id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050510.3 Rolnummer: P.04.1687.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2005-10-07 Raadplegingen: 164 - laatst gezien 2026-07-03 12:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche De artikelen 108 en 109 van de Slotakte van het Congres van Wenen van 1815, artikel 9, ,§ 1 en 5, artikel 10 van het Belgisch Nederlands Scheidingsverdrag van 19 april 1839, de artikelen 1 en 4 van Rijnvaartakte van 17 oktober 1868, en artikel 356, tweede lid, van het Verdrag van Versailles die de vrijheid van de scheepvaart op de in de akten vermelde binnenwateren waarborgen staan niet eraan in de weg dat een verdragsstaat sociale wetgeving of wetgeving voor tewerkstelling aan boord van de binnenschepen waarop zijn nationale recht toepasselijk is, invoert daar dit aangelegenheden zijn die vreemd zijn aan de vrijheid van de binnenvaart en, inzonderheid, geen afbreuk doen aan de vrijheid van scheepvaart van schepen en bemanningen. Thesaurus CAS: SCHIP. SCHEEPVAART Vrije woorden: SCHIP. SCHEEPVAART Vrijheid van scheepvaart en bemanningen Binnenscheepvaart Sociale wetgeving of wetgeving voor tewerkstelling aan boord van binnenschepen Nationaal recht Tekst van de beslissing Nr. P.04.1687.N D F C, eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Marc De Decker, advocaat bij de balie te Antwerpen. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 18 november 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen
- Eerste middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat, anders dan het onderdeel aanvoert, de artikelen 108 en 109 van de Slotakte van het Congres van Wenen van 1815, artikel 9, ,§ 1 en 5, artikel 10 van het Belgisch Nederlands Scheidingsverdrag van 19 april 1839, de artikelen 1 en 4 van de Rijnvaartakte van 17 oktober 1868, en artikel 356, tweede lid, van het Verdrag van Versailles, die de vrijheid van de scheepvaart op de in de akten vermelde binnenwateren waarborgen, niet eraan in de weg staan dat een verdragsstaat sociale wetgeving of wetgeving voor tewerkstelling aan boord van de binnenschepen waarop zijn nationale recht toepasselijk is, invoert daar dit aangelegenheden zijn die vreemd zijn aan de vrijheid van de binnenvaart en inzonderheid geen afbreuk doen aan de vrijheid van scheepvaart van schepen en bemanningen; Dat het onderdeel faalt naar recht; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel dat niet aangeeft waarin de beweerde impliciete visie van het arrest zijn beslissing onwettig maakt, in zoverre wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk is; Overwegende dat, anders dan het onderdeel aanvoert, het arrest met de redenen die het bevat eisers verweer afgeleid uit de toepasselijkheid van de door hem aangegeven verdragsbepalingen beantwoordt; Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist;
- Tweede middel, beide onderdelen Overwegende dat eiser wegens de feiten A (tewerkstelling buitenlandse werknemers), B (geen personeelsregister), C (geen individuele rekening), D (loonbetalingen) en E (gebruik van door derden ter beschikking gestelde werknemers) tot één straf is veroordeeld, de zwaarste, zijnde deze voor het feit A; Dat deze straf naar recht is verantwoord door het bewezen verklaren van voormeld feit A; Dat het middel dat enkel betrekking heeft op het feit E, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van tweeëntachtig euro twintig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van tien mei tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050510.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div