id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050429.3 Rolnummer: C.03.0611.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-07-15 Raadplegingen: 245 - laatst gezien 2026-07-03 12:31 Versie(s): Vertaling FR Fiche De advocaten zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid en zijn niet meer verantwoordelijk voor de bewaring van de stukken vijf jaar na het beëindigen van hun taak; de taak van de advocaat wordt beëindigd op het ogenblik waarop de opdrachtgever ondubbelzinnig een einde maakt aan zijn mandaat, ook al stelt de advocaat nadien handelingen ingevolge die beëindiging
(1).
(1)Zie Cass., 20 maart 2003, AR C.02.0065.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030320.9, www.cass.be; Jaarverslag van het Hof 2002-2003, p.
- Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: ADVOCAAT Taak van de advocaat Beëindiging Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.2276bis,§ Tekst van de beslissing Nr. C.03.0611.N H.J., eiser, vertegenwoordigd door Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25,
- C.A.
- C.B.,
- B.A.,
- C.P.,
- C.S.,
- C.J.,
- C.E. verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat, luidens artikel 2276bis, ,§1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, de advocaten ontlast zijn van hun beroepsaansprakelijkheid en zij niet meer verantwoordelijk zijn voor de bewaring van de stukken, vijf jaar na het beëindigen van hun taak ; Dat de taak van de advocaat wordt beëindigd op het ogenblik waarop de opdrachtgever ondubbelzinnig een einde maakt aan zijn mandaat, ook al stelt de advocaat nadien handelingen ingevolge die beëindiging ; Overwegende dat de appèlrechters, benevens de vaststelling dat bij brief van 9 januari 1992 aan eiser werd gemeld dat hij zijn tussenkomst als beëindigd mocht beschouwen, vaststellen dat "bij voormelde brief van 9 januari 1992 eveneens (werd) gevraagd bij de gerechtsdeurwaarder te informeren of het beslag reeds was overgeschreven op het hypotheekkantoor" en voorts dat eiser nog "op 17 januari 1992 (...) een brief (schrijft) aan notaris Denis verband met de procedure van bewarend onroerend beslag" ; Dat de appèlrechters aldus vaststellen dat de brief van 9 januari 1992 niet ondubbelzinnig een einde stelt aan het mandaat van eiser, maar uitnodigt tot bijkomende handelingen, andere dan deze ingevolge de beëindiging en die eiser op 17 januari 1992 volbrengt ; Dat de appèlrechters, op grond van deze vaststellingen, oordelen dat "uit de gevoerde briefwisseling tussen (advocaat J.C., de rechtsvoorganger van de tweede tot en met achtste verweerders) en (eiser) blijkt dat na 9 januari 1992 nog opdrachten door (eiser) werden vervuld" en dat "enkel na het vervullen van die opdrachten die taak als beëindigd (kon) worden beschouwd" ; Dat de appèlrechters zodoende, zonder de in het middel aangewezen wetsbepalingen te schenden, beslissen dat "de verjaring ten vroegste een aanvang (nam) op 18 januari 1992 en nog niet (was) ingetreden op datum van de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring de dato 15 januari 1997" ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
- Tweede middel Overwegende dat het middel het bestreden arrest verwijt, niettegenstaande de fout van advocaat J.C., niet te hebben nagegaan dat de schade, zoals ze zich concreet heeft voorgedaan, ook zou zijn ontstaan zonder "die fout" en meer bepaald "zonder vast te stellen dat de vervreemding van (de) goederen begin oktober 1991 en het erdoor aan de schuldeisers (...) ontnomen zijn van de kans op een gunstige uitvoering zich in concreto op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan indien het oorspronkelijk bewarend beslag wel tijdig hernieuwd ware geworden door advocaat J.C." ; Overwegende dat de appèlrechters, anders dan het middel onderstelt, geen fout vaststellen aan de zijde van advocaat J.C. ; Dat het middel berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en zodoende feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van duizend vijfennegentig euro eenendertig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd vierenzestig euro tweeëndertig cent jegens de verwerende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Luc Huybrechts, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van negenentwintig april tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050429.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2011:ARR.20110207.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030320.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div