id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050509.23 Rolnummer: S.04.0183.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-06-15 Raadplegingen: 693 - laatst gezien 2026-07-04 14:10 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter beoordeelt onaantastbaar de feitelijke gegevens op grond waarvan hij het aangewezen acht deskundigen wel dan niet aan te stellen ter oplossing van het voor hem gebracht geschil; noch de bepalingen van de samengeordende wetten van 19 december 1939 noch enige andere toepasselijke wetsbepaling wijken af van die bepaling van het Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: DESKUNDIGENONDERZOEK Gezinsbijslag. Werknemers Verhoogde bijslag Gehandicapt kind Ongeschiktheid Gerechtsdeskundige Rechter Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet - 19-12-1939 - Art.962 Thesaurus CAS: GEZINSBIJSLAG - WERKNEMERS Vrije woorden: GEZINSBIJSLAG - WERKNEMERS Verhoogde bijslag Gehandicapt kind Ongeschiktheid Deskundigenonderzoek Rechter Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet - 19-12-1939 - Art.962 Tekst van de beslissing Nr. S.04.0183.N.- E.R., eiseres, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van 1 december 2004, nr. G.04.0139.N, vertegenwoordigd door Mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen KINDERBIJSLAGFONDS PARTENA, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 1000 Brussel, Kartuizerstraat 45, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 september 2004 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek ; - artikel 47, ,§1, van het koninklijk besluit van 19 december 1939 tot samenvatting van de wet van 4 augustus 1930 betreffende de kindertoeslagen voor de loonarbeiders, en de koninklijke besluiten krachtens een latere wetgevende delegatie genomen, zoals laatst vervangen bij artikel 77 van de wet van 29 december 1990 en gewijzigd bij artikel 14 van het koninklijk besluit van 11 december 2001, bekrachtigd met ingang van de dag van zijn inwerkingtreding op 1 januari 2002 bij wet van 26 juni 2002 ; - de artikelen 2, 3 en 4, van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verwerpt de vordering uitgaande van eiseres voor verhoogde kinderbijslag voor haar zoon M. op grond van de volgende overwegingen : "Artikel 47 van het koninklijk besluit van 19 december 1939 tot samenvatting van de wet van 4 augustus 1930 betreffende de kindertoeslagen voor loonarbeiders en de koninklijke besluiten krachtens een latere wetgevende delegatie genomen, bepaalt dat de bedragen van de gezinsbijslag, volgens de graad van zelfredzaamheid van het kind, verhoogd worden met een bijslag voor elk gehandicapt kind van minder dan 21 jaar dat getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct.. (Eiseres) beoogt deze bijslag te bekomen met ingang van 1 november 1993 voor haar zoon M., geboren op 17 november
- Voor de eerste rechter beperkte (eiseres) zich tot het voorbrengen van een medisch getuigschrift van Dr. L., dat zich echter niet uitliet over het percentage van ongeschiktheid. Andere attesten konden blijkbaar niet worden geleverd. De eerste rechter achtte het dan ook, terecht, niet aangewezen om op basis van zodanige summiere gegevens een geneesheer-deskundige aan te stellen. In graad van hoger beroep laat (eiseres) nog steeds na bijkomende medische getuigschriften, of welk bewijsstuk dan ook, voor te brengen waaruit een ongeschiktheid van meer dan 66 pct. zou kunnen afgeleid worden. Er bestaat dan ook geen aanleiding toe om in te gaan op de vraag van (eiseres) om een geneesheer-deskundige aan te stellen. Het hoger beroep is ongegrond" (aangevochten arrest pagina 3). Grieven In casu was de rechter gevat van een geschil nopens het recht op een verhoogde kinderbijslag. Krachtens artikel 47, ,§1, 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1939 tot samenvatting van de wet van 4 augustus 1930 betreffende de kindertoeslagen voor de loonarbeiders, en de koninklijke besluiten krachtens een latere wetgevende delegatie genomen (hierna afgekort : "de gecoördineerde Kinderbijslagwet"), worden de bij artikel 40 van diezelfde wet voorziene bijslagen verhoogd met bepaalde bedragen voor elk gehandicapt kind van minder dan 21 jaar dat getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct.. De zelfredzaamheid van het kind wordt geëvalueerd door vergelijking met een kind van dezelfde leeftijd dat niet gehandicapt is (artikel 47, ,§1, tweede lid, van de gecoördineerde Kinderbijslagwet). In uitvoering van artikel 47, ,§1, vierde lid, van de gecoördineerde Kinderbijslagwet werd bij koninklijk besluit van 3 mei 1991 bepaald hoe de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind zoals bedoeld in artikel 47 moet worden vastgesteld (artikel 2 van dit koninklijk besluit) en hoe de graad van zelfredzaamheid van dit kind wordt gemeten (artikel 3 van ditzelfde koninklijk besluit). Hoewel de feitenrechter, overeenkomstig artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek, in beginsel, vrij oordeelt of over de vraag of een gerechtsdeskundige moet aangesteld worden, moet de evaluatie van een handicap bij het onderzoek tot toekenning van een verhoogde kinderbijslag echter gebeuren aan de hand van de wettelijke criteria zoals vastgelegd bij voormeld koninklijk besluit van 3 mei 1991, meer bepaald aan de hand van de Officiële (Belgische) Schaal tot vaststelling van de graad van invaliditeit en aan de hand van de lijst van de aandoeningen, gevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1991, waarin een limitatieve opsomming voorkomt van aandoeningen die specifiek zijn voor of vaak voorkomen bij kinderen. Uit de vaststellingen van het aangevochten arrest blijkt dat eiseres, ter staving van haar vordering, een medisch attest had voorgelegd op grond waarvan zij liet gelden dat haar zoon ernstige medische problemen vertoonde waaruit, volgens eiseres, een graad van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. kon worden afgeleid en, ondergeschikt, voorzover het arbeidshof zou oordelen dat hiermee het bewijs van die graad van ongeschiktheid niet geleverd was, de aanstelling van een deskundige noodzakelijk was om na te gaan of haar kind al dan niet de wettelijke graad van ongeschiktheid vertoonde. De wettelijke bepalingen op het gebied van de toekenning van de verhoogde kinderbijslag vereisen geenszins dat de verzoeker die verhaal instelt tegen de beslissing waarbij zijn recht geweigerd werd, een begin van bewijs zou voorleggen door middel van een medisch attest dat uitdrukkelijk gewag maakt van een graad van 66 pct. ongeschiktheid, opdat de rechter een deskundigenonderzoek nopens de gegrondheid van de aanspraak hierop zou kunnen bevelen. Het aangevochten arrest beperkt zich er toe vast te stellen dat "voor de eerste rechter (...) (eiseres) zich (beperkte) tot het voorbrengen van een medisch getuigschrift van Dr. L., dat zich niet uitliet over het percentage van ongeschiktheid", "dat andere attesten (...) blijkbaar niet (konden) worden geleverd" zodat "de eerste rechter (...) het dan ook, terecht, niet aangewezen (achtte) om op basis van zodanige summiere gegevens een geneesheer-deskundige aan te stellen" en zodat, aangezien "in graad van hoger beroep (...) (eiseres) het nog steeds na(laat) bijkomende medische getuigschriften, of welk bewijsstuk dan ook, voor te brengen waaruit een ongeschiktheid van meer dan 66 pct. zou kunnen afgeleid worden" er dan ook "geen aanleiding toe (bestaat) om in te gaan op de vraag van (eiseres) om een geneesheer-deskundige aan te stellen". Door de vordering van eiseres, die ertoe strekte te horen vaststellen dat haar kind een graad van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid vertoonde die haar recht gaf op de verhoogde kinderbijslag, af te wijzen louter op grond van de overweging dat het doktersattest dat zij voorlegde met betrekking tot hun medische situatie geen melding maakte van een dergelijke graad van ongeschiktheid, (i) zonder de voorgelegde medische gegevens inzake een verminderde graad van zelfredzaamheid, waarvan overigens het bestaan door het arrest niet wordt ontkend, te toetsen aan de wettelijke criteria inzake de bepaling van de graad van ongeschiktheid zoals vooropgesteld in de uitvoeringsbesluiten van de gecoördineerde Kinderbijslagwet en, (ii) zonder na te gaan of de aldus aan de wettelijke criteria getoetste medische gegevens de wettelijke vereiste graad van niet-zelfredzaamheid van 66 pct. bereiken, schendt het aangevochten arrest de artikelen 47, ,§1, van de gecoördineerde Kinderbijslagwet en 2, 3 en 4, van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen. Door de vordering van eiseres af te wijzen zonder aan te geven dat de raadsheren die het aangevochten arrest velden zelf over de technische kennis beschikten om te oordelen omtrent de vraag of de medische gegevens na toetsing aan de wettelijke criteria samen al dan niet de wettelijk vereiste graad van niet zelfredzaamheid bereikten, schendt het aangevochten arrest bovendien artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek. IV. Beslissing van het Hof l. Het middel Overwegende dat het middel ervan uitgaat dat het arrest de vordering van eiseres afwijst, louter op grond van de overweging dat het doktersattest geen melding maakt van een bepaalde graad van ongeschiktheid zonder de wettelijke vereiste toetsing te doen ; Overwegende dat het arrest de vordering verwerpt op grond van de afwezigheid van gelijk welk bewijsstuk ook ; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist ; Overwegende dat, krachtens artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek, de rechter, ter oplossing van een voor hem gebracht geschil of ingeval een geschil werkelijk en dadelijk dreigt te ontstaan, deskundigen kan gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven ; Dat de rechter overeenkomstig dit artikel van het Gerechtelijk Wetboek onaantastbaar de feitelijke gegevens beoordeelt op grond waarvan hij het aangewezen acht deskundigen wel dan niet aan te stellen ter oplossing van het voor hem gebracht geschil ; dat noch de bepalingen van de samengeordende wetten van 19 december 1939 noch enige andere toepasselijke wetsbepaling afwijken van die bepaling van het Gerechtelijk Wetboek ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat eiseres summiere gegevens voorlegt zonder een ongeschiktheidpercentage voor te stellen en oordelen dat er geen gegevens zijn waaruit een ongeschiktheid van meer dan 66 pct. zou kunnen worden afgeleid ; Dat zij door op grond daarvan geen deskundige aan te stellen, geen van de in het middel aangewezen wettelijke bepalingen schenden ; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen ;
- De kosten Overwegende dat, krachtens artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, verweerster in de kosten moet worden veroordeeld ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt verweerster in de kosten; De kosten begroot op de som van nul euro jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd en twee euro vijfenzestig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050509.23 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230425.2N.20 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120615.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211209.1N.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250918.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div