id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050506.4 Rolnummer: C.03.0473.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-07-20 Raadplegingen: 179 - laatst gezien 2026-07-03 12:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De regel van art. 859, B.W. geldt ook voor bijzondere legaten
(1).
(1)Zie H. Du Faux, "Over de inbreng van bijzondere legaten", T. Not., 1991
(363)nr 2-3. Thesaurus CAS: ERFENISSEN Vrije woorden: ERFENISSEN Vereffening Verdeling Inbreng in natura Geschonken onroerend goed Begrip Bijzonder legaat Fiche 2 Bij de beoordeling van de gelijke aard, gelijke waarde en gelijke deugdelijkheid van de goederen in de zin van art. 859, B.W. moet men zich plaatsen op het tijdstip van de verdeling, wat inhoudt dat men rekening houdt met de na het openvallen van de nalatenschap doch voor de verdeling uitgevoerde verbeteringswerken
(1).
(1)M. Puelinckx-Coene, J. Verstraete en N. Geelhand, "Overzicht van rechtspraak Erfenissen 1988-1995", T.P.R. 1997
(133)nr 256-
- Thesaurus CAS: ERFENISSEN Vrije woorden: ERFENISSEN Vereffening Verdeling Legaat van een onroerend goed Inbreng in natura Waardebepaling Tijdstip Verbeteringswerken Tekst van de beslissing Nr. C.03.0473.N D.A. eiser, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.M. verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 3080 Tervuren, Jezus Eiklaan 154, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 19 mei 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift zes middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Eerste onderdeel Overwegende dat de grief dat de appèlrechters anders beslissen dan eiser in zijn appèlconclusie staande hield geen schending van de aangewezen wetsbepalingen meebrengt ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ; Tweede onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 859 van het Burgerlijk Wetboek, inbreng, ten aanzien van onroerende goederen, in natura geëist kan worden, wanneer het geschonken onroerend goed door de begiftigde niet vervreemd is, en in de nalatenschap geen onroerende goederen aanwezig zijn van gelijke aard, gelijke waarde en gelijke deugdelijkheid, waaruit men voor de andere mede-erfgenamen ongeveer gelijke kavels kan samenstellen ; Dat diezelfde regel ook geldt voor bijzondere legaten ; Dat bij de beoordeling van de gelijke aard, gelijke waarde en gelijke deugdelijkheid van de goederen in de zin van artikel 859, men zich moet plaatsen op het tijdstip van de verdeling ; dat dit inhoudt dat men rekening houdt met de na het openvallen van de nalatenschap doch vóór de verdeling uitgevoerde verbeteringswerken ; Overwegende dat het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht ; Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel aanvoert dat : "de inbreng van schulden is een autonoom rechtsbeginsel beheersend de eigenlijke verdeling van de boedel" en hiervoor een aantal wetsbepalingen als geschonden aanwijst ; Dat het onderdeel niet met voldoende klaarheid aanwijst welke wetsbepalingen dan wel welk rechtsbeginsel en om welke reden geschonden worden ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ; Vierde onderdeel Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat de appèlrechters hun beslissing dat het goed in Marbella, niet gelijkwaardig is laten steunen op de grond dat dit onroerend goed in mei 1994 geschat werd door een plaatselijke deskundige op 20.000.000 Spaanse Pesetas of 4.895.360 BEF, berust op een onjuiste lezing ; Overwegende dat het niet feitelijk tegenstrijdig is aan de hand van de voorhanden zijnde gegevens te oordelen dat de beide onroerende goederen in Spanje en België ongelijk zijn en toch nog een huurschatting te bevelen van de beide onroerende goederen ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; Tweede middel Eerste onderdeel Overwegende dat het onderdeel de schending van artikel 856 van het Burgerlijk Wetboek afleidt uit de overweging : "ten onrechte past het bestreden arrest het beginsel van de verrijking zonder rechtmatige oorzaak toe onrechte inroept om de bezettings- of gebruiksvergoeding te rechtvaardigen" ; Overwegende dat het onderdeel de vereiste klaarheid mist om, zonder gevaar voor vergissing en onvolledigheid, met zekerheid de juiste draagwijdte en omvang van de aangevoerde grief te bepalen ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ; Tweede onderdeel Overwegende dat eiser op de pagina's 11-12 van zijn "syntheseconclusie in beroep" aanvoert dat bij de bedoelde bezettingsvergoeding moet worden rekening gehouden met de Spaanse huurwetgeving om te stellen dat "men in het algemeen voor verhuring van dergelijke villa's, zoals het legaat van (eiser), slechts beroep doet op seizoenhuur" ; Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat "de aldus te berekenen interesten en vruchten helemaal niet seizoengebonden waren, zoals blijkt uit het permanente verblijf van de zoon aldaar" en "dat het enige rechtvaardige criterium om deze vruchten en interesten te begroten erin bestaat de huurwaarde van deze villa te ramen" ; Dat zij zodoende het bedoelde verweer verwerpen en beantwoorden ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; Derde middel Eerste, tweede en derde onderdeel Overwegende dat de appèlrechters vaststellen, zonder te dezen door eiser te worden bekritiseerd, dat het hoger beroep van eiser, wat de vermelde beslissing betreft, "uitdrukkelijk werd beperkt tot : (...) het verzoek de beweerde schuldvordering van de nalatenschap op (eiser) te herleiden van 1.550.000 BEF tot 900.000 BEF" ; Dat zodoende de onderdelen die betrekking hebben op de al dan niet erkenning door eiser van het feit dat hij de bedragen van 700.000 BEF en 200.000 BEF "nog moest teruggeven" geen belang vertonen ; Dat de onderdelen niet ontvankelijk zijn ; Vierde middel Eerste onderdeel Overwegende dat eiser de appèlrechters verwijt "de pachtsommen (van de landerijen), die door eiser werden geïnd, als een schuldvordering van de nalatenschap op eiser (te beschouwen)" ; Overwegende dat het bestreden arrest dergelijk oordeel niet bevat ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel uitgaat van de hypothese dat het huis te Dilbeek en de villa in Marbella dienen te worden ingebracht door mindere ontvangst ; Overwegende dat deze hypothese door de appèlrechters is afgewezen en de beslissing daarover door het eerste middel vergeefs is aangevochten ; Dat het onderdeel dat uitgaat van een niet meer terzake doende hypothese bij gemis aan belang niet kan worden aangenomen ; Vijfde middel Overwegende dat de appèlrechters "over de leningen ten bedrage van 1.550.000 BEF" oordelen :
- "dat (eiser) in hoger beroep niet meer ontkent dat hij de bedragen van 700.000 BEF en 200.000 BEF nog moet teruggeven" ;
- "dat hij omtrent de andere bedragen beweert dat hij hen van de rekening van moeder afhaalde in België, omzette in Pesetas en hen vervolgens bracht bij zijn moeder in Spanje" ;
- "dat hij op dit punt alleen een geschrift neerlegt van zijn moeder dd. 27 maart 1988 en dat betrekking heeft op een totaal ander bedrag" ;
- dat voorts "de toevallige zedelijke onmogelijkheid om een geschrift op te maken" niet bewezen is ; Dat de appèlrechters zodoende het bedoelde verweer verwerpen en beantwoorden ; Dat het middel feitelijke grondslag mist ; Zesde middel Eerste onderdeel Overwegende dat de appèlrechters het in het onderdeel bedoelde verweer verwerpen en beantwoorden met de in het middel weergegeven redengeving ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel waarbij eiser door elkaar schending aanvoert van artikel 6.1 EVRM en van het recht van verdediging en voorts van een aantal andere wettelijke bepalingen en van het beginsel "van de onpartijdigheid van het gerecht en van de expertise" zonder te preciseren hoe en waardoor de appèlrechters een en ander schenden, bij gebrek aan nauwkeurigheid, niet ontvankelijk is ; Derde onderdeel Overwegende dat artikel 1209, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtbank die de verdeling beveelt de partijen naar een of twee notarissen verwijst ; Overwegende dat artikel 1214 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat in geval van aanwijzing van twee notarissen, de notaris wiens naam het eerst voorkomt in het vonnis, belast is met de bewaring van de minuten en dat hij alleen de staat van vereffening opmaakt, behoudens het recht van de tweede notaris om een nota met opmerkingen aan de staat van vereffening of een tegenontwerp aan het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden toe te voegen ; Dat hieruit volgt dat de beide aangewezen notarissen als boedelnotaris zijn aangesteld, terwijl de notaris die het eerst in het vonnis is aangewezen als penhouder optreedt ; Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat de appèlrechters de tweede notaris ten onrechte als boedelnotaris beschouwen ; Dat het onderdeel dat uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting, faalt naar recht ; Vierde onderdeel Overwegende dat het aangevoerde rechtsbeginsel 'van de tegenstrijdigheid van de gerechtelijke procedure en de expertise', niet bestaat ; Dat eiser voorts door elkaar schending aanvoert van artikel 6.1 EVRM en van het recht van verdediging zonder te preciseren hoe en waardoor de appèlrechters een en ander schenden ; Dat het onderdeel, bij gebrek aan nauwkeurigheid, niet ontvankelijk is ; Vijfde onderdeel Overwegende dat het onderdeel niet aangeeft hoe en waardoor het bestreden arrest eisers recht van verdediging heeft miskend ; Dat het onderdeel dat niet laat blijken dat het opkomt tegen het bestreden arrest, niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd eenentachtig euro vijfenzeventig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd negenenvijftig euro zesennegentig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van zes mei tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050506.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190408.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div