id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050415.5 Rolnummer: C.03.0200.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-12 Raadplegingen: 189 - laatst gezien 2026-07-03 12:39 Versie(s): Vertaling FR Fiche De kennisgeving door het bestuur aan de inschrijver dat het zijn inschrijving afwijst wegens klaarblijkelijk abnormale prijzen, is een substantieel vormvoorschrift; het overleggen van stukken in de gerechtelijke procedure kan niet met die kennisgeving gelijkgesteld worden
(1)Zie D. D'Hooghe, De gunning van overheidscontracten en overheidsopdrachten, Die Keure 1997, nr 1395; M. Flamme, P. Matheï, P. Flamme, A. Delvaux en C. Dardenne, Praktische commentaar bij de reglementering van de overheidsopdrachten, dl IA, 6de uitgave,
- Thesaurus CAS: OVERHEIDSOPDRACHTEN (WERKEN. LEVERINGEN. DIENSTEN) Vrije woorden: OVERHEIDSOPDRACHTEN (WERKEN. LEVERINGEN. DIENSTEN) Inschrijving Abnormale prijzen Kennisgeving door het bestuur Aard Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 22-04-1977 - Art.25,§§2en Tekst van de beslissing Nr. C.03.0200.N KERKFABRIEK VAN DE PAROCHIE SINT-ELIGIUS, met zetel te 9770 Kruishoutem, Pastorijstraat 15, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen NATUURSTEEN VLAMINCK, naamloze vennootschap, met zetel te 9000 Gent, John Kennedylaan 20, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 november 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Feiten Het arrest stelt volgende feiten vast :
- op 6 november 1995 neemt verweerster deel aan de openbare aanbesteding voor de restauratie van glasramen en gevels van de Sint- Eligiuskerk te Kruishoutem ;
- op 15 november 1995 vraagt de architect-ontwerper die toezicht uitvoert op de aanbesteding, (overeenkomstig de artikelen 20 en 25 van het koninklijk besluit van 22 april 1977) aan verweerster bepaalde prijzen die hetzij abnormaal hoog, hetzij abnormaal laag zijn, te verantwoorden ; bij brief van 21 november 1995 verantwoordt verweerster haar prijzen ;
- in het proces-verbaal van nazicht van de aanbestedingen van 15 december 1995 besluit de architect dat de inschrijving van verweerster moeilijk kan aanvaard worden wegens haar te lage eenheidsprijzen, die ondanks verantwoording van de prijs nog als te laag zijn te beschouwen (art. 6 en 14) ; voor artikel 11 werd geen verantwoording opgegeven ;
- op 7 januari 1996 oordeelt het bureel van kerkmeesters dat het advies van de architect niet integraal kan gevolgd worden en beslist de werken aan verweerster te gunnen ; het dossier van aanbesteding wordt aan de hogere overheid voor advies en definitieve goedkeuring overgemaakt ;
- op 21 juni 1996 laat het Vlaams Gewest aan eiseres weten dat zij het advies van de ontwerper slechts gedeeltelijk heeft gevolgd en daardoor zonder enige motivering de verschillende biedingen niet op een gelijke basis heeft beoordeeld ;
- op 27 juni 1996 stelt de architect een nieuw advies op en herhaalt dat de meeste evenwichtige offerte van de NV Monument Van de Kerckhove uitgaat ;
- op 28 juni 1996 beslist eiseres haar besluit van 7 januari 1996 in te trekken en de werken te gunnen aan de NV Monument Van de Kerckhove ; bij koninklijk besluit van 6 januari 1997 machtigt het Vlaams Gewest eiseres tot uitvoering van de werken door de NV Monument Van de Kerckhove ;
- op 13 juni 1997 vraagt verweerster naar de stand van het dossier en merkt op dat zij nooit een bericht van niet-aanvaarding van verantwoording van haar prijzen heeft ontvangen ;
- bij brief van 23 juli 1997 van eiseres verneemt verweerster dat de werken niet aan haar maar aan de NV Monument Van de Kerckhove zijn gegund. IV. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 16 augustus 1824 houdende dat de kerkbesturen en kerkelijke administraties geen beschikkingen kunnen nemen omtrent onderwerpen waarvan de bezorging hun niet uitdrukkelijk bij de bestaande wetten, reglementen of verordeningen is opgedragen (hierna artikel 2, eerste lid, K.B. 1824) ; de artikelen 1, lid 1, 37, 4°, en 92, 3°, van het keizerlijk decreet van 30 december 1809 op de Kerkbesturen ; artikel 2, ,§2, en 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 19 augustus 1992 tot goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Regie van Telegrafie en Telefonie en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Regie bij de autonome overheidsbedrijven en vóór de opheffing bij de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten ; artikel 36 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, zoals van kracht vóór de opheffing bij koninklijk besluit van 29 januari 1997 tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en van hun uitvoeringsmaatregelen. Aangevochten beslissingen De appèlrechters verklaren de door verweerster ingestelde vordering die er toe strekte eiseres in toepassing van artikel 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976, zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 19 augustus 1992 en voor de opheffing bij de wet van 24 december 1993, te horen veroordelen tot betaling van schadevergoeding zoals forfaitair bepaald op 10 pct. van het bedrag van haar inschrijving om reden dat verweerster op onregelmatige wijze als laagste inschrijver werd geweerd, gegrond en verwerpen het door eiseres ingeroepen verweer dat verweerster niet als laagste regelmatige inschrijver kan worden beschouwd, op grond van de volgende motieven : "(Eiseres) is slecht geplaatst om te blijven stellen dat (verweerster) niet kan aangezien worden als 'regelmatige' inschrijver vermits zij het is die, zij het onder opschortende voorwaarde van goedkeuring door de subsidiërende overheid, (verweerster) in eerste orde de werken heeft gegund. Bovenstaande klemt des te meer nu blijkt dat van de kwestieuze beslissing melding werd gemaakt in de 'Bouwkroniek'" (bladzijde 5 van het bestreden arrest). Grieven Krachtens artikel 1, eerste lid, artikel 37, 4°, en artikel 92, 3°, van het keizerlijk decreet van 30 december 1809 op de Kerkbesturen, staan de kerkfabrieken in voor het onderhoud, de bewaring en herstelling van de kerken. Artikel 2, lid 1, K.B. 1824 bepaalt dat Kerkfabrieken geen nieuwe kerken of gebouwen bestemd voor de publieke eredienst mogen bouwen noch verbouwen en evenmin de inrichting hiervan mogen wijzigen indien zij daartoe niet vooraf de toelating hebben verkregen van de Koning. Krachtens artikel 2, ,§2, van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, zoals van kracht voor de opheffing bij de wet van 24 december 1993, is de Raad voor de Kerkfabriek bevoegd voor de gunning en uitvoering van openbare opdrachten. De openbare opdracht is conform artikel 36 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, zoals van kracht vóór de opheffing bij koninklijk besluit van 29 januari 1997, gegund indien de betrokken inschrijver kennis is gegeven van de goedkeuring van zijn inschrijving. Deze kennisgeving geschiedt bij een ter post aangetekende brief en zo nodig per telegram, waarvan de inhoud per aangetekende brief wordt bevestigd. Indien de bevoegde overheid beslist de opdracht te gunnen, dient deze conform artikel 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 19 augustus 1992 en voor de opheffing bij de wet van 24 december 1993, te worden toevertrouwd aan de inschrijver die de laagste regelmatige inschrijving heeft ingediend op straffe van schadeloosstelling vastgesteld op 10 pct. van het bedrag van deze inschrijving. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat eiseres op 7 januari 1996 besliste de werken te gunnen aan verweerster alsook dat het aanbestedingsdossier vervolgens door eiseres werd overgemaakt aan de hogere overheid voor advies en definitieve goedkeuring. De appèlrechters overwegen verder uitdrukkelijk dat deze gunningsbeslissing genomen werd onder opschortende voorwaarde van goedkeuring door de subsidiërende overheid en werd bekendgemaakt in de "Bouwkroniek" van 19 januari
- De appèlrechters stellen vervolgens vast dat eiseres, na bericht van het Vlaams Gewest, haar eerste besluit heeft ingetrokken en de werken aldus op 28 juni 1996 heeft gegund aan een andere aannemer. De appèlrechters overwegen tot slot dat dit laatste besluit werd aanvaard door het Vlaams Gewest. De appèlrechters oordelen op grond van deze vaststellingen dat eiseres slecht geplaatst is om te stellen dat verweerster niet als laagste "regelmatige" inschrijver kan worden beschouwd, nu zij de werken in eerste orde, zij het onder opschortende voorwaarde van goedkeuring door de subsidiërende overheid, aan verweerster heeft gegund en deze beslissing bovendien heeft bekendgemaakt in de "Bouwkroniek". Nu de gunningsbeslissing van eiseres van 7 januari 1996 genomen werd onder opschortende voorwaarde van goedkeuring door de hogere overheid en bijgevolg geen definitieve gunningsbeslissing was en daarenboven ingevolge de overwegingen van het Vlaams Gewest werd ingetrokken en vervangen door een nieuwe beslissing die wel goedkeuring verkreeg van de hogere overheid, miskennen de appèlrechters artikel 2, lid 1, K.B. 1824 door uit de beslissing van 7 januari 1996 alsook uit de bekendmaking daarvan in de Bouwkroniek af te leiden dat verweerster moet worden beschouwd als de laagste "regelmatige" inschrijver. Tevens miskennen de appèlrechters aldus artikel 36 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten (zoals van kracht voor de opheffing bij koninklijk besluit van 29 januari 1997), aangezien de beslissing van 7 januari 1996 niet werd gemeld aan verweerster volgens de in dit artikel voorgeschreven vormvereisten en de werken bijgevolg door deze beslissing niet definitief gegund werden aan verweerster. Door eiseres tenslotte in toepassing van artikel 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976 (zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 19 augustus 1992 en voor de opheffing bij de wet van 24 december 1993) te veroordelen tot betaling aan verweerster van schadevergoeding zoals forfaitair bepaald op 10 pct. van het bedrag van de inschrijving van verweerster, schenden de appèlrechters deze wettelijke bepaling aangezien verweerster op grond van de hierboven aangevochten overwegingen niet kan worden beschouwd als de laagste regelmatige inschrijver. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ; het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie der procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel) ; artikel 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 19 augustus 1992 tot goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Regie van Telegrafie en Telefonie en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Regie bij de autonome overheidsbedrijven en voor de opheffing bij de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten ; de artikelen 25, ,§2, en 25, ,§3, van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 19 augustus 1985 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en voor de opheffing bij koninklijk besluit van 29 januari 1997 tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en van hun uitvoeringsmaatregelen ; de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Aangevochten beslissingen De appèlrechters verklaren de door verweerster ingestelde vordering die er toe strekte eiseres in toepassing van artikel 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976, zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 19 augustus 1992 en voor de opheffing bij de wet van 24 december 1993, te horen veroordelen tot betaling van schadevergoeding zoals forfaitair bepaald op 10 pct. van het bedrag van haar inschrijving om reden dat verweerster op onregelmatige wijze als laagste inschrijver werd geweerd, gegrond en verwerpen het door eiseres ingeroepen verweer dat verweerster behoorlijk kennis werd gegeven van de prijzen van de inschrijving die ook na verantwoording als abnormaal werden beschouwd, op grond van volgende motieven : "Belangrijker is echter vast te stellen dat het eerst op 23 juli 1997 is dat (verweerster) wordt verwittigd dat de werken uiteindelijk aan een derde aannemer werden gegund omdat het Vlaams Gewest (eiseres) had opgemerkt dat het besluit waarbij de werken aan (verweerster) werden gegund 'gebeurde zonder enige motivering, zodat de biedingen niet op gelijke basis werden behandeld' omdat ook zij, zoals de laagste inschrijfster, abnormaal lage eenheidsprijzen hanteerde. Het besluit van de architect ontwerper, zoals vervat in zijn proces-verbaal van nazicht van de inschrijvingen en hierboven sub A.1 aangehaald, wees weliswaar de prijzen aan die volgens hem abnormaal bleven en ook die waaromtrent geen verantwoording werd gegeven maar (...) (eiseres) heeft nagelaten (verweerster) daarvan ooit in kennis te stellen. De brief van (eiseres) d.d. 23 juli 1997 maakt inderdaad gewag van abnormaal lage prijzen voor 'bepaalde posten' maar duidt ze niet aan, hetgeen eveneens neerkomt op een miskenning van art. 3 van de wet van 29 juli 1991 inzake de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen die het bestuur verplicht elke beslissing op een dergelijke wijze, zowel in feite als naar recht, te motiveren dat de betrokkene op dat ogenblik een duidelijk inzicht in de exacte motieven kan krijgen" (bladzijde 5-6 van het bestreden arrest). Grieven 2.
- Eerste onderdeel Luidens artikel 25, ,§2, van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten (zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 19 augustus 1985 en voor de opheffing bij koninklijk besluit van 29 januari 1997) is het bestuur verplicht de aannemer te informeren over de prijzen die het, na onderzoek van de door de aannemer verstrekte toelichting bij abnormaal geachte prijzen, nog steeds abnormaal vindt. Indien het bestuur vervolgens om deze reden beslist de werken niet te gunnen aan de aannemer in kwestie, is het bestuur krachtens artikel 25, ,§3, van bovenvermeld koninklijk besluit (zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 19 augustus 1985 en vóór de opheffing bij koninklijk besluit van 29 januari 1997) tevens gehouden tot kennisgeving van de aannemer dat zijn inschrijving om die reden als onregelmatig wordt geweerd. Deze dubbele kennisgevingsplicht is een substantiële vormvereiste die evenwel op gelijk welk ogenblik door het bestuur kan worden vervuld en zelfs na het inleiden door de aannemer van een procedure in rechte. Eiseres voerde aan dat het advies van de architect deel uitmaakte van haar stukkenbundel en dat zij verweerster hiervan derhalve hangende de procedure in kennis heeft gesteld (bladzijde 7 synthesebesluiten van eiseres, ingediend ter griffie van het Hof van Beroep te Brussel op 12 juni 2002). Eiseres voerde aan dat een dergelijke kennisgeving niet laattijdig was. Verweerster stelde op bladzijde 3-4, 7, 8 en 9 van haar derde (hernemende) conclusie in beroep dat zij het besluit van de architect-ontwerper hangende de procedure in eerste aanleg van eiseres heeft ontvangen, doch dat de kennisgeving tijdens de procedure laattijdig was. De appèlrechters beslissen dat er geen termijn bepaald is binnen dewelke de kennisgeving moet gebeuren en dat die ook nog kan gebeuren na de toewijzing van de opdracht aan een derde en zelfs na het inleiden van het beroep. De appèlrechters beslissen evenwel dat eiseres heeft nagelaten verweerster ooit in kennis te stellen van het besluit van de architect-ontwerper, zoals vervat in het proces-verbaal van nazicht van 15 december
- Uit deze vaststelling leiden de appèlrechters een tekortkoming af aan de zijde van eiseres aan de kennisgevingsplicht welke op de aanbestedende overheid rust krachtens artikel 25, ,§2, van het koninklijk besluit van 22 april 1997 (zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 19 augustus 1985 en voor de opheffing bij koninklijk besluit van 29 januari 1997). De appèlrechters beslissen vervolgens dat verweerster, nu eiseres heeft nagelaten verweerster in kennis te stellen van de prijzen die ook na verantwoording als abnormaal laag werden beschouwd, op onregelmatige wijze als laagste inschrijver werd geweerd. Door te beslissen dat eiseres nagelaten heeft verweerster ooit in kennis te stellen van het besluit van de architect-ontwerper, werpen de appèlrechters een betwisting op die tussen de partijen niet bestond (schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie der procespartijen, het beschikkingsbeginsel genoemd), door hieruit af te leiden dat verweerster op onregelmatige wijze als laagste inschrijver werd geweerd, schenden zij artikel 25, ,§2, en ,§3, van het koninklijk besluit van 22 april 1977 (zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 19 augustus 1985 en voor de opheffing bij koninklijk besluit van 29 januari 1997) betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en door eiseres tenslotte op grond van deze overwegingen in toepassing van artikel 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976 te veroordelen tot betaling aan verweerster van schadevergoeding zoals forfaitair bepaald op 10 pct. van het bedrag van de inschrijving van verweerster, verantwoorden de appèlrechters hun beslissing niet naar recht (schending van artikel 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 19 augustus 1992 en voor de opheffing bij de wet van 24 december 1993). 2.
- Tweede onderdeel Luidens de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk worden gemotiveerd. De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet afdoende zijn. Deze verplichting tot uitdrukkelijke motivering geldt enkel voor de in artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 bepaalde bestuurshandeling, hetzij een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. De appèlrechters stellen vast dat de brief van eiseres van 23 juli 1997, waarbij verweerster werd geïnformeerd over de beslissing van eiseres om de werken uiteindelijk aan een andere aannemer te gunnen, weliswaar melding maakt van abnormaal lage prijzen voor "bepaalde posten" doch zonder deze aan te duiden en leiden hieruit een schending af van artikel 3 van de wet van 29 juli
- De brief van eiseres van 23 juli 1997 hield echter slechts de kennisgeving in van de beslissing van eiseres van 28 juni 1996 en kan als dusdanig niet worden vereenzelvigd met de eigenlijke beslissing. De brief van 23 juli 1997 is dan ook geen bestuurshandeling in de zin van de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 en behoeft bijgevolg geen aanduiding te bevatten van de exacte motieven waarop eiseres haar beslissing van 28 juni 1996 heeft gesteund. Door te beslissen dat de brief van eiseres van 23 juli 1997 niet werd gemotiveerd overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en door hieruit af te leiden dat verweerster op onregelmatige wijze als laagste inschrijver werd geweerd, schenden de appèlrechters de artikelen 1 tot en met 3 van voormelde wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Door eiseres tenslotte op grond van deze overwegingen in toepassing van artikel 12, ,§1 van de wet van 14 juli 1976 te veroordelen tot betaling aan verweerster van schadevergoeding zoals forfaitair bepaald op 10 pct. van het bedrag van de inschrijving van verweerster, verantwoorden de appèlrechters hun beslissing niet naar recht (schending van artikel 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 19 augustus 1992 en vóór de opheffing bij de wet van 24 december 1993). IV. Beslissing van het Hof Tweede middel Eerste onderdeel Overwegende dat eiseres concludeerde dat verweerster in het kader van de procedure mededeling kreeg van haar stukken, onder meer het verslag van 15 december 1995 van de architect-ontwerper met zijn bevindingen bij het nazicht van de inschrijvingen en zijn beoordeling van de uitleg die verweerster in haar brief van 21 november 1995 had gegeven over de posten met abnormale hoge of lage eenheidsprijzen en totaalprijzen ; dat zij aanvoerde dat verweerster hierdoor weet welke prijzen uit haar inschrijving, na onderzoek van haar verantwoording, nog als abnormaal werden beschouwd en waarom zij nog steeds als abnormaal worden beschouwd ; Overwegende dat verweerster concludeerde : - dat eiseres nooit had meegedeeld welke prijzen zij nog als abnormaal zou hebben beschouwd, meer nog : zij wees de werken aan verweerster toe ; - dat het vaststaat dat eiseres de twee substantiële voorwaarden niet heeft nageleefd : zij vertrouwde de werken zonder meer toe aan de NV Monument Van de Kerckhove, dit zonder verweerster in kennis te stellen van het feit dat zij geweerd werd wegens abnormale prijzen, en al evenmin door desbetreffend enig detail te geven ; - dat in de brief van 23 juli 1997 daarenboven nergens werd vermeld welke prijzen eiseres nog als abnormaal beschouwde, wat nochtans vereist is en dat artikel 25 van het koninklijk besluit dit uitdrukkelijk stelt ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat in het proces-verbaal van nazicht van de inschrijvingen van 15 december 1995 de architect-ontwerper weliswaar de prijzen aanwees die volgens hem abnormaal bleven en ook die waaromtrent geen verantwoording was gegeven, en beslist dat eiseres nagelaten heeft verweerster daarvan ooit in kennis te stellen ; Dat het arrest aldus geen betwisting opwerpt die door de partijen in conclusie was uitgesloten en het beschikkingsbeginsel niet miskent ; Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijk artikel 25, ,§2, van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, het bestuur vooraleer het een inschrijving afwijst inzonderheid met verwijzing naar artikel 20, ,§5, wegens haar klaarblijkelijk abnormaal hoge of abnormaal lage eenheidsprijzen of totale prijzen, de betrokken inschrijver per aangetekende brief moet verzoeken hierover, binnen een termijn van 12 kalenderdagen de noodzakelijke verantwoording te verstrekken ; dat na onderzoek van de gegeven uitleg het bestuur de betrokken inschrijver laat weten welke prijzen nog als abnormaal worden beschouwd ; Dat, krachtens het laatste lid van ,§3 van hetzelfde artikel, het bestuur, alvorens eventueel een inschrijving af te wijzen wegens het klaarblijkelijk abnormaal karakter van de prijs, de inschrijver bij aangetekend schrijven moet uitnodigen binnen twaalf kalenderdagen de noodzakelijke verantwoordingen te verstrekken ; dat die verantwoordingen enkel mogen steunen op een of meer gegevens die eigen zijn aan de inschrijving, de inschrijver of aan de opdracht ; dat, indien na onderzoek van deze verantwoordingen, de prijs van de opdracht als abnormaal beschouwd blijft, het bestuur, in afwijking van ,§1, de inschrijving als onregelmatig en niet bestaande moet beschouwen ; dat het bestuur hierover de betrokkene inlicht ; Dat de door het bestuur vereiste kennisgeving van de als abnormaal beschouwde prijzen aan de inschrijver een substantieel vormvoorschrift is ; dat het door de partijen aan elkaar overleggen van stukken in een gerechtelijke procedure niet met die kennisgeving kan gelijkgesteld worden ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat :
- eiseres nagelaten heeft verweerster in kennis te stellen van het proces-verbaal van nazicht van de inschrijvingen van de architect-ontwerper van 15 december 1995 ;
- de brief van 23 juli 1997 van eiseres gewag maakt van abnormale lage prijzen voor "bepaalde posten" maar deze niet aanduidt ; Dat het arrest beslist dat verweerster op een onregelmatige wijze als laagste inschrijver werd geweerd en moet aangenomen worden dat zij te dezen als laagste regelmatige inschrijver is te aanzien en aanspraak kan maken op de forfaitair bepaalde vergoeding van 10 pct. van het bedrag van de inschrijving ; Dat het arrest zodoende noch artikel 25, ,§,§ 2 en 3, van het koninklijk besluit van 22 april 1977, noch artikel 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976 schendt ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel aanvoert dat de brief van 23 juli 1997 geen bestuurshandeling is in de zin van de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en derhalve niet moest gemotiveerd worden ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat voormelde brief gewag maakt van abnormaal lage prijzen voor bepaalde posten maar ze niet aanduidt, hetgeen eveneens neerkomt op een miskenning van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ; Dat het onderdeel opkomt tegen een overtollige reden betreffende de wet van 29 juli 1991, mitsdien niet ontvankelijk is ; Eerste middel Overwegende dat de in het eerste onderdeel van het tweede middel tevergeefs aangevochten redenen, de beslissing dragen ; Dat het middel dat opkomt tegen een ten overvloede gegeven reden, niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van zeshonderd eenenveertig euro zevenentachtig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeënzestig euro negen cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van vijftien april tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050415.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div