← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050415.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050415.6 Rolnummer: C.03.0285.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-07-12 Raadplegingen: 543 - laatst gezien 2026-07-04 18:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepaling dat het vonnis enkel kan worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters die alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond volgt niet dat wanneer de rechtsmacht van een rechter over een geschilpunt is uitgeput en over dit geschilpunt dan ook een eindbeslissing is gewezen, de behandeling van de andere geschilpunten enkel door dezelfde rechters kan geschieden als die welke over het eerste geschilpunt uitspraak hebben gedaan

(1)
(2).
(1)Zie Cass., 21 maart 2003, AR C.01.0091.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030321.9, nr 189; R.W. 2003-2004, 183 met noot B. Allemeersch "De samenstelling van de zetel na een heropening van het debat".
(2)Het O.M. was met de appèlrechters van mening dat het tussenvonnis de heropening van het debat bevolen had, en concludeerde tot cassatie, nu bleek het debat alsdan over bepaalde punten werd voortgezet, zodat de latere beslissing had moeten worden gewezen door de rechters die de vorige terechtzittingen hebben bijgewoond of, zoniet, door een rechtscollege waarvoor het debat in zijn geheel is hervat, Cass., 30 maart 2000, AR C.99.0144.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000331.2, nr
  1. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Samenstelling van het rechtscollege Meerdere geschilpunten Eindbeslissing over een geschilpunt Wijziging van het rechtscollege Behandeling van andere geschilpunten Wettigheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.779 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0285.N INTERNATIONAL PETROLEUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1070 Anderlecht, Clemenceaulaan 11, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 572.895, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  2. C.T., en zijn echtgenote,
  3. B.F., verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  4. C.K., in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Immoros, verweerder, in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partij. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 7 februari 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis : "Veroordeelt (eiseres) en derde (verweerster) solidair tot betaling opzichtens (eerste en tweede verweerders) van de som van 298.876,78 euro meer de vergoedende gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de gemiddelde datum van 01.07.1997 tot aan de gehele betaling. Verleent voorbehoud aan (eerste en tweede verweerders) voor hun eventuele schade voor de periode 01.05.2000 tot en met 23.09.
  5. Verklaart de nieuwe vorderingen van (eiseres) en van (eerste en tweede verweerders) zoals gesteld na de heropening der debatten bij tussenvonnis dd. 16.10.1999, onontvankelijk en wijst ze uit dien hoofde af. Verklaart de vordering in vrijwaring van (eiseres) opzichtens derde (verweerster), zoals voor het eerst gesteld in graad van hoger beroep, onontvankelijk en wijst deze uit dien hoofde af. Bevestigt het eerste vonnis voor wat betreft de kosten. Veroordeelt (eiseres) tot de kosten van het hoger beroep, (...) aan de zijde van (eerste en tweede verweerders) te begroten als volgt : (...)". Grieven Krachtens artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek kan het vonnis enkel gewezen worden door het voorgeschreven aantal rechters, die op straffe van nietigheid, alle zittingen over de zaak bijgewoond moeten hebben. Het tussenvonnis van 22 oktober 1999 in onderhavige zaak, waarbij o.m. "de nieuwe vorderingen in graad van hoger beroep ontvankelijk verklaard (werden), doch (...) de beoordeling nopens de grond (aangehouden wordt) tot na uitvoering van de (...) deskundigenopdracht", alsook "de beoordeling over de overige vorderingen en de beslissing nopens de gerechtskosten (...)", werd gewezen door de rechters E.D., E.D.H. en P.D.K.. Het bestreden eindvonnis werd gewezen door de rechters E.D., C.L. en D.D., dewelke uitspraak deden over de in het tussenvonnis aangehouden punten van de vorderingen van eiseres, waaromtrent een debat gevoerd was geworden voor dezelfde rechtbank in een andere samenstelling. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis gewezen werd, - zonder dat uit enig procedurestuk waarop het Hof regelmatig vermag acht te slaan blijkt dat de zaak ab initio hernomen werd -, door de rechters C.L. en D.D., dewelke niet alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben en meer bepaald niet dat deel van de debatten over de bij het tussenvonnis aangehouden vorderingen, die voor hen werden voortgezet (schending van artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek).
  6. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis : "Veroordeelt (eiseres) en derde (verweerster) solidair tot betaling opzichtens (eerste en tweede verweerders) van de som van 298.876,78 euro meer de vergoedende gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de gemiddelde datum van 01.07.1997 tot aan de gehele betaling. Verleent voorbehoud aan (eerste en tweede verweerders) voor hun eventuele schade voor de periode 01.05.2000 tot en met 23.09.
  7. Verklaart de nieuwe vorderingen van (eiseres) en van (eerste en tweede verweerders) zoals gesteld na de heropening der debatten bij tussenvonnis dd. 16.10.1999, onontvankelijk en wijst ze uit dien hoofde af. Verklaart de vordering in vrijwaring van (eiseres) opzichtens derde (verweerster), zoals voor het eerst gesteld in graad van hoger beroep, onontvankelijk en wijst deze uit dien hoofde af. Bevestigt het eerste vonnis voor wat betreft de kosten. Veroordeelt (eiseres) tot de kosten van het hoger beroep, (...) aan de zijde van (eerste en tweede verweerders) te begroten als volgt : (...)". Grieven Eiseres wierp in regelmatig genomen "conclusies na deskundig onderzoek 2de synthese", gedateerd op 7 oktober 2002, op, bladzijde 16 : "
  8. De gerechtsdeskundige besluit uiteindelijk tot beweerdelijk geleden inkomstenderving in hoofde van (de verweerders) ten belope van 18.374.636 BEF, zich hierbij evenwel voor zijn definitieve berekeningen baserend op de voorwaarden in de toeleveringsovereenkomst van Power die (eerste verweerder) uiteindelijk zou ondertekend hebben op 12.12.2000 ; de beweerdelijk geleden inkomstenderving werd hierbij herberekend aan een vermeend gedorven bruto ( ) winstmarge van 2,19 BEF per liter i.p.v. 2,03 BEF per liter ; (...)
  9. Voorts wordt de vergelijking inzake de beweerdelijk geleden inkomstenderving door de gerechtsdeskundige (zie tabel, blz. 23 definitief deskundigenverslag) volledig scheefgetrokken ; immers, de bedragen vermeld onder de hoofdding 'International Petroleum', betreffen netto ( ) commissielonen ontvangen door (de verweerders) vanwege (eiseres), terwijl de winstmarge van 2,19 BEF/liter verkregen bij Power, een bruto ( ) winstmarge betreft, d.i. vóór korting aan de pomp". Eiseres voerde aan dat de vergelijking tussen een brutowinstmarge en een ontvangen nettocommissieloon leidt tot een scheeftrekking van de bekomen winstderving. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis, dat met geen enkel motief op dit precies en omstandig verweer heeft geantwoord, dan ook niet naar genoegen van recht is gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
  10. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 774, 775, 807, 808, 809, 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis : "Veroordeelt (eiseres) en derde (verweerster) solidair tot betaling opzichtens (eerste en tweede verweerders) van de som van 298.876,78 euro meer de vergoedende gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de gemiddelde datum van 01.07.1997 tot aan de gehele betaling. Verleent voorbehoud aan (eerste en tweede verweerders) voor hun eventuele schade voor de periode 01.05.2000 tot en met 23.09.
  11. Verklaart de nieuwe vorderingen van (eiseres) en van (eerste en tweede verweerders) zoals gesteld na de heropening der debatten bij tussenvonnis dd. 16.10.1999, onontvankelijk en wijst ze uit dien hoofde af. Verklaart de vordering in vrijwaring van (eiseres) opzichtens derde (verweerster), zoals voor het eerst gesteld in graad van hoger beroep, onontvankelijk en wijst deze uit dien hoofde af. Bevestigt het eerste vonnis voor wat betreft de kosten. Veroordeelt (eiseres) tot de kosten van het hoger beroep, (...) aan de zijde van (eerste en tweede verweerders) te begroten als volgt : (...)". Op grond van de motieven : "1.
  12. Voor de beoordeling van de respectievelijke ontvankelijkheidexcepties dient deze rechtbank de partijen te herinneren aan het algemene principe, zoals (dit) reeds werd verwoord in het tussenvonnis dd. 22.10.1999, met name dat de debatten worden heropend overeenkomstig art. 774 en 775 Ger. W., hetgeen inhoudt dat de debatten worden beperkt tot de in het tussenvonnis vermelde punten en vragen waarvoor de heropening werd bevolen (...). Bij tussenvonnis dd. 22.10.2002 werden de op dit ogenblik in beraad genomen twistpunten tussen partijen uitgewezen en werden de debatten enkel heropend teneinde een deskundigenonderzoek te bevelen betreffende de begroting van de door (eerste en tweede verweerders) geleden schade. Wel werden de aanverwante betwistingen, voortspruitende uit deze vordering tot schadevergoeding, aangehouden om te worden uitgewezen na het deskundigenonderzoek. Uit de feitelijke uiteenzettingen en de overwegingen van dit tussenvonnis blijkt voldoende dat die schade was ontstaan uit het feit dat (eerste en tweede verweerders) vanaf 21.10.1994 niet vrijelijk hadden kunnen beschikken over het onroerend goed en het daarin gevestigde handelsfonds, doordat (eiseres) en (derde verweerster) zich hadden beroepen op een toeleveringscontract en een handelshuurovereenkomst, waarvan bij tussenvonnis dd. 22.10.1999 door deze rechtbank werd geoordeeld dat deze aan (eerste en tweede verweerders) niet tegenstelbaar was. Door de deskundige werd deze schade, met instemming van alle partijen, omschreven in drie onderdelen : - de bezettingsvergoeding voor het onroerend goed ; - de winstderving wegens lagere winstmarges op de verkopen ; - het omzetverlies wegens het lek in de tank en een onbruikbare benzinepomp ; 1.
  13. Hieruit volgt dat enkel de vorderingen die betrekking hebben op deze schadebegroting en de aanverwante twistpunten ontvankelijk kunnen zijn, in de mate deze gesteld worden na de heropening der debatten. 1.6.
  14. De vordering van (eiseres) betreffende een verrekening der laatste levering aan brandstoffen en betreffende de resterende tankinhoud na uitdrijving dd. 23.09.2001 is daarentegen wel degelijk een nieuwe vordering die wordt gesteld na heropening der debatten en die dus niet behoort tot een van de punten van betwisting waarvoor de debatten werden heropend. Immers vordert (eiseres) hierbij een vergoeding van de schade die zou zijn ontstaan naar aanleiding van de uitdrijving dd. 23.09.2001 doch die volledig los staat van de begroting der schade wegens de onbeschikbaarheid van het onroerend goed en handelsuitbating". Grieven Krachtens de artikelen 774 en 775 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter de heropening der debatten bevelen over het door hem bepaalde onderwerp. Het door de rechter bepaalde onderwerp geeft de grenzen van de heropende debatten aan waaromtrent partijen nog kunnen gehoord worden, behoudens afwijking door partijen in onderlinge overeenstemming of het volledig hernemen van het debat voor de rechter. Binnen de grenzen van de heropende debatten kunnen partijen hun vorderingen uitbreiden, wijzigen of aanvullen overeenkomstig de artikelen 807 tot 810 van het Gerechtelijk Wetboek, toepasselijk in hoger beroep krachtens artikel 1042 van hetzelfde wetboek. Aldus in elke stand van het geding, ook na een bevolen heropening der debatten over een door de rechter bevolen onderwerp, kan een partij een tegenvordering voor het eerst instellen, wanneer zij beantwoordt aan de voorwaarden die in genoemde artikelen 807 tot 810 van het Gerechtelijk Wetboek zijn gesteld voor de ontvankelijkheid van nieuwe vorderingen, dit is berusten op een feit of een handeling in de dagvaarding aangevoerd, ofwel wanneer zij een verweer tegen de hoofdvordering uitmaken of strekken tot compensatie. Eiseres in regelmatig genomen "conclusies na deskundig onderzoek 2de synthese", gedateerd op 7 oktober 2002, stelden in het dispositief tegen eerste en tweede verweerders een tegenvordering in strekkende tot compensatie met de hoofdvordering van deze verweerders in volgende bewoordingen : "(Eerste en tweede verweerders) solidair te veroordelen tot betaling, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering tussen te komen in de loop van het geding, van een bedrag van 22.936,25 euro (d.i. 925.246 BEF), te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 2.10.2001 tot algehele betaling. Minstens, te zeggen voor recht dat de hierboven vermelde bedragen, aangerekend dienen te worden op deze die in het kader van de hoofdvordering aan (eerste en tweede verweerders) zouden worden toegekend". Hieruit volgt dat het bestreden vonnis onwettig de nieuwe vordering van eiseres tegen eerste en tweede verweerders strekkende tot compensatie heeft afgewezen als zijnde onontvankelijk, op het motief dat dit een nieuwe vordering uitmaakt tot vergoeding van schade die volledig los staat van de begroting der schade van de verweerders wegens onbeschikbaarheid van het onroerend goed en de handelsuitbating "die wordt gesteld na heropening der debatten en die niet behoort tot een van de punten van betwisting waarvoor de debatten werden heropend", dan wanneer dergelijke vordering van eiseres eens zij strekt tot compensatie met de hoofdvordering van eerste en tweede verweerders in elke stand van het geding, dus ook na de heropening der debatten (schending van de artikelen 774, 775, 808 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek) op ontvankelijke wijze kan worden ingesteld (schending van de artikelen 774, 775, 807, 808, 809, 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis enkel kan worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters die alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond ; Dat uit die bepaling niet volgt dat wanneer de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput en over dit geschilpunt dan ook een eindbeslissing is gewezen, de behandeling van de andere geschilpunten enkel door dezelfde rechters kan geschieden als die welke over het eerste geschilpunt uitspraak hebben gedaan ; Dat wanneer een rechter uitspraak doet over de aansprakelijkheid van een partij en een provisioneel bedrag toekent, en vervolgens een gerechtsdeskundige aanstelt om de schade te bepalen, het debat dat over de schade wordt gevoerd niet noodzakelijk voor dezelfde rechter moet worden gebracht; dat het debat over de schade in dergelijk geval betrekking heeft over de gehele schade van het slachtoffer en niet zou kunnen hernomen worden ab ovo wat de aansprakelijkheid betreft en het toegekend provisioneel bedrag ; Overwegende dat het tussenvonnis van 22 oktober 1999 de in het middel bedoelde vordering aanhoudt tot na het deskundigen onderzoek ; Dat het aldus daaromtrent geen debat heeft aangevat dat werd voortgezet bij de behandeling van de zaak die heeft geleid tot het bestreden vonnis ; Dat het bestreden vonnis derhalve niet diende te worden gewezen door dezelfde rechters die het tussenvonnis hebben gewezen ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
  15. Tweede middel Overwegende dat het bestreden vonnis het in het middel vermelde verweer verwerpt en beantwoordt ; Dat het middel feitelijke grondslag mist ;
  16. Derde middel Overwegende dat het middel ervan uitgaat dat het debat heropend werd door het vonnis van 22 oktober 1999 ; Dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat het debat niet heropend werd door het vonnis ; Dat het middel feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van achthonderd achtennegentig euro zevenenveertig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeënzestig euro negen cent jegens de verwerende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van vijftien april tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050415.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000331.2 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030321.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070119.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161206.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.