id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050506.5 Rolnummer: C.03.0394.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-06-15 Raadplegingen: 247 - laatst gezien 2026-07-03 12:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De vergoedingsplicht bij de vereffening van het gemeenschappelijk vermogen ontstaat bij de ontbinding van het wettelijk stelsel, en vanaf dan is de rente verschuldigd
(1).
(1)Cass., 26 nov. 1993, AR C.93.0151.N ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931126.12, nr 488; zie de noot van J. Gerlo bij dit arrest, T.B.B.R. 1995,
- Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - WETTELIJK STELSEL Vrije woorden: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - WETTELIJK STELSEL Gemeenschappelijk vermogen Vereffening Vergoeding Aanvang van de interest Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1436 Thesaurus CAS: INTERESTEN - ALLERLEI Vrije woorden: INTERESTEN - ALLERLEI Huwelijksvermogensstelsel Gemeenschappelijk vermogen Vereffening Vergoeding Aanvang van de interest Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1436 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0394.N G.A. eiser, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen A.J. verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 april 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ; de artikelen 1435 en 1436, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976 ; artikel 1278, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 1 juli 1974 en van 30 juni
- Toepassing van het artikel 26, ,§1, 3°, en ,§2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest beaamt met overname van de motieven van de eerste rechter het standpunt van de boedelnotaris wat betreft de aanvangsdatum van de intresten die volgens de staat van vereffening van 11 april 2000 en volgens het antwoord van de boedelnotaris op de beweringen en zwarigheden van 27 juni 2000 verschuldigd zijn vanaf 11 juni 1991, zijnde de dag van de ontbinding van het stelsel, op de volgende gronden : "Een eerste betwisting betreft de verbouwings- en verbeteringswerken, alsook de oprichting van een complex van garageboxen en een loods. Al deze werken werden verricht op een woonhuis met achtergrond, gelegen te Temse, Vrijheidsstraat
- Het wordt niet betwist dat het om een eigen goed van eiser gaat. Het wordt evenmin betwist dat de verbouwingen, verbeteringen en opstallen ten gevolge van het recht van natrekking eveneens in het eigen vermogen van eiser vallen (art. 1400-1°, B. W.). De stelling van eiser is dat ingevolge het recht van natrekking er geen vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen voor de verwerving van de garageboxen en de verbouwings- en verbeteringswerken. Het hof van beroep verwerpt, met de boedelnotaris en de eerste rechter, deze stelling. Het staat immers eveneens vast dat alle verbouwingen en verbeteringen werden uitgevoerd tijdens het bestaan van de huwgemeenschap en dat activa van het gemeenschappelijk vermogen werden aangewend om deze goederen te verwerven, te verbeteren en te verbouwen (zie de stellingname van de boedelnotaris in zijn advies nopens de beweringen en zwarigheden). Er is derhalve een vergoedingsplicht ingevolge de artikelen 1432 e.v. B.W, die zoals hierboven werd overwogen, terzake van toepassing zijn. Meer bepaald geeft art. 1435 B.W. de criteria aan voor de berekening van het bedrag van de vergoeding. Het hof van beroep beaamt de uiteenzetting van de eerste rechter omtrent deze artikelen. De overwegingen van de eerste rechter worden in conclusies nergens ontzenuwd. Tenslotte herneemt eiser zijn bezwaren met betrekking tot de intresten, zonder evenwel nieuwe argumenten aan te voeren, die de beweegredenen van de eerste rechter kunnen ontzenuwen. Het hof van beroep beaamt terzake de overwegingen van de eerste rechter en maakt ze tot de zijne. Het hof van beroep verwijst ook kortheidshalve naar het advies van de boedelnotaris". Het bestreden arrest steunt zijn beslissing verder op de volgende gronden die door het bestreden arrest uit het vonnis van de eerste rechter werden overgenomen : "Artikel 1435 B.W. bepaalt dat de vergoeding niet kleiner mag zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Hebben de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen echter gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is ; is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed. Artikel 1436 B.W. bepaalt dan dat het recht op vergoeding door alle middelen kan worden bewezen ; de vergoedingen brengen van rechtswege intrest op vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel. c. Het feit dat het onroerend goed te Temse aan de Vrijheidstraat 98, met alle verbeteringen en verbouwingen eraan gebracht tijdens het huwelijk, eigen is aan eiser doet vooreerst geen afbreuk aan het feit dat de vergoedingsrekeningen dienen te worden opgesteld. d. Eiser houdt dan vervolgens voor dat ten onrechte het nieuwe artikel 1432 B.W. zou zijn toegepast en het door hem voorgelegde cassatiearrest van 15 april 1999 zou zijn verworpen geweest. Het door eiser geciteerde cassatiearrest (Cass., 15 april 1999, RW 1999-2000, 848) betrof de problematiek of, indien het recht op vergoeding zijn oorzaak vindt in een rechtshandeling daterend van vóór 28 september 1977 en het huwelijksvermogensstelsel wordt ontbonden na deze datum, het bedrag van de vergoeding diende te worden bepaald overeenkomstig het oude of het nieuwe recht, met andere woorden dient in ieder geval alleen de door het vergoedingsgerechtigde vermogen uitgegeven som vergoed (artikel 1436 - 1437 oud B.W.) of dient desgevallend de waarde van het door het vergoedingsplichtige vermogen verkregen goed of de waardevermeerdering van het in stand gehouden of verbeterd goed te worden vergoed (artikel 1435 nieuw van het Burgerlijk Wetboek). Door het Hof van Cassatie werd dan gesteld dat artikel 1435 B.W. niet kan toegepast worden op een vergoeding die, gelet op de datum van het feit dat aanleiding gaf tot het ontstaan van het recht op vergoeding, vóór 28 september 1977 het karakter verworven heeft van een tot de uitgegeven som beperkte schuldvordering. Deze problematiek is echter alhier niet aan de orde nu de feiten, die kunnen aanleiding geven tot vergoeding dateren van na 28 september 1977 en de partijen geen verklaring tot handhaving van hun oude stelsel hebben afgelegd. e. Het staat vast dat eiser gemeenschapsgelden heeft aangewend ter verkrijging, instandhouding en verbetering van zijn eigen onroerend goed gelegen aan de Vrijheidstraat te Temse met inbegrip van het oprichten van een aantal garageboxen en een loods. Er wordt trouwens geen enkel bewijs geleverd door eiser dat deze verkrijging, instandhouding en verbetering van dit eigen onroerend goed met eigen gelden zou zijn betaald. Hij is derhalve vergoeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen. De bemerking dat de garageboxen zouden zijn betaald geweest met huuropbrengsten is als dusdanig niet relevant nu deze huuropbrengsten overeenkomstig artikel 1405, lid 2, B.W. hoe dan ook gemeenschappelijk waren. Of de garageboxen dan al dan niet werden gebouwd door eiser alleen is evenmin relevant gezien artikel 1435 B.W. - zoals hoger aangehaald - dan duidelijk bepaalt op welke wijze het bedrag van de vergoedingen dient te worden bepaald. De door partijen aangestelde deskundige heeft het bedrag van de vergoeding voor garageboxen en loods oordeelkundig geschat en A.P.G. brengt geen stukken of te weerhouden argumenten voor die zouden nopen tot het aannemen van een andere berekening. Het standpunt van de boedelnotaris dient dan ook te worden beaamd. Eiser houdt voor dat volgens een geldende rechtspraak de intresten niet worden toegekend en dat de zaak enorm zou zijn vertraagd door een abnormale afhandeling van het dossier bij de notaris en de expert. Artikel 1436 B.W. stelt dat de vergoedingen van rechtswege intrest opbrengen vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel. Door het Hof van Cassatie werd dienaangaande gesteld (Cass., 26 november 1993, RW 1993-1994) : '(...) dat het arrest vaststelt dat eiseres nastreeft voor recht te horen zeggen dat (verweerder) intresten verschuldigd is op de door hem uitbetaalde gelden vanaf de dag van de ontbinding van het huwelijksstelsel zijnde de dag van indiening van het verzoek tot echtscheiding, namelijk 23 april 1986' en 'dat de betwistingen tussen de partijen zich beperken tot twee punten, namelijk : (...) de intresten op de vorderingen van partijen op elkaar, resulterend uit het saldo van de vergoedingsrekeningen' ; '(...) dat krachtens het te dezen toepasselijke artikel 1436 van het Burgerlijk Wetboek de vergoedingen bij de vereffening van het gemeenschappelijk vermogen van rechtswege intrest opbrengen vanaf de ontbinding van het stelsel ; (...) dat het arrest, dat met bevestiging van het beroepen vonnis voor recht zegt dat op de door verweerster aan de gemeenschap verschuldigde vergoeding intrest verschuldigd is vanaf de datum van vereffening en verdeling, het te dezen toepasselijke artikel 1436 van het Burgerlijk Wetboek schendt". Het blijkt anderzijds niet dat de zaak bij de notaris en bij de aangestelde expert een abnormale vertraging zouden hebben gekend aan hun toedoen te wijten. Het standpunt van de boedelnotaris dient dan ook te worden beaamd wat betreft de aanvangsdatum van de intresten, zij het dat tot een herberekening zal dienen te worden overgegaan in functie van hetgeen hiervoren werd gesteld aangaande de omvang van de vergoedingen. Grieven
- Eerste onderdeel Volgens het artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen. Volgens het artikel 1436, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek brengen die vergoedingen van rechtswege intrest op vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel, hetgeen ten aanzien van de echtgenoten ingevolge artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek terugwerkt tot op de dag waarop de vordering tot echtscheiding is ingesteld. Wanneer de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend hebben tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding niet gelijk zijn aan die bedragen of gelden maar dan zal de vergoeding ingevolge artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is. Het bedrag van deze waardeschuld is echter niet gekend op de dag waarop de vordering tot echtscheiding wordt ingesteld. Het bedrag van deze waardeschuld wordt pas bepaald op het ogenblik van de vereffening zodat de vergoeding voor deze geherwaardeerde schuld geen intrest kan opbrengen vanaf de ontbinding van het stelsel maar vanaf de vereffening ervan vermits de vergoedingsplichtige echtgenoot pas vanaf dat ogenblik verplicht is een bepaalde numerieke geldsom te betalen en vermits het bedrag van die vergoeding pas vanaf dat ogenblik gekend is. Het bestreden arrest heeft dan ook ten onrechte het standpunt van de boedelnotaris wat betreft de aanvangsdatum van de intresten beaamd door die intresten toe te kennen vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel op de vergoeding die eiser verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen ingevolge artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek voor de gemeenschapsgelden die hij heeft aangewend ter verkrijging, instandhouding en verbetering van zijn eigen onroerend goed gelegen aan Vrijheidstraat te Temse met inbegrip van het oprichten van garageboxen en een loods (schending van de artikelen 1435 en 1436, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek).
- Tweede onderdeel Elk der echtgenoten is krachtens artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen. Deze vergoedingen brengen ingevolge artikel 1436, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek van rechtswege intrest op vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel die met toepassing van artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek ten aanzien van de echtgenoten terugwerkt tot op de dag waarop de vordering tot echtscheiding is ingesteld. Hebben de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen gelden echter gediend tot het verkrijgen van een goed, dan zal de vergoeding krachtens artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is. Wanneer de echtgenoot die ingevolge artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek een geherwaardeerde vergoeding verschuldigd is, ingevolge het artikel 1436, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek op die geherwaardeerde vergoeding intrest verschuldigd is vanaf de ontbinding zoals de echtgenoot die ingevolge artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek een niet geherwaardeerde vergoeding verschuldigd is, dan doet artikel 1436, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek een niet gerechtvaardigde discriminatie ontstaan tussen de echtgenoot die vergoeding verschuldigd is ingevolge artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek en de echtgenoot die vergoeding verschuldigd is ingevolge artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek wat betreft de aanvangsdatum van de intresten die op de respectievelijke vergoedingen verschuldigd zijn. De beide echtgenoten bevinden zich ten aanzien van artikel 1436, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek immers in een wezenlijk verschillende situatie nu de ene echtgenoot een geherwaardeerde vergoeding verschuldigd is en de andere niet en nu er geen redelijke verantwoording bestaat om de intresten op de geherwaardeerde vergoeding en de intresten op de niet geherwaardeerde vergoeding vanaf dezelfde datum te doen ingaan, nl. vanaf de ontbinding van het stelsel vermits het numeriek bedrag van de geherwaardeerde vergoeding verschuldigd ingevolge artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek pas gekend is bij de vereffening terwijl de numerieke vergoeding verschuldigd ingevolge artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek reeds gekend is bij de ontbinding en vermits het uitstel van betaling van de vergoeding verschuldigd ingevolge artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek reeds gedeeltelijk vergoed wordt door de herwaardering van die vergoeding zodat er geen reden is om ook op die vergoeding intresten te doen lopen vanaf de datum van de ontbinding van het stelsel zoals dit het geval is voor de intrest op de niet geherwaardeerde vergoeding (schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet). In ieder geval dient de volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Arbitragehof : schendt het artikel 1436, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het vertrekpunt van de intresten voor de geherwaardeerde vergoeding verschuldigd ingevolge artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek en het vertrekpunt van de intresten voor de niet geherwaardeerde vergoeding verschuldigd ingevolge artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek, lopen vanaf dezelfde datum, nl. vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel dan wanneer de echtgenoot die vergoeding verschuldigd is ingevolge artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek en de echtgenoot die vergoeding verschuldigd is ingevolge artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek zich in een wezenlijk verschillende situatie bevinden vermits de ene een geherwaardeerde vergoeding verschuldigd is en de andere niet ( toepassing van art. 26, ,§1, 3°, en ,§2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof). IV. Beslissing van het Hof
- Eerste onderdeel Overwegende dat artikel 1427 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het wettelijk stelsel door de echtscheiding wordt ontbonden ; Dat artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd is tot beloop van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen ; Dat artikel 1435 van dit wetboek bepaalt dat de vergoeding niet kleiner mag zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen ; Dat dit artikel ook bepaalt dat in het geval dat de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden gediend hebben tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, de vergoeding gelijk zal zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel, indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is ; Dat krachtens artikel 1436, tweede lid, van datzelfde wetboek, de vergoedingen van rechtswege interest opbrengen vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel ; Dat uit de samenhang van die wettelijke bepalingen volgt dat de vergoedingsverplichting ontstaat bij de ontbinding van het wettelijk stelsel en dat vanaf dan de rente verschuldigd is ; Dat daarmee niet strijdig is dat die schuld slechts later bij de vereffening en verdeling wordt vastgesteld en begroot ; Overwegende dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat de vergoedingsverplichting slechts ontstaat bij de vereffening en verdeling faalt naar recht ;
- Tweede onderdeel Overwegende dat artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek, zoals aangehaald in het antwoord op het eerste onderdeel, een vergoeding en niet een geherwaardeerde vergoeding bepaalt ; Dat de in dit artikel 1435 bepaalde waarde of waardevermeerdering van het goed wordt bepaald, naargelang het geval, volgens de waarde of de meerwaarde van het goed op het ogenblik van de ontbinding van het wettelijk stelsel of op het ogenblik dat het goed werd vervreemd ; Dat artikel 1436, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zonder onderscheid of de vergoeding verschuldigd is overeenkomstig artikel 1432 of artikel 1435 van dit wetboek, bepaalt dat de vergoedingen van rechtswege interest opbrengen vanaf de dag van het ontbinding van het stelsel ; Dat dit artikel 1436, tweede lid, geen zelfde regeling bepaalt voor een gewezen echtgenoot die een vergoeding en een gewezen echtgenoot die een geherwaardeerde vergoeding verschuldigd is ; Dat dit artikel aldus, anders dan het onderdeel aanvoert, geen gelijke regeling inhoudt voor wezenlijk verschillende situaties ; Dat het onderdeel de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de gevorderde prejudiciële vraagstelling laat steunen op de grief dat artikel 1436, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek een gelijke regeling inhoudt voor wezenlijk verschillende situaties ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van vierhonderd negenentachtig euro veertien cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoozitter Waûters, de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van zes mei tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050506.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931126.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div