id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050506.6 Rolnummer: C.03.0402.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-06-15 Raadplegingen: 546 - laatst gezien 2026-07-03 22:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De dwangsom wordt niet verbeurd gedurende de tijd dat wegens het instellen van een rechtsmiddel de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling is geschorst
(1).
(1)Cass., 28 maart 2003, AR C.02.0248.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.5, nr 215, en de conclusie van adv.-gen. m.o. THIJS. Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: DWANGSOM Verbeuring Hoofdveroordeling Rechtsmiddel Schorsing van de gedwongen tenuitvoerlegging Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1385bis,de Fiche 2 Indien in strafzaken een cassatieberoep is ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep dat een dwangsom oplegt, kan de dwangsom slechts worden verbeurd vanaf de betekening aan de schuldenaar van het arrest dat het cassatieberoep verwerpt
(1).
(1)Cass., 28 maart 2003, AR C.02.0248.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.5, nr 215, en de conclusie van adv.-gen. m.o. THIJS. Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: DWANGSOM Verbeuring Uitspraak die de dwangsom vaststelt Cassatieberoep Verwerping Betekening aan schuldenaar Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1385bis,de Tekst van de beslissing Nr. C.03.0402.N V.P. eiser, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR VOOR HET GRONDGEBIED VAN DE PROVINCIE OOST-VLAANDEREN, in naam van het Vlaams Gewest, met kantoor te 9000 Gent, Gebroeders Van Eyckstraat 2-6, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 april 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Feiten Uit het bestreden arrest blijkt het volgende :
- bij vonnis van 26 februari 1997 van de Correctionele Rechtbank te Gent wordt eiser veroordeeld wegens een stedenbouwkundige overtreding tot herstel van een pand in de vorige staat binnen een termijn van zes maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis en tot betaling van een dwangsom van 5.000 BEF per dag vertraging voor het geval dat de veroordeling niet volledig wordt uitgevoerd ;
- bij arrest van 21 januari 2000 bevestigt het Hof van Beroep te Gent het beroepen vonnis met dien verstande dat de termijn waarbinnen het herstel moet plaatsvinden een aanvang neemt vanaf de datum waarop het arrest kracht van gewijsde zal hebben ;
- tegen dit arrest wordt cassatieberoep ingesteld, dat door het Hof wordt verworpen bij arrest van 8 januari 2002 ;
- op 31 juli 2002 laat verweerder het vermelde arrest van het Hof van Beroep te Gent betekenen, zonder dat het vermelde cassatiearrest mee wordt betekend. IV. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 1385bis, derde en vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek ; de artikelen 203, ,§3, en 373 van het Wetboek van Strafvordering. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het door verweerder ingestelde hoger beroep gedeeltelijk gegrond en zegt voor recht dat de termijn voor vrijwillige uitvoering van de hoofdveroordeling een aanvang nam op 9 januari 2002, en dat de dwangsom ten vroegste kon verbeurd worden vanaf de datum van betekening, hetzij vanaf 31 juli 2002, tot 20 december 2002, op grond van de volgende overwegingen : "2.
- Het vonnis van 26 februari 1997 van de Correctionele Rechtbank te Gent werd wat de veroordeling van herstel en de betaling van een dwangsom betreft bevestigd bij arrest van 21 januari 2000 van het Hof van Beroep te Gent, met dien verstande weliswaar dat er wijzigingen aan het bestreden vonnis werden aangebracht in de formulering van de tenlastelegging en van de herstelmaatregel, en dat (eiser), wegens de op strafrechtelijk vlak bewezen gebleven bouwovertreding, door de appèlrechter op burgerlijk gebied veroordeeld werd tot het herstel van de plaats in de vorige staat binnen een termijn van zes maanden na het in kracht van gewijsde treden van het arrest. Naar oordeel van het (hof van beroep) moet het arrest van 21 januari 2000, gelet op de voornoemde wijzigingen en wegens de verknochtheid van de strafrechtelijke veroordeling met het burgerlijk herstel, waaraan de dwangsom is verbonden, als constitutief worden beschouwd, zodat het hof van beroep dient te worden beschouwd als de rechter die de kwestieuze dwangsom heeft opgelegd. Hieruit vloeit voort dat het vonnis op 26 februari 1997 uitgesproken door de correctionele rechter te Gent niet op 31 juli 2002 hoorde te worden mee betekend aan (eiser) samen met het arrest op 21 januari 2000 in hoger beroep uitgesproken door het Hof van Beroep te Gent. Door de betekening van voornoemd arrest werd immers onmiskenbaar voldaan aan de vereiste van betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom werd vastgesteld. De omstandigheid dat in het ten uitvoer gelegde arrest van 21 januari 2000 het beschikkende gedeelte van het eerste vonnis integraal wordt overgenomen is trouwens allesbehalve van aard om anders te beslissen. 2.
- Met betrekking tot het niet mee betekenen van het arrest van het Hof van Cassatie welke de voorziening in cassatie van (eiser) op 8 januari 2002 heeft afgewezen (hetgeen als dusdanig niet wordt betwist), merkt (eiser) uiteraard terecht op dat de loutere 'attestatie' in die zin op het betekend arrest van het Hof van Beroep te Gent van 21 januari 2000, de betekening van het cassatiearrest zelf niet kon vervangen. Nochtans betekent zulks niet dat die betekening ook vereist was. Aangezien een cassatieberoep in strafzaken schorsend werkt, kan een dwangsom opgelegd door de strafrechter niet verbeuren wanneer tegen die beslissing cassatieberoep wordt ingesteld. Waar de tenuitvoerlegging van het in hoger beroep uitgesproken arrest gedurende het verloop van de cassatieprocedure geschorst blijft, treedt het echter onmiddellijk in kracht van gewijsde wanneer het cassatieberoep verworpen wordt en wordt het zonder meer uitvoerbaar zonder dat betekening van het verwerpingarrest verreist is. Betekening die trouwens niet wordt opgelegd door art. 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien het Hof van Cassatie in geen geval kan worden beschouwd als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd in de zin van voormeld wetsartikel. Andersluidende rechtspraak en rechtsleer valt dan ook niet bij te treden.
- Bij arrest van 25 juni 2002 heeft het Benelux Gerechtshof beslist dat de termijn die een strafrechter toekent voor de uitvoering van een hoofdveroordeling tot herstel van de plaats in de vorige staat en de termijn gedurende welke volgens de bepaling van de rechter de opgelegde dwangsom niet is verbeurd van verschillende aard en strekking zijn, en dat de termijn die de dwangsomrechter heeft verleend om de hoofdveroordeling uit te voeren geen termijn uitmaakt in de zin van art. 1, lid 4, van de Eenvormige Wet welke voorziet dat de rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de opgelegde dwangsom zal kunnen verbeuren. Het art. 149, ,§1, 5e lid, DORO luidt als volgt : '... De rechtbank bepaalt voor de uitvoering van de herstelmaatregelen een termijn die één jaar niet mag overschrijden en na het verstrijken van deze termijn van uitvoering, op vordering van de stedenbouwkundige inspecteur of van het college van burgemeester of schepenen, een dwangsom per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregel. De eerste rechter kan dan ook niet worden gevolgd waar hij overwoog dat de dwangsomrechter te dezen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een termijn te bepalen, in de zin van art. 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek, waarbinnen (eiser) beschikte over zes maanden, vanaf het in kracht van gewijsde treden van het arrest, om het herstel vrijwillig uit te voeren ...'. Er mag immers niet uit het oog worden verloren dat het Hof van Beroep te Gent door, overeenkomstig art. 149, ,§1, 5e lid, DORO, een termijn van zes maanden toe te kennen waarbinnen (eiser) de gelegenheid had om, na het in kracht van gewijsde gaan van het arrest van 21 januari 2000, de opgelegde herstelmaatregel vrijwillig uit te voeren, in het licht van een zinvolle interpretatie van voornoemde rechtspraak van het Benelux Gerechtshof, niet zonder meer de bedoeling kan worden toegeschreven om een termijn te hebben bepaald waarbinnen, na de betekening van de rechterlijke beslissing, geen dwangsom kon verbeuren. Integendeel zelfs, want de redengeving van het kwestieus arrest van Benelux Gerechtshof sluit elke koppeling uit tussen het verbeuren van de dwangsom en de termijn bepaald voor de vrijwillige uitvoering van de hoofdveroordeling. In de gegeven omstandigheden moet worden besloten, aangezien dwangsommen slechts kunnen verbeuren vanaf de datum van betekening van de uitspraak waarbij ze werden vastgesteld, dat er te dezen in beginsel dwangsommen konden verbeuren vanaf 31 juli 2002". Grieven
- Eerste onderdeel Luidens artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, lid 3, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, kan de dwangsom niet worden verbeurd v&§972;&§972;r de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld. De betekening heeft, enerzijds, tot doel te voorkomen dat de dwangsom zou worden verbeurd ten gevolge van een aan de debiteur onbekende uitspraak en, anderzijds, tot doel aan de zijde van de schuldenaar iedere twijfel weg te nemen over het feit dat de schuldeiser aanspraak maakt op de nakoming van de hoofdveroordeling. Zoals blijkt uit het arrest in de zaak A 96/1 van het Benelux Gerechtshof van 12 mei 1997, wordt de dwangsom niet verbeurd gedurende de tijd dat wegens het instellen van een rechtsmiddel de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling is geschorst. Overeenkomstig artikel 203, ,§3, van het Wetboek van Strafvordering is de tenuitvoerlegging van een vonnis van de correctionele rechtbank geschorst indien er hoger beroep is ingesteld. Uit het bovenstaande volgt dat, in strafzaken, indien hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis van de correctionele rechtbank dat een dwangsom oplegt, en het vonnis van de eerste rechter in hoger beroep bevestigd wordt, de dwangsom pas kan worden verbeurd vanaf de betekening aan de schuldenaar van de bevestigde uitspraak samen met de uitspraak in hoger beroep. De betekening van de bevestigde uitspraak is immers noodzakelijk opdat de schuldenaar de precieze omvang van de veroordeling zou kennen, terwijl de betekening van de uitspraak in hoger beroep noodzakelijk is om aan de veroordeelde te doen blijken dat naar het oordeel van de schuldeiser aan de eisen voor de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling is voldaan. De appèlrechter stelt vast dat eiser bij vonnis van 26 februari 1997 van de Correctionele Rechtbank te Gent veroordeeld werd tot het betalen van een dwangsom van 5.000 BEF per dag vertraging voor het geval dat de veroordeling tot herstel zoals bepaald niet volledig werd uitgevoerd en dat dit vonnis werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent bij arrest van 21 januari
- Uit de vaststellingen van de appèlrechter blijkt nog dat enkel het arrest van 21 januari 2000 van het Hof van Beroep te Gent aan eiser betekend werd. Door te beslissen dat de dwangsom kan worden verbeurd vanaf de datum van betekening van het arrest van 21 januari 2000 van het Hof van Beroep te Gent, hoewel het vonnis van 26 februari 1997 van de Correctionele Rechtbank te Gent waarin de dwangsom werd opgelegd, en dat met betrekking tot de veroordeling tot betaling van de dwangsom door het Hof van Beroep te Gent louter bevestigd werd, niet aan eiser betekend werd, schendt de appèlrechter de artikelen 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en 203, ,§3, van het Wetboek van Strafvordering.
- Tweede onderdeel Luidens artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, lid 3, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, kan de dwangsom niet worden verbeurd v&§972;&§972;r de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld. De betekening strekt er mede toe aan de veroordeelde te doen blijken dat naar het oordeel van de schuldeiser aan de eisen voor de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling is voldaan. Zoals blijkt uit het arrest in de zaak A96/1 van het Benelux Gerechtshof van 12 mei 1997, wordt de dwangsom niet verbeurd gedurende de tijd dat wegens het instellen van een rechtsmiddel de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling is geschorst. Overeenkomstig artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering is de tenuitvoerlegging van een arrest van het hof van beroep geschorst indien er cassatieberoep is ingesteld. Uit het bovenstaande volgt dat, in strafzaken, indien een cassatieberoep is ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep dat een dwangsom oplegt, de dwangsom pas kan worden verbeurd vanaf de betekening aan de schuldenaar van het arrest dat het cassatieberoep verwerpt. De appèlrechter stelt vast dat eiser bij vonnis van 26 februari 1997 van de Correctionele Rechtbank te Gent veroordeeld werd tot het betalen van een dwangsom van 5.000 BEF per dag vertraging voor het geval dat de veroordeling tot herstel zoals bepaald niet volledig werd uitgevoerd, dat dit vonnis werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent bij arrest van 21 januari 2000 en dat het door eiser ingestelde cassatieberoep werd verworpen bij arrest van het Hof van 8 januari
- Uit de vaststellingen van de appèlrechter blijkt nog dat enkel het arrest van 21 januari 2000 van het Hof van Beroep te Gent aan eiser werd betekend. De appèlrechter beslist dat de dwangsom kan worden verbeurd hoewel het arrest van het Hof van 8 januari 2002, dat het door eiser tegen het arrest van 21 januari 2000 ingestelde cassatieberoep verwerpt, niet aan eiser werd betekend. Aldus schendt de appèlrechter de artikelen 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en 373 van het Wetboek van Strafvordering.
- Derde onderdeel Luidens artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, lid 3, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, kan de dwangsom niet worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld. Luidens het vierde lid van dit artikel, dat overeenstemt met artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, kan de rechter bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren. De termijn die de rechter toekent voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, en de termijn gedurende dewelke volgens de beslissing van de rechter de dwangsom niet is verbeurd, zijn van verschillende juridische aard en strekking. De eerst vermelde termijn is bedoeld om aan de schuldenaar de gelegenheid te geven de tegen hem uitgesproken veroordeling na te komen. De termijn als bedoeld in artikel, lid 4, van de Eenvormige Wet, strekt ertoe de schuldenaar nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom tot gevolg heeft. Zoals blijkt uit het arrest in de zaak A 2000/3 van 25 juni 2002 van het Benelux Gerechtshof, heeft de betekening tot doel ter kennis van de schuldenaar te brengen dat de schuldeiser nakoming van de rechterlijke uitspraak verlangt en dat de schuldenaar mitsdien ook ervan op de hoogte gesteld moet worden dat de dwangsomrechter hem nog een bepaalde termijn heeft gegund om aan de veroordeling te voldoen voordat een dwangsom wordt verbeurd. Daaruit volgt dat de termijn als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet pas ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald. Hieruit volgt dat wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn, deze termijn wat de dwangsom betreft, de strekking heeft aan de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft. Deze termijn dient, wat de dwangsom betreft, beschouwd te worden als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en gaat derhalve pas in op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald. Terzake blijkt uit de vaststellingen van de appèlrechter dat :
- eiser bij vonnis van 26 februari 1997 veroordeeld werd door de Correctionele Rechtbank te Gent wegens een stedenbouwmisdrijf en tot herstel in de vorige staat van een pand "binnen een termijn van zes maanden na het in kracht van gewijsde gaan van onderhavig vonnis" en tot het betalen van een dwangsom van 5.000 BEF per dag vertraging voor het geval dat de veroordeling tot herstel zoals bepaald niet volledig werd uitgevoerd ;
- dit vonnis werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent bij arrest van 21 januari 2000, met dien verstande dat de termijn binnen dewelke tot het herstel in de vorige staat diende te worden overgegaan een aanvang zal nemen vanaf de dag waarop het arrest kracht van gewijsde zal hebben ;
- het cassatieberoep dat door eiser tegen dit arrest werd ingesteld, door het Hof werd verworpen bij arrest van 8 januari 2002 ;
- het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 21 januari 2000 bij exploot van 31 juli 2002 aan eiser betekend werd met bevel tot betalen van de dwangsommen verbeurd vanaf 31 juli
- De appèlrechter beslist dat in die omstandigheden de termijn voor vrijwillige uitvoering van de hoofdveroordeling een aanvang nam op 9 januari 2002 en dat de dwangsom ten vroegste kon verbeurd worden vanaf de datum van betekening, hetzij vanaf 31 juli
- Uit de hierboven weergegeven vaststellingen van de appèlrechter blijkt dat de dwangsomrechter een termijn van zes maanden bepaalde voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en besliste dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn. Deze termijn heeft, wat de dwangsom betreft, de strekking aan de veroordeelde nog enige tijd te geven om de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft en dient derhalve beschouwd te worden als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Deze termijn begon dan ook pas te lopen vanaf de betekening van het arrest, met name vanaf 31 juli 2002, zodat de dwangsommen pas konden verbeurd worden vanaf 1 februari
- Hieruit volgt dat de appèlrechter niet zonder schending van artikel 1385bis, derde en vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek kon beslissen dat de dwangsommen konden verbeurd worden vanaf de datum van de betekening van het arrest en met name vanaf 31 juli
- V. Beslissing van het Hof
- Tweede onderdeel Overwegende dat, luidens artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, lid 3, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, de dwangsom niet kan worden verbeurd v&§972;&§972;r de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld ; Overwegende dat, zoals blijkt uit de arresten van het Benelux Gerechtshof in de zaken A 84/3 van 5 juli 1985 en A96/1 van het Benelux Gerechtshof van 12 mei 1997, de dwangsom niet wordt verbeurd gedurende de tijd dat wegens het instellen van een rechtsmiddel de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling is geschorst ; Dat een dwangsom slechts verschuldigd is indien de hoofdveroordeling waaraan zij is verbonden, niet wordt nagekomen, waarvan eerst sprake kan zijn wanneer de hoofdveroordeling uitvoerbaar is geworden, met andere woorden wanneer het vonnis of arrest waarin deze is vervat uitvoerbaar is geworden ; Dat het vermelde betekeningsvereiste ertoe strekt aan de schuldenaar ter kennis te brengen dat de schuldeiser nakoming van de in de rechterlijke uitspraak vervatte hoofdveroordeling verlangt, hetgeen onderstelt dat voldaan is aan alle voorwaarden die zijn gesteld aan de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling ; Overwegende dat hieruit volgt dat, mede gelet op het belang van beide partijen dat ter zake zo min mogelijk onzekerheden bestaan en geschillen zoveel mogelijk worden voorkomen, de betekening mede ertoe strekt aan de veroordeelde te doen blijken dat naar het oordeel van de schuldeiser aan de eisen voor de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling is voldaan ; Overwegende dat overeenkomstig artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering, de tenuitvoerlegging van een arrest van het hof van beroep is geschorst indien er een cassatieberoep is ingesteld ; Dat hieruit volgt dat, in strafzaken, indien een cassatieberoep is ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep dat een dwangsom oplegt, de dwangsom slechts kan worden verbeurd vanaf de betekening aan de schuldenaar van het arrest dat het cassatieberoep verwerpt ; Overwegende dat zulks voldoende blijkt uit de vermelde arresten van het Benelux Gerechtshof zodat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent deze oplossing en dienaangaande geen vraag van uitleg in de zin van artikel 6 van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux Gerechtshof moet worden gesteld ; Overwegende dat de appèlrechters door te oordelen dat "waar de tenuitvoerlegging van het in hoger beroep uitgesproken arrest gedurende het verloop van de cassatieprocedure geschorst blijft, het echter onmiddellijk in kracht van gewijsde (treedt) wanneer het cassatieberoep (wordt) verworpen en het zonder meer uitvoerbaar (wordt) zonder dat betekening van het verwerpingsarrest vereist is" en dat "(die) betekening trouwens niet wordt opgelegd door artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien het Hof van Cassatie in geen geval kan worden beschouwd als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd in de zin van voormeld wetsartikel", de vermelde wetsbepalingen schenden ; Dat het onderdeel gegrond is ;
- Overige grieven Overwegende dat de overige grieven niet tot een ruimere cassatie kunnen leiden ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre de appèlrechters het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk verklaren ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van zes mei tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050506.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091224.5 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091224.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div