id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005
Art.37
,§1,ee Fiche 2 Wanneer de opzegging nietig is, bevat het ontslag geen geldige tijdsbepaling, zodat de arbeidsovereenkomst in beginsel onmiddellijk is beëindigd, ook al vermeldt de ontslagbrief een latere datum
(1).
(1)Cass., 6 jan. 1997, AR S.96.0105.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970106.10, nr 10; Cass., 28 jan. 2002, AR S.00.0014.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020128.5, nr 58. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging Nietigheid Ontslag Bestaan Datum Wettelijke bepalingen:
Art.37
,§1,ee Fiches 3 - 4 Wanneer zowel de werkgever als de werknemer zich na de kennisgeving van de ongeldige opzegging verder hebben gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag heeft plaatsgevonden, kunnen de partijen na een redelijke termijn door de rechter beschouwd worden afstand te hebben gedaan van het recht het onmiddellijk ontslag in te roepen; uit deze omstandigheden alleen kan geen afstand van het inroepen van de nietigheid van de opzegging worden afgeleid en de arbeidsovereenkomst blijft gewoon voortduren totdat ze op een andere wijze wordt beëindigd
(1).
(1)Zie Cass., 17 juni 2002, AR S.99.0144.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020617.7, nr 363; 11 april 2005, AR S.04.0113.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050411.7, nr ... Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging Nietigheid Ontslag Partijen Verdere uitvoering overeenkomst Afstand van recht van aanvoering van beëindiging Redelijke termijn Wettelijke bepalingen:
Art.37
,§1,ee Thesaurus CAS: AFSTAND VAN RECHT Vrije woorden: AFSTAND VAN RECHT Arbeidsovereenkomst Opzegging Nietigheid Ontslag Verdere uitvoering overeenkomst Afstand van aanvoering van beëindiging overeenkomst Redelijke termijn Wettelijke bepalingen:
Art.37
,§1,ee Fiche 5 Elke afstand van recht moet strikt worden uitgelegd en mag slechts worden afgeleid uit feiten en gedragingen die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn
(1).
(1)Cass., 19 dec. 1991, AR 9067, nr
- Thesaurus CAS: AFSTAND VAN RECHT Vrije woorden: AFSTAND VAN RECHT Bewijs Tekst van de beslissing Nr. S.03.0101.N.- HANSTRA PACKAGING, naamloze vennootschap, in de rechten en plichten getreden van de NV CARTONNAGES HANSTRA ET ETABLISSEMENTS GREYSON REUNIS, met vennootschapszetel te 1457 Perbain-Walhain, Grand'Rue 82, ingeschreven in het handelsregister te Nivelles, nummer 88.170, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brusssel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen H.L., verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 maart 2003 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 20, 3°, 37, ,§1, 39, ,§1, 81, 82, dit laatste artikel in zijn versie vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 20 juli 2000, en 87 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ; - artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek ; - artikel 14 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen, in zijn versie vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 25 mei 1999 ; - artikel 46 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, in zijn versie vóór de wijziging bij koninklijke besluiten van 29 maart 1999, 10 en 13 juni 2001 en 12 maart 2003 ; - artikel 1045 van het Gerechtelijk Wetboek ; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende de afstand van recht. Aangevochten beslissing Het arbeidshof beslist in het bestreden arrest dat eiseres de arbeidsovereenkomst met verweerder op 1 april 1998 éénzijdig en onmiddellijk heeft beëindigd, dit is na het verstrijken van de in de arbeidsovereenkomst voorziene proeftermijn van drie maanden, en veroordeelt eiseres dienvolgens tot betaling van : - een opzeggingsvergoeding gelijk aan drie maanden loon (13.780,40 euro), - loon voor 1 april 1998 en hierop becijferd vakantiegeld einde dienst (158,21 euro), - feestdagenloon, zowel voor 13 april als voor 1 mei 1998 (291,77 euro), en, - een conventioneel bedongen vergoeding voor verplaatsingskosten (42,27 euro), bedragen te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing in zoverre verschuldigd, het overeenstemmende netto gedeelte te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten. Het arbeidshof veroordeelt eiseres tevens tot afgifte binnen de wettelijk voorgeschreven termijnen van een loonbrief, een fiscale fiche 281.10 een individuele rekening en een verbeterd werkloosheidsattest C4 conform de toegekende bedragen. Het arbeidshof stoelt deze beslissing op volgende redengeving : "
- De feiten Op 9 december 1997 sloten partijen een arbeidsovereenkomst waarin de indiensttreding van de heer H. werd bedongen vanaf 1 januari 1998 als handelsvertegenwoordiger. Deze overeenkomst bevat een proefbeding met een duur van 3 maanden. Op 20 maart 1998 verzond de NV (= NV Cartonnages Hanstra et Ets. Greyson Reunis) een aangetekende brief aan de heer H. waarin zij, met verwijzing naar een gesprek dat plaatsvond op 17 maart 1998, haar beslissing ter kennis bracht om een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst. De brief vermeldt verder dat de opzegging een aanvang neemt op woensdag 25 maart
- De duur van de opzeggingstermijn werd niet vermeld. Het staat niet ter discussie dat de heer H. na 20 maart 1998 zijn arbeidsprestaties heeft verder gezet. Met een brief van 26 maart 1998 verzond de NV aan de heer H. een aantal sociale documenten, onder meer een vakantieattest, een werkloosheidsattest en een attest van tewerkstelling. Op deze documenten is telkens sprake van een tewerkstelling tot en met 31 maart
- Op 1 april 1998 begaf de heer H. zich naar het werk en werd hij in de lokalen van de NV aan een bureel aangetroffen door de gerechtsdeurwaarder die hij had aangezocht om deze vaststelling te doen. Eveneens op 1 april 1998 verzond de NV een aangetekende brief aan de heer H. waarin zij haar verbazing uitdrukte over de aanwezigheid van de heer H. op het werk gelet op het feit dat de arbeidsovereen-komst reeds was beëindigd op 31 maart 1998, feit waarvan de heer H. volgens de NV op de hoogte was.
- De beoordeling 2.
- Opzeggingsvergoeding Overeenkomstig het bepaalde in artikel 37 Arbeidsovereenkomstenwet moet de kennisgeving van de opzegging op straffe van nietigheid het begin en de duur van de opzeggingstermijn vermelden. Deze nietigheid is relatief, zodat zij enkel door de partij die door de nietigheid wordt beschermd kan worden ingeroepen. Nu de aangetekende brief van 20 maart 1998 noch expliciet, noch impliciet de duur van de opzeggingstermijn vermeldt is deze opzegging nietig. Of de heer H. al dan niet wist dat de NV de bedoeling had om een opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen in acht te nemen, is daarbij volstrekt irrelevant, nu de wet vereist dat de duur van de opzeggingstermijn in de kennisgeving van de opzegging zelf moet worden vermeld. Wanneer de opzegging nietig is bevat het ontslag geen geldige tijdsbepaling zodat de arbeidsovereenkomst onmiddellijk is beëindigd, ook al vermeldt de ontslagbrief een latere datum. (vgl. Cass., 14 december 1992, R.W., 1992-93, 1193 ; Cass., 6 januari 1997, J. T. T., 1997, 119 ; Cass., 12 oktober 1998, R.W., 1998-99, 1351). Hoewel de heer H. de mogelijkheid had om deze onmiddellijke en onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de NV in te roepen, heeft hij van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt en heeft hij er integendeel mee ingestemd om de arbeidsovereenkomst verder uit te voeren, wat blijkt uit het feit dat hij ook effectief verder arbeidsprestaties is blijven leveren. Hieruit volgt noodzakelijk dat de arbeidsovereenkomst verder is blijven bestaan na het ontslag gegeven met brief van 20 maart
- Rest vervolgens de vraag op welke wijze en op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst dan wel daadwerkelijk is beëindigd. Volgens de NV is dit gebeurd op 31 maart 1998, na het verstrijken van de opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen, die weliswaar niet werd vermeld in de opzegging, maar die door beide partijen zou zijn gekend. Dit standpunt steunt op de overweging dat de heer H. afstand zou hebben gedaan van zijn recht om de nietigheid van de opzegging in te roepen. Volgens de heer H. werd de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk beëindigd op 1 april 1998, datum waarop hij door de NV werd ontslagen. Het (arbeidshof) is daarbij van oordeel dat de afstand van de werknemer om de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst in te roepen omdat het ontslag niet werd vergezeld van een geldige opzegging, niet impliceert dat hij meteen ook afstand doet van zijn recht om de nietigheid van de opzegging in te roepen. (Dit is overigens in het geval van een nietige opzegging wegens miskenning van artikel 37, ,§1, vierde lid, Arbeidsovereenkomstenwet niet eens mogelijk.) Het (arbeidshof) kan zich evenmin terugvinden in het standpunt dat de werknemer moet worden geacht verzaakt te hebben aan het inroepen van de nietigheid van de opzegging, wanneer hij zulks niet onmiddellijk doet na de ontvangst van de nietige opzegging of minstens voor het verstrijken van de in de nietige opzegging gegeven opzeggingstermijn. In casu blijkt niet dat de heer H. op enig ogenblik de nietigheid van de hem gegeven opzegging heeft bevestigd, wat zou impliceren dat hij akkoord ging met het feit dat zijn arbeidsovereenkomst een einde zou nemen na het verstrijken van een termijn van 7 kalenderdagen, te rekenen vanaf 25 maart
- De vaststelling dat hij zich er na de ontvangst van de nietige opzegging toe beperkte de arbeidsovereenkomst verder uit te voeren, zonder voorbehoud of protest, volstaat daartoe niet. Het feit dat hij zich op 1 april 1998 heeft aangeboden op het werk wijst er integendeel op dat de heer H. geenszins akkoord ging met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 31 maart 1998 en dat hij de verdere uitvoering van de arbeidsovereenkomst nastreefde. Eenzelfde redenering geldt mutatis mutandis (voor) het afleveren van de sociale documenten met brief van 26 maart 1998, sociale documenten die 31 maart 1998 vermelden als datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Uit het verzenden van deze documenten blijkt weliswaar de wil van de NV om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, maar opnieuw moet worden vastgesteld dat ook dit ontslag niet werd vergezeld van een geldige opzegging. Meteen moet ook worden vastgesteld dat dit onmiddellijk ontslag geen gevolgen heeft gesorteerd, dat de NV de heer H. de gelegenheid heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst verder te zetten en dat de heer H. hiermee kennelijk heeft ingestemd. De arbeidsovereenkomst is bijgevolg ook niet beëindigd op 26 maart
- Het blijkt verder niet dat tussen 26 maart en 1 april 1998 nog enige handeling werd gesteld waardoor de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk een einde nam. Aldus moet worden besloten dat de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk werd beëindigd op 1 april 1998, datum waarop de NV duidelijk en ondubbelzinnig haar beslissing ter kennis bracht om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Vermits de arbeidsovereenkomst aldus eenzijdig en onmiddellijk werd beëindigd door de NV op 1 april 1998 zonder opzeggingstermijn en zonder dringende reden en dit ontslag zich situeert na het verstrijken van de overeengekomen proeftijd, maakt de heer H. terecht aanspraak op de betaling van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met een opzeggingstermijn van 3 maanden conform het bepaalde in de artikelen 39 en 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Wat de becijfering van de gevorderde opzeggingsvergoeding betreft bestaat als zodanig geen betwisting. Het hoger beroep is bijgevolg wat dit punt betreft gegrond, het incidenteel beroep ongegrond. De overige argumenten van de NV en het bewijsaanbod dat zij in ondergeschikte orde formuleert zijn niet van aard om afbreuk te kunnen doen aan hoger vermelde overwegingen en besluitvorming zodat hierop niet moet worden ingegaan. 2.2 Loon voor 1 april 1998 en hierop becijferd vakantiegeld einde dienst. Met betrekking tot dit onderdeel van de oorspronkelijke vordering wordt geen ander verweer gevoerd dan het niet door dit (arbeidshof) bijgetreden standpunt dat de arbeidsovereenkomst reeds daadwerkelijk een einde nam op 31 maart
- Voor het overige wordt niet betwist dat de heer H. zich op 1 april 1998 heeft aangeboden op het werk en arbeidsprestaties heeft geleverd, zodat hij terecht aanspraak maakt op het voor die dag gevorderde loon. Het hoger beroep is ook wat dit punt betreft gegrond.
(2).
- Feestdagloon 1 mei 1998 Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, 2°, Feestdagenwet blijft de werkgever gehouden tot betaling van het loon voor de feestdagen die vallen in een periode van dertig dagen die volgt op het einde van de arbeids-overeenkomst. Nu om de hiervoor uiteengezette redenen het einde van de arbeidsovereenkomst zich situeerde op 1 april 1998, maakt de heer H. terecht aanspraak op de betaling van het gevorderde feestdagloon voor 1 mei
- Het hoger beroep is ook wat dit punt betreft gegrond.
(2).5. Verplaatsingsvergoeding Nu de NV slechts een einde stelde aan de arbeidsovereenkomst nadat de heer H. zich naar zijn werk had begeven en zijn arbeidsprestaties had aangevat, maakt hij terecht aanspraak op de betaling van de conventioneel bedongen vergoeding voor zijn verplaatsingskosten verbonden aan het traject van zijn woonplaats naar de NV. Het hoger beroep is ook wat dit punt betreft gegrond.
(2).6 Afgifte van sociale en fiscale documenten De aan de heer H. in het kader van deze procedure toegekende bedragen rechtvaardigen de afgifte van bijkomende of verbeterde sociale documenten, zoals gevorderd". (arrest, pp. 4-7 en 9). Grieven 1.1 Overeenkomstig artikel 37, ,§1, eerste lid, van de Arbeidsovereen-komstenwet heeft iedere partij, wanneer de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten, het recht om die overeenkomst te beëindigen door opzegging aan de andere. De kennisgeving van de opzegging dient, luidens het tweede lid van deze wetsbepaling, op straffe van nietigheid het begin en de duur van de opzeggingstermijn te vermelden. Artikel 37, ,§1, vierde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat indien de opzegging uitgaat van de werkgever, de kennisgeving van de opzegging op straffe van nietigheid enkel kan geschieden hetzij bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde dag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat de werknemer die nietigheid niet kan dekken en ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld. 1.2 De duur van de opzeggingstermijn die de werkgever die een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst beëindigt in acht dient te nemen, wordt bepaald in artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Deze termijn bedraagt voor een "lagere bediende" (d.w.z. een bediende wiens jaarlijks loon niet hoger is dan het in artikel 82, ,§2, vermelde grensbedrag; in 1998 : 928.000 BEF) die minder dan vijf jaar in dienst is, ten minste drie maanden. Voor een "hogere bediende" (d.w.z. een bediende wiens jaarlijks loon het grensbedrag overschrijdt) wordt de opzeggingstermijn bij overeenkomst vastgesteld of bepaald door de rechter. Artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet is ingevolge artikel 87 van deze wet ook toepasselijk op de arbeidsovereenkomst voor handels-vertegenwoordigers. Is de overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, dan is de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in artikel 82, overeenkomstig artikel 39, ,§1, van de arbeidsovereenkomstenwet gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopende loon, met inbegrip van de voordelen verworven krachtens de overeenkomst, dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. 1.3 Artikel 81, ,§1, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat tijdens de proeftijd de arbeidsovereenkomst zonder dringende reden niet eenzijdig kan worden beëindigd dan met inachtneming van een opzeggingstermijn van zeven dagen waarvan kennis wordt gegeven in de vorm bepaald in artikel 37 (,§1), tweede tot vierde lid. Artikel 81, ,§2, van de Arbeidsovereenkomstenwet voorziet dat de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn gesteld in ,§1, gehouden is de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens de overeenkomst, overeenstemmend hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. Artikel 81 is ingevolge artikel 87 van de Arbeidsovereenkomstenwet ook toepasselijk op de arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers.
- Artikel 14 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen, in zijn versie vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 25 mei 1999, bepaalt dat de werkgever gehouden blijft tot betaling van het loon voor de feestdagen die vallen in de periode van dertig dagen die volgt op het einde van de arbeidsovereenkomst of van de verrichting van arbeid.
- Artikel 46 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, in zijn versie vóór de wijziging bij koninklijke besluiten van 29 maart 1999, 10 en 13 juni 2001 en 12 maart 2003, bepaalt dat, wanneer het contract van de bediende een einde neemt, zijn werkgever hem, bij zijn vertrek, 14,80 pct. van de bij hem tijdens het lopend vakantie dienstjaar verdiende brutowedde betaalt.
- De werkgever is overeenkomstig artikel 20, 3°, van de Arbeids-overeenkomstenwet verplicht het loon te betalen op de wijze, tijd en plaats zoals is overeengekomen. Het loon is de tegenprestatie van de arbeid, die ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt verricht. Wanneer de (ex-)werknemer na beëindiging van de arbeidsover-eenkomst ingevolge ontslag door de werkgever, zich op het werk aanbiedt en arbeidsprestaties levert, verricht hij geen arbeid ter uitvoering van die arbeids-overeenkomst en kan hij geen aanspraak maken op loon, evenmin als op het hierop verschuldigde vakantiegeld einde dienst. Evenmin kan de ex-werknemer alsdan aanspraak maken op een in de arbeidsovereenkomst bedongen vergoeding voor verplaatsingskosten verbonden aan het traject van zijn woonplaats naar de werkplaats. De overeenkomst heeft immers, na beëindiging, geen verbindende kracht meer tussen partijen (artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek).
- Het arbeidshof stelt in het aangevochten arrest vast dat : - verweerder, ingevolge een op 9 december 1997 met eiseres gesloten arbeidsovereenkomst, op 1 januari 1998 als handelsvertegenwoordiger in dienst van eiseres trad, - de arbeidsovereenkomst een proefbeding met een duur van drie maanden bevat (arrest, p. 4, V.1). Indien de arbeidsovereenkomst vóór 1 april 1998 door eiseres werd beëindigd, d.w.z. vóór het verstrijken van de proefperiode, diende overeenkomstig de hiervoren aangehaalde bepalingen een opzeggingstermijn van zeven dagen in acht te worden genomen, of een overeenstemmende opzeggingsvergoeding te worden betaald. Het feestdagenloon voor 1 mei 1998, welke feestdag meer dan 30 dagen na het einde van de overeenkomst viel, was in die hypothese niet verschuldigd. Loon voor 1 april 1998, vakantiegeld einde dienst op dit loon en een verplaatsingsvergoeding voor 1 april 1998 waren, in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst vóór 1 april 1998, evenmin verschuldigd. Zoals hierna zal worden uiteengezet, beslist het arbeidshof ten onrechte dat de arbeidsovereenkomst op 1 april 1998, d.w.z. na de proefperiode, door eiseres werd beëindigd, en veroordeelt eiseres derhalve ten onrechte tot betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan vier maanden loon, loon, vakantiegeld einde dienst en een verplaatsingsvergoeding voor 1 april 1998 en feestdagenloon voor 1 mei
- De nietigheid van de opzegging tast de geldigheid van het ontslag niet aan. De wet stelt immers geen vormvereisten voor de geldigheid van het ontslag. Wordt het ontslag met een nietige opzegging gegeven omdat de duur van de opzeggingstermijn in de kennisgeving niet is vermeld (artikel 37, ,§1, tweede lid, van het Arbeidsovereenkomstenwet), dan is de arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigd. De nietigheid die voortvloeit uit de niet-vermelding van de duur van de opzeggingstermijn in de kennisgeving van de opzegging, is evenwel een relatieve nietigheid, zodat de werknemer kan verzaken deze nietigheid in te roepen. 7.1 De werknemer die ontslagen wordt met een opzegging die nietig is omdat de duur van de opzeggingstermijn niet in de opzeggingsbrief wordt vermeld, kan derhalve twee houdingen aannemen. Ofwel roept de werknemer de nietigheid van de opzegging in op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag met nietige opzegging, of na een korte bedenktijd, en alleszins vóór de datum die door de werkgever als einddatum van de arbeidsovereenkomst werd vooropgesteld. De overeenkomst is alsdan onmiddellijk beëindigd en de werknemer zal aanspraak kunnen maken op een opzeggingsvergoeding die overeenstemt met de niet in acht genomen opzeggingstermijn. Ofwel roept de werknemer niet in dat de arbeidsovereenkomst onmiddellijk is beëindigd ingevolge de nietige opzegging en voert hij de arbeidsovereenkomst verder uit tot de door de werkgever, eventueel na de nietige opzegging, vastgestelde einddatum van de arbeidsovereenkomst. In die hypothese zal de werknemer zich achteraf niet meer kunnen beroepen op de nietigheid van de opzegging om aanspraak te maken op een opzeggingsvergoeding. Door de overeenkomst verder uit te voeren heeft de werknemer er immers aan verzaakt de nietigheid in te roepen. Uit het algemeen rechtsbeginsel betreffende de afstand van recht, evenals uit artikel 1045 van het Gerechtelijk Wetboek, volgt dat afstand van recht, in het bijzonder afstand van het recht de nietigheid van de opzegging in te roepen, slechts kan worden afgeleid uit feiten die niet op een andere wijze kunnen worden uitgelegd. Indien de werknemer na een ontslag met nietige opzegging de overeenkomst verder uitvoert tot de door de werkgever vooropgestelde einddatum van de opzeggingstermijn, kan zijn houding op geen andere wijze worden uitgelegd dan als een verzaking aan het recht de nietigheid in te roepen. Door het verstrijken van de opzeggingstermijn komt de arbeids-overeenkomst immers ten einde, zodat onmogelijk nog de nietigheid van de opzegging kan worden ingeroepen nu deze nietigheid noodzakelijk tot gevolg heeft dat de overeenkomst onmiddellijk op datum van het ontslag met nietige opzegging reeds zou zijn beëindigd. Het is niet mogelijk tegelijkertijd een handeling in (relatieve) nietigheid te bestrijden en toe te laten dat zij haar uitwerking heeft. 7.2 Zelfs indien het Hof zou oordelen dat de werknemer, wanneer hij na ontslag met nietige opzegging de arbeidsovereenkomst verder heeft uitgevoerd, niet noodzakelijk heeft verzaakt aan het recht de nietigheid van de opzegging in te roepen en hij deze nietigheid derhalve nadien nog kan opwerpen - quod non -, dan heeft deze nietigheid tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst geacht wordt onmiddellijk, op datum van kennisgeving van de nietige opzegging, te zijn beëindigd. De werknemer kan alsdan echter geen aanspraak maken op een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon verschuldigd voor de opzeggings-termijn die in acht diende te worden genomen, nu tijdens deze opzeggings-termijn effectief loon aan de werknemer werd uitbetaald. Zelfs indien de werknemer, ondanks het feit dat hem gedurende de nietige opzeggingstermijn loon werd uitbetaald, nog aanspraak zou kunnen maken op een opzeggingsvergoeding, - quod non -, werd de arbeidsovereen-komst alleszins beëindigd op datum van de kennisgeving van de nietige opzegging, of minstens op de door de werkgever bepaalde datum voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zodat die datum dient in aanmerking te worden genomen om uit te maken welke de door de wet voorgeschreven duur van de opzeggingstermijn (en de overeenstemmende opzeggingsvergoeding) is. 7.3 Het is voor de werknemer alleszins niet mogelijk voor te houden dat de nietigheid van de opzegging tot gevolg heeft dat geen einde komt aan de arbeidsovereenkomst op de door de werkgever gestelde datum, zodat de arbeidsovereenkomst helemaal niet is beëindigd en deze na het einde van de nietige opzeggingstermijn blijft bestaan. Aangezien de nietigheid van de opzegging de geldigheid van het ontslag niet aantast, kan immers onmogelijk worden voorgehouden dat, wanneer de werknemer zich niet beroept op de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst, deze overeenkomst verder blijft bestaan, ook na de door de werkgever vooropgestelde beëindigingdatum. De overeenkomst wordt ingevolge het ontslag, waarvan de geldigheid niet wordt aangetast door de nietigheid van de opzegging, alleszins beëindigd, ten laatste op de door de werkgever vooropgestelde beëindigingdatum. 7.4 Het feit dat de werknemer niet akkoord gaat met het door de werkgever tegen een bepaalde datum gegeven ontslag (met nietige opzegging), hij de verdere uitvoering van de arbeidsovereenkomst nastreeft en zich zelfs de dag na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op het werk aanbiedt, doet geen afbreuk aan het feit dat de arbeidsovereenkomst alleszins ingevolge het ontslag op de door de werkgever bepaalde datum is beëindigd. De geldigheid van het ontslag door de werkgever is geenszins afhankelijk van het akkoord of aanvaarding door de werknemer.
- Het arbeidshof beslist in het bestreden arrest dat : - de arbeidsovereenkomst onmiddellijk is beëindigd wanneer de opzegging, zoals in casu, nietig is, - verweerder de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door eiseres niet heeft ingeroepen, doch ermee instemde de arbeidsovereenkomst verder uit te voeren, - de vaststelling dat verweerder zich na ontvangst van de nietige opzegging ertoe beperkte de arbeidsovereenkomst verder uit te voeren zonder voorbehoud of protest, niet impliceert dat hij de nietige opzegging bevestigde, - verweerder de nietigheid aldus niet heeft bevestigd en het feit dat hij zich op 1 april 1998 op het werk heeft aangeboden erop wijst dat hij niet akkoord ging met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 31 maart 1998, - de afstand van de werknemer om de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst in te roepen omdat het ontslag niet werd vergezeld van een geldige opzegging, niet impliceert dat hij meteen ook afstand doet van het recht om de nietigheid van de opzegging in te roepen. Het arbeidshof besluit dat de arbeidsovereenkomst derhalve pas daadwerkelijk werd beëindigd op 1 april 1998, datum waarop eiseres duidelijk en ondubbelzinnig haar beslissing ter kennis bracht de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Eerste onderdeel
- Indien de werknemer de arbeidsovereenkomst verder uitvoert tot de door de werkgever vooropgestelde datum van beëindiging van de overeenkomst, heeft de werknemer de nietige opzeggingstermijn gerespecteerd en wordt de arbeidsovereenkomst op die datum beëindigd, zodat onmogelijk nog kan worden aangevoerd dat de opzegging nietig is, hetgeen immers impliceert dat de overeenkomst reeds bij kennisgeving van de opzegging onmiddellijk zou zijn beëindigd. De werknemer die toelaat dat de nietige opzegging uitwerking heeft, kan nadien haar nietigheid niet meer inroepen. Het arbeidshof stelt in het aangevochten arrest bovendien niet alleen vast dat verweerder ermee instemde de arbeidsovereenkomst verder uit te voeren, doch tevens dat verweerder geen gebruik maakte van zijn mogelijkheid om de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst in te roepen (arrest, p. 5, in fine), m.a.w. ervan afstand deed om de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst in te roepen (arrest, p. 6, zesde alinea). De nietigheid van de opzegging heeft, zoals het arbeidshof overigens zelf vaststelt (arrest, p. 5, voorlaatste alinea), noodzakelijk tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst onmiddellijk is beëindigd. Indien de werknemer er afstand van doet om de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst in te roepen, doet hij derhalve ook afstand van zijn recht zich op de nietigheid van de opzegging te beroepen. Door te beslissen dat verweerder, hoewel hij ervan afstand deed de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst ingevolge nietigheid van de opzegging in te roepen en hij de arbeidsovereenkomst verder is blijven uitvoeren tot 31 maart 1998, zijnde de door de werkgever vooropgestelde datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, geen afstand deed van het recht de nietigheid van de opzegging in te roepen, miskent het arbeidshof derhalve het algemeen rechtsbeginsel betreffende de afstand van recht evenals artikelen 1045 van het Gerechtelijk Wetboek en 37, ,§1, van de arbeidsovereen-komstenwet. Tweede onderdeel
- Zelfs indien het arbeidshof wettig zou hebben kunnen beslissen - quod non - dat verweerder afstand deed van zijn recht de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst in te roepen, doch dat hij geen afstand deed van zijn recht de nietigheid van opzegging in te roepen, werd de overeenkomst alleszins, ingevolge het door de werkgever gegeven ontslag met einddatum 31 maart 1998, op deze datum, d.w.z. vóór het verstrijken van de proeftijd, beëindigd. Wanneer de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd wordt beëindigd heeft de werknemer principieel recht op een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon voor de niet-verleende opzeggingstermijn van zeven dagen. Aangezien in casu tijdens de opzeggingstermijn van zeven dagen, niettegenstaande de nietigheid van de opzegging, de arbeidsovereenkomst verder werd uitgevoerd en verweerder hiervoor loon ontving, kan deze laatste - zelfs indien hij niet verzaakte aan het inroepen van de nietigheid van de opzegging - geen aanspraak maken op een vervangende opzeggings-vergoeding. Zelfs indien het Hof zou oordelen dat de werknemer die de arbeidsovereenkomst verder uitvoert tot de door de werkgever vooropgestelde beëindigingsdatum, niet verzaakt aan het inroepen van de nietigheid van de opzegging en deze werknemer bovendien, hoewel hij tijdens de duur van de nietige opzeggingstermijn de overeenkomst verder uitvoerde en hiervoor loon ontving, aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding, - quod non - is de beslissing van het arbeidshof evenmin naar recht verantwoord. De arbeidsovereenkomst werd alleszins, ingevolge het ontslag door de werkgever, op 31 maart 1998 beëindigd, m.a.w. vóór het verstrijken van de proeftermijn, zodat de opzeggingstermijn en de ermee overeenstemmende opzeggingsvergoeding worden bepaald door artikel 81 van de Arbeidsovereenkomstenwet en niet door artikel 82 van deze wet. Het arbeidshof kon eiseres derhalve, nu de arbeidsovereenkomst vóór 1 april 1998 werd beëindigd, niet wettig veroordelen tot betaling aan verweerder van een opzeggingsvergoeding gelijk aan vier maanden loon (schending van de artikelen 39, ,§1, 81, ,§2, 82, en 87 van de Arbeidsovereenkomstenwet), van feestdagenloon voor 1 mei 1998 (schending van artikel 14 van het koninklijk besluit van 18 april 1974), loon, vakantiegeld einde dienst en conventionele (ver)plaatsingsvergoeding voor 1 april 1998 (schending van de artikelen 20, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, 1134 van het Burgerlijk Wetboek en 46 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967). Derde onderdeel
- Het arbeidshof stelt in het bestreden arrest (p. 6, zesde alinea) vast dat afstand van het recht om de nietigheid van de opzegging in te roepen niet mogelijk is in geval van een nietige opzegging wegens miskenning van artikel 37, ,§1, vierde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet. In zoverre het bestreden arrest aldus zou dienen te worden gelezen dat dit op onderhavig geval toepassing maakt van voornoemd artikel 37, ,§1, vierde lid, en het arbeidshof zijn beslissing dat verweerder geen afstand kon doen van zijn recht de nietigheid van de opzegging in te roepen op deze wetsbepaling stoelt, is de beslissing niet naar recht verantwoord. Overeenkomstig het tweede lid van artikel 37, ,§1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, dient de kennisgeving van de opzegging het begin en de duur van de opzeggingstermijn te vermelden. Overeenkomstig het vierde lid van deze wetsbepaling kan de kennisgeving van de opzegging uitgaande van de werkgever op straffe van nietigheid enkel geschieden, hetzij bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat de werknemer die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld. Het arbeidshof stelt in het bestreden arrest vast (dat) : - eiseres op 20 maart 1998 een aangetekende brief aan verweerder verzond waarin zij haar beslissing ter kennis bracht om een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst (arrest, p. 4, derde laatste alinea), - deze brief de duur van de opzeggingstermijn niet vermeldt (arrest, p. 4, in fine). Op grond van deze feitelijke vaststellingen kon het arbeidshof geenszins beslissen dat de opzegging nietig was wegens miskenning van artikel 37, ,§1, vierde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet en dat de werknemer geen afstand kon doen van zijn recht om de nietigheid van de opzegging in te roepen (schending van artikel 37, ,§1, tweede en vierde lid, van de arbeidsovereen-komstenwet). Vierde onderdeel 12.1 Zelfs indien het arbeidshof wettig kon beslissen dat de arbeidsovereenkomst ingevolge het ontslag op 20 maart 1998 niet ten laatste op 31 maart 1998 was beëindigd daar verweerder zich niet had beroepen op de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de einddatum van de arbeidsovereenkomst in de opzeggingsbrief niet werd vermeld - quod non - is de beslissing van het arbeidshof niet naar recht verantwoord. Het arbeidshof stelt vast dat eiseres met brief van 26 maart 1998 aan verweerder sociale documenten afleverde, die 31 maart 1998 vermelden als datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (arrest, p. 5, tweede en derde alinea ; p. 6, voorlaatste alinea). Het arbeidshof erkent dat uit het verzenden van deze documenten de wil van eiseres blijkt om de arbeidsovereenkomst te beëindigen en de brief van 26 maart 1998 dus een ontslag inhoudt (arrest, p. 6, in fine). Dit ontslag werd, aldus het arbeidshof, niet vergezeld van een geldige opzegging en dit onmiddellijk ontslag heeft geen gevolgen gesorteerd daar eiseres aan verweerder de gelegenheid heeft gegeven de arbeidsovereenkomst verder te zetten en hij hiermee kennelijk heeft ingestemd. Volgens het arbeidshof werd de arbeidsovereenkomst bijgevolg niet op 26 maart 1998 beëindigd, doch pas op 1 april 1998 toen eiseres duidelijk en ondubbelzinnig haar beslissing om de arbeidsovereenkomst te beëindigen ter kennis zou hebben gebracht (arrest, p. 7, eerste vier alinea's). 12.2 Het feit dat het ontslag bij brief van 26 maart 1998, waarbij sociale documenten werden overgemaakt die 31 maart 1998 als beëindigingdatum van de arbeidsovereenkomst vermelden, geen geldige opzegging inhoudt, doet geen afbreuk aan de geldigheid van het ontslag. Indien de nietigheid van de opzegging door de werknemer en de eruit voortvloeiende onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet worden ingeroepen daar de werknemer de overeenkomst verder blijft uitvoeren, eindigt de arbeidsovereenkomst alleszins op de door de werkgever in het ontslag met nietige opzegging vooropgestelde datum. De omstandigheid dat de werknemer zich na deze datum nog op het werk aanbiedt en poogt verder arbeid te presteren, doet geen afbreuk aan de geldigheid van het ontslag. Worden de nietigheid van de opzegging en de daaruit voortvloeiende beëindiging van de overeenkomst niet ingeroepen, dan neemt de arbeidsovereenkomst alleszins een einde op de door de werkgever bij het ontslag vooropgestelde einddatum. Na te hebben vastgesteld dat : - eiseres op 26 maart 1998 aan verweerder zijn ontslag ter kennis bracht met beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 31 maart 1998, en, - dit ontslag geen onmiddellijk effect sorteerde daar eiseres aan verweerder de gelegenheid bood de overeenkomst verder te zetten en hij hiermee instemde, kon het arbeidshof niet wettig beslissen dat de arbeidsovereenkomst pas werd beëindigd op 1 april 1998, d.w.z. na het verstrijken van de proeftermijn (schending van de artikelen 37, ,§1, 81, 82 en 87 van de Arbeidsovereen-komstenwet). Het arbeidshof kon eiseres derhalve niet wettig veroordelen tot betaling aan verweerder van een opzeggingsvergoeding gelijk aan vier maanden loon (schending van de artikelen 39, ,§1, 81, ,§2, 82 en 87 van de Arbeidsovereen-komstenwet), feestdagenloon voor 1 mei 1998 (schending van artikel 14 van het koninklijk besluit van 18 april 1974), loon, vakantiegeld einde dienst en conventionele (ver)plaatsingsvergoeding voor 1 april 1998 (schending van de artikelen 20, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, 1134 van het Burgerlijk Wetboek en 46 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967). IV. Beslissing van het Hof
- Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 37, ,§1, eerste lid, van de Arbeids-overeenkomstenwet, ieder der partijen in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur het recht heeft om die te beëindigen door opzegging aan de andere ; Dat, krachtens artikel 37, ,§1, tweede lid, de kennisgeving van de opzegging op straffe van nietigheid het begin en de duur van de opzeggings-termijn dient te vermelden ; Dat de nietigheid in dit geval relatief is en enkel kan worden ingeroepen door de partij aan wie de opzegging is betekend ; Overwegende dat de nietigheid van de opzegging de geldigheid van het ontslag niet aantast ; dat geen enkele wetsbepaling de geldigheid van het ontslag afhankelijk maakt van bepaalde vormen ; Dat, wanneer de opzegging nietig is, het ontslag geen geldige tijdsbepaling bevat, zodat de arbeidsovereenkomst in beginsel onmiddellijk is beëindigd, ook al vermeldt de ontslagbrief een latere datum ; Dat evenwel, in geval zowel de werkgever als de werknemer zich na de kennisgeving van de ongeldige opzegging verder hebben gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag heeft plaatsgevonden, de partijen na een redelijke termijn door de rechter kunnen beschouwd worden afstand te hebben gedaan van het recht het onmiddellijk ontslag in te roepen ; Dat uit deze omstandigheden alleen geen afstand van het inroepen van de nietigheid van de opzegging kan worden afgeleid en de arbeidsovereenkomst gewoon blijft voortduren totdat ze op een andere wijze wordt beëindigd ; Overwegende dat, zoals het arrest vaststelt, verweerder na de nietige opzegging niet slechts tot 31 maart 1998, zijnde de door de werkgever vooropgestelde datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, is blijven verder werken, maar zich nog op 1 april 1998 aangeboden heeft op het werk en eiseres hem alsdan niet meer toegelaten heeft tot het werk ; Dat het arrest oordeelt dat eiseres de arbeidsovereenkomst verbroken heeft op 1 april 1998 ; Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het aanvoert dat verweerder slechts tot 31 maart 1998 is blijven werken en alsdan zonder voorbehoud gestopt is met werken, feitelijke grondslag mist ; Overwegende dat elke afstand van recht strikt moet worden uitgelegd en slechts mag worden afgeleid uit feiten en gedragingen die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat niet blijkt dat verweerder op enig ogenblik de nietigheid van de hem gegeven opzegging heeft gedekt, wat zou impliceren dat hij akkoord ging met het feit dat zijn arbeidsovereenkomst een einde zou nemen na het verstrijken van een termijn van zeven kalenderdagen, te rekenen vanaf 25 maart 1998 ; Dat het arrest oordeelt dat het feit dat hij na de opzegging is blijven werken en zich op 1 april 1998 op het werk heeft aangeboden, er integendeel op wijst dat verweerder geenszins akkoord ging met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 31 maart 1998 ; Dat het arrest vervolgens oordeelt dat uit deze feiten en gedragingen, noch uit de omstandigheid dat verweerder afstand deed van zijn recht de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst in te roepen, kan worden afgeleid dat verweerder afstand deed van zijn recht de nietigheid van de gegeven opzegging in te roepen ; Dat het arrest aldus het begrip afstand van recht niet miskent, noch de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen schendt ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
- Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het ervan uitgaat dat verweerder de arbeidsovereenkomst slechts tot 31 maart 1998 heeft uitgevoerd, zijnde tot op de door eiseres vooropgestelde datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, vermits het arrest vaststelt dat verweerder zich nog op 1 april 1998 op het werk heeft aangeboden, feitelijke grondslag mist ; Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het aanvoert dat wanneer de partijen de arbeidsovereenkomst verder blijven uitvoeren na de kennisgeving van de nietige opzegging, de arbeidsovereenkomst beëindigd is op de in de nietige opzegging vooropgestelde einddatum, niet kan worden aangenomen ;
- Derde onderdeel Overwegende dat uit de context van het arrest blijkt dat de verwijzing naar artikel 37, ,§1, vierde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet alleen bedoeld is om, in een ander geval dan het onderhavige, te wijzen op een wettelijke bepaling die de werknemer belet afstand van de nietigheid van de opzegging te doen ; Dat het arrest zijn beslissing niet daarop laat steunen ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
- Vierde onderdeel Overwegende dat het arrest aanneemt dat eiseres op 26 maart 1998 haar wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen op 31 maart 1998 opnieuw tot uiting bracht door sociale documenten in verband met deze beëindiging aan verweerder over te maken ; Dat het arrest oordeelt dat in zoverre dit een onmiddellijk ontslag vanwege eiseres uitmaakte, de beide partijen hiervan afstand hebben gedaan omdat eiseres aan verweerder de gelegenheid gaf zijn werk verder te zetten en verweerder hiermede kennelijk heeft ingestemd ; Dat het onderdeel dat aanvoert dat in deze omstandigheden de arbeidsovereenkomst ten einde kwam op de in de nietige opzegging vooropgestelde datum, de gevolgen van de nietigheid van de opzegging miskent, mitsdien niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van tweehonderd vijfenvijftig euro achtentachtig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en vier euro eenennegentig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers, Eric Stassijns en Luc Van hoogenbemt, en in openbare terechtzitting van vijfentwintig april tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050425.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2012:ARR.20121217.12 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190401.2 ECLI:BE:TTLIE:2008:JUG.20080109.3 ECLI:BE:TTLIE:2008:JUG.20081022.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970106.10 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020128.5 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020617.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050411.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080128.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div