot betaling aan verweerster van 17.218,91 euro meer de moratoire interest vanaf 7 september 1999 en de gerechtelijke interest vanaf 29 juli 2000 tot de datum van betaling (schending van de artikelen 32, 30, 37, ,§1, 39, ,§1, en 82, ,§3, eerste en laatste lid, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 20 juli 2000, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek).
  12. Tweede onderdeel De overwegingen van het arbeidshof dat het de brief van 29 juli 1999 ziet als een ontslagbrief, maar als een ontslag dat op die datum niet werd doorgevoerd, en die het niet erkent als een opzeggingsbrief (blz. 8, onder nr. 4, van het arrest) en dat "geen effectief ontslag gevolgd (is) op 29 juli 1999 (noch door (eiser), noch door (verweerster)) en de arbeidsovereenkomst (...) gewoon (is) doorgelopen tot zij door (eiser) werd beëindigd op 1 september 1999" (blz. 8, bovenaan, van het arrest), kan op twee manieren worden uitgelegd. Een eerste mogelijke interpretatie is dat het arbeidshof ervan uitgaat dat het ontslag van 29 juli 1999 naderhand in overeenstemming tussen de partijen werd ongedaan gemaakt. In de mate dat wordt aangenomen dat de vaststelling van het arbeidshof dat geen effectief ontslag is gevolgd op 29 juli 1999, geldt als een impliciete vaststelling van de wil van beide partijen dat ontslag ongedaan te maken, is die interpretatie wettig. Een tweede mogelijke interpretatie is dat het arbeidshof de brief van 29 juli 1999 beschouwt als een ontslagbrief die het einde van de arbeidsovereenkomst situeert op 1 september
  13. Volgens deze uitlegging beschouwt het arbeidshof de ontslagbrief van 29 juli 1999 als een ontslag op termijn, met uitwerking op 1 september
  14. Een ontslag op termijn is evenwel maar mogelijk als het de vorm aanneemt van een opzegging of met het akkoord van de andere partij. Het arbeidshof beschouwt de brief van 29 juli 1999 uitdrukkelijk niet als een opzeggingsbrief. Evenmin stelt het arbeidshof een akkoord vast van verweerster met een ontslag op termijn door te voeren, en al zeker niet een akkoord het ontslag door te voeren met als termijn 1 september 1999, maar oordeelt het integendeel dat "er helemaal geen akkoord was" (blz. 8, punt 4, van het bestreden arrest). De tweede interpretatie is dan ook in beide opzichten niet wettig. De hierboven geciteerde overweging van het arbeidshof kan derhalve op verscheidene wijzen worden uitgelegd, waarbij de beslissing volgens één uitlegging wettig verantwoord is, volgens de andere niet. Uit het bestreden arrest kan niet worden opgemaakt op grond van welke uitlegging het arbeidshof tot de beslissing komt dat op 29 juli 1999 geen effectief ontslag is gevolgd en eiser de arbeidsovereenkomst beëindigde op 1 september
  15. Door die dubbelzinnige overweging maakt het arbeidshof het wettigheidstoezicht door het Hof onmogelijk en schendt het artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Het arbeidshof beslist met die dubbelzinnige motivering niet wettig dat geen effectief ontslag is gevolgd op 29 juli 1999, dat eiser de arbeidsovereenkomst na 29 juli 1999 gewoon heeft verder gezet tot hij deze op 1 september 1999 verbrak, en veroordeelt eiser bijgevolg niet wettig tot betaling aan verweerster van 17.218,91 euro meer de moratoire interest vanaf 7 september 1999 en de gerechtelijke interest vanaf 29 juli 2000 tot de datum van betaling (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). IV. Beslissing van het Hof.
  16. Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 37, ,§1, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, ieder der partijen in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur het recht heeft om die te beëindigen door opzegging aan de andere; dat, krachtens artikel 37, ,§1, tweede lid, de kennisgeving van de opzegging op straffe van nietigheid het begin en de duur van de opzeggingstermijn dient te vermelden ; Overwegende dat de nietigheid van de opzegging de geldigheid van het ontslag niet aantast; dat geen enkele wetsbepaling de geldigheid van het ontslag afhankelijk maakt van bepaalde vormen ; Dat, wanneer de opzegging nietig is, het ontslag geen geldige tijdsbepaling bevat, zodat de arbeidsovereenkomst in beginsel onmiddellijk is beëindigd, ook al vermeldt de ontslagbrief een latere datum ; Dat evenwel, in geval zowel de werkgever als de werknemer zich na de kennisgeving van de ongeldige opzegging verder hebben gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag heeft plaatsgevonden, de nietigheid van de opzegging niet wordt gedekt, maar de partijen na een redelijke termijn kunnen beschouwd worden als afstand te hebben gedaan van het recht het onmiddellijk ontslag in te roepen; dat in deze omstandigheden de arbeidsovereenkomst blijft voortduren totdat ze op een andere wijze wordt beëindigd ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat de brief van 29 juli 1999 waarbij eiser aan verweerster ter kennis bracht dat de arbeidsovereenkomst een einde zou nemen op 1 september 1999 geen geldige opzegging was maar een ontslagbrief ; Dat het arrest voorts vaststelt dat eiser na die brief gewoon verder gewerkt heeft, er geen effectief ontslag is gevolgd op 29 juli 1999, noch op initiatief van eiser, noch van verweerster, en de arbeidsovereenkomst gewoon is doorgelopen "zonder dat dienaangaande enige opmerking werd geformuleerd" totdat eiser vanaf 1 september 1999 moedwillig van het werk is weggebleven en van dan af niet meer wilde presteren voor verweerster en voor een andere bankinstelling is gaan werken ; Overwegende dat het arrest te kennen geeft dat, in zoverre verweerster de ontslagbrief heeft ontvangen, de partijen in de gegeven omstandigheden het onmiddellijk ontslag van 29 juli 1999 niet hebben willen doorvoeren en als ongedaan hebben willen beschouwen ; Dat het arrest op grond hiervan en zonder schending van de aangewezen wetsbepalingen vermocht te oordelen dat de arbeidsovereenkomst slechts op 1 september 1999 werd beëindigd door de verbreking ervan door eiser, op grond waarvan eiser de betaling van een verbrekingsvergoeding verschuldigd is ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
  17. Tweede onderdeel Overwegende dat het arrest ondubbelzinnig oordeelt dat eiser de arbeidsovereenkomst verbroken heeft op 1 september 1999 door alsdan van het werk weg te blijven ; Dat het arrest niet oordeelt dat de arbeidsovereenkomst op 1 september 1999 beëindigd werd door het feit dat de partijen de ontslagbrief van 29 juli 1999 als een ontslagbrief op termijn hebben beschouwd ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; OM DEZE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van tweehonderd vierenveertig euro negentien cent jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd zevenentwintig euro vierendertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Eric Stassijns en Luc Van hoogenbemt, en in openbare terechtzitting van elf april tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050411.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2012:ARR.20121217.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970106.10 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020128.5 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020617.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050425.3 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050530.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080128.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.