id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050510.4 Rolnummer: P.04.1693.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2005-10-07 Raadplegingen: 798 - laatst gezien 2026-07-04 14:11 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 In het sociaal strafrecht is het niet tegenstrijdig te zeggen, enerzijds, dat een beklaagde werkgever is en, anderzijds, dat hij het mandaat van zaakvoerder als zelfstandige uitvoert
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: ARBEID - ALGEMEEN Vrije woorden: ARBEID - ALGEMEEN Sociaal strafrecht Werkgever Zaakvoerder als zelfstandige Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Natuurlijke personen Vrije woorden: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Natuurlijke personen Sociaal strafrecht Werkgever Zaakvoerder als zelfstandige Fiches 3 - 4 Concl. proc.-gen. De Swaef, Cass., 10 mei 2005, AR P.04.1693.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: ARBEID - ALGEMEEN Vrije woorden: ARBEID - ALGEMEEN Sociaal strafrecht Werkgever Zaakvoerder als zelfstandige Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Natuurlijke personen Vrije woorden: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Natuurlijke personen Sociaal strafrecht Werkgever Zaakvoerder als zelfstandige Nota: P.04.1693.N Conclusie van het Openbaar Ministerie
- Het tweede onderdeel van het eerste middel stelt aan de orde de vraag of een "zaakvoerder" (van een B.V.B.A.) als werkgever kan worden beschouwd in het sociaal strafrecht. Meer bepaald voert het onderdeel aan dat het tegenstrijdig is enerzijds vast te stellen dat eiser in cassatie "zaakvoerder" is, en anderzijds te oordelen dat eiser werkgever is in de zin van de wetsbepalingen aangehaald in de telastleggingen. Volgens eiser zou de kwalificatie als "werkgever" in het licht van deze wetsbepalingen onverzoenbaar zijn met een mandaat als zaakvoerder.
- In veruit de meerderheid van de sociale strafbepalingen, duidt de wetgever "de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers" aan als strafbare daders. Dat is ook het geval voor de strafbepalingen op grond waarvan eiser (als werkgever) werd veroordeeld. De begrippen werkgever, aangestelde en lasthebber, zijn niet eigen aan het strafrecht. Men neemt aan dat deze aan het strafrecht vreemde begrippen in deze rechtstak autonoom kunnen worden ingevuld
(1): de strafrechter mag bij de interpretatie van de strafwetten en hun toepassing aan begrippen die afkomstig zijn uit andere rechtstakken, een andere betekenis of draagwijdte geven (conceptuele autonomie van het strafrecht).
(2)Zo geeft het Hof van Cassatie aan het begrip aangestelde van de werkgever in het sociaal strafrecht een betekenis die niet volledig overeenstemt met de betekenis die dit begrip heeft in art. 1384, derde lid, B.W. of artikel 46, ,§ 1, Arbeidsongevallenwet, i.e. "de persoon die in een band van ondergeschiktheid arbeid verricht". Naast deze band van ondergeschiktheid, is vereist dat de aangestelde bekleed is met het gezag of de nodige bevoegdheid om effectief over de naleving van de wet te waken, ook al is die bevoegdheid naar de tijd of naar de plaats beperkt. Het misdrijf kan in beginsel niet worden toegerekend aan aangestelden die louter handelen op bevel van de werkgever.
(3)Ook het begrip lasthebber heeft in het sociaal strafrecht een eigen betekenis. Het gaat om de persoon die door de werkgever ermee belast is bepaalde rechtshandelingen te stellen in naam en voor rekening van de werkgever, zoals b.v. het uitbetalen van het loon en het bijhouden van sociale documenten.
(4)Net zoals voor de aanstellers, vereist het Hof van Cassatie dat de lasthebber, om als strafbare dader te kunnen worden aangemerkt, over het gezag en de nodige bevoegdheid in de onderneming moet beschikken om effectief over de naleving van de wetten te kunnen waken.
(5)3. De werkgever is, in het sociaal strafrecht, de persoon die met de werknemer verbonden is door een arbeidsverhouding die wordt gekenmerkt door ondergeschikt verband, een dienstbetrekking, hetzij op grond van een overeenkomst, arbeidsovereenkomst of andere, hetzij op grond van een statutair of feitelijk verband.
(6)Het begrip werkgever is hier dus ruimer dan in het arbeidsrecht. Men is het erover eens dat, wegens de autonomie van het strafrecht, een persoon die overeenkomstig het arbeidsrecht niet beschouwd kan worden als de werkgever, voor de toepassing van het sociaal strafrecht toch als zodanig kan worden aangemerkt.
(7)De vraag of iemand de hoedanigheid van werkgever bezit, dient niet zozeer te worden beantwoord aan de hand van de juridische kwalificaties in andere rechtsdisciplines, maar wel op grond van de reële, feitelijke context. Zo werd reeds geoordeeld dat de persoon die zich gedraagt als werkgever (b.v. doordat hij instaat voor de aanwerving, de betaling en het ontslag van het personeel) en door het personeel als zodanig wordt beschouwd, ook strafrechtelijk dient te worden aangemerkt als de werkgever aan wie het misdrijf kan worden toegerekend.
(8)4. In het contracten- en vennootschapsrecht wordt de rechtsbetrekking tussen de bestuurders/zaakvoerders en de vennootschap gewoonlijk gekwalificeerd als een lastgeving.
(9)Dat een bestuurder of zaakvoerder volgens het vennootschapsrecht als een lasthebber van de vennootschap wordt beschouwd, betekent echter niet dat hij in het sociaal strafrecht noodzakelijkerwijze als een lasthebber van de werkgever dient te worden aangemerkt. Gelet op de autonomie van het strafrecht, kan de strafrechter een zaakvoerder als werkgever veroordelen voor sociale misdrijven, wanneer hij uit de feitelijke omstandigheden afleidt dat de zaakvoerder in werkelijkheid handelde in die hoedanigheid. Het bestreden arrest is dus geenszins aangetast door tegenstrijdigheid waar het enerzijds vaststelt dat eiser in cassatie "zaakvoerder" is, en anderzijds, op grond van de feitelijke gegevens van de zaak, oordeelt dat eiser de werkgever was van het tewerkgestelde personeel, in de zin van de wetsbepalingen die in de tenlasteleggingen worden aangehaald. De betreffende wetsbepalingen maken dan wel een onderscheid tussen de werkgever enerzijds en zijn lasthebbers anderzijds, maar daaruit volgt niet dat een "zaakvoerder" per definitie slechts als een lasthebber kan worden aangemerkt en niet als werkgever. 5. De voorliggende situatie, waarbij de rechter een "zaakvoerder" als werkgever beschouwt en hem veroordeelt in die hoedanigheid, dient te worden onderscheiden van de hypothese waarin de rechter oordeelt dat de vennootschap als werkgever dient te worden beschouwd. Sinds de invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen (wet van 4 mei 1999) kan de vennootschap-werkgever in eigen hoofde worden gestraft voor sociale misdrijven. Vóór de invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen kon de vennootschap-werkgever zelf niet als dader worden bestraft en diende de rechter het misdrijf toe te rekenen aan de natuurlijke persoon die voor de vennootschap-werkgever optrad of verzuimd had op te treden ("rechterlijke toerekening"). Het misdrijf van de vennootschap-werkgever werd gewoonlijk toegerekend aan de natuurlijke persoon die haar orgaan is, nl. de bestuurder of zaakvoerder. De bestuurder of de zaakvoerder kon aldus worden veroordeeld in zijn hoedanigheid van orgaan van de vennootschap-werkgever, aan wie het misdrijf van de werkgever werd toegerekend.
(10). De omstandigheid dat de vennootschap nu in eigen hoofde kan worden gestraft als werkgever, staat er niet aan in de weg dat de strafrechter, op grond van zijn appreciatie van de feiten, kan oordelen dat een bestuurder of zaakvoerder (niet als orgaan van de vennootschap, maar in eigen hoofde) als werkgever dient te worden beschouwd in de zin van het sociaal strafrecht. 6. De overige grieven van eiser missen feitelijke grondslag. Conclusie : verwerping. ___________________________
(1)F. RUELENS en K. CARLIER, "Materieel sociaal strafrecht", in J. VAN STEENWINCKEL en P. WAETERINCKX (eds.), Strafrecht in de onderneming, praktische gids voor bestuurders en zaakvoerders, Antwerpen, Intersentia, 2002,
(167)219; W. VAN EECKHOUTTE, Sociaal Compendium Arbeidsrecht 2004-2005, Mechelen, Kluwer, 2005, nr. 6346.
(2)B.v. Cass. 25 februari 1997, A.C. 1997, nr. 107.
(3)Cass. 15 september 1981, R.W. 1981-82, 1124, noot H.D. BOSLY, "De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de lasthebber of de aangestelde in het sociaal recht".
(4)F. KEFER, Le droit penal du travail, Brussel, la Charte, 1997, 292, nr. 257 ; F. LAGASSE, Manuel de droit pénal social, Brussel, Larcier, 2003, 90; O. RALET, Responsabilité des dirgeants de sociétés, Brussel, Larcier, 1996, 288.
(5)Cass. 15 september 1981, gecit.
(6)W. VAN EECKHOUTTE, o.c., nr. 6347.
(7)F. DERUYCK, "Daderschap en verantwoordelijkheid voor sociaalrechtelijke misdrijven", in G. VAN LIMBERGHEN (ed.), Sociaal strafrecht, Maklu, 1998,
(93)98; F. KEFER, o.c., 287-288, nr. 253; O. RALET, o.c., 287; F. RUELENS en K. CARLIER, l.c.,
(167)219-220; W. VAN EECKHOUTTE, o.c., nr. 6347.
(8)Zie de rechtspraak aangehaald bij F. DERUYCK, l.c.,
(93)98-99.
(9)H. GEINGER en N. HEIJERICK, Inleiding tot het vennootschapsrecht, 2003, 99 en 203. M.b.t. de vennootschappen met volkomen rechtspersoonlijkheid heeft de kwalificatie van de bestuurdersovereenkomst als een lastgeving een uitdrukkelijk wettelijke basis in de vennootschapswet (o.a. art. 53 Venn. W. (n.v.) en art. 129, eerste lid, Venn. W. (b.v.b.a.)). Niettemin is de kwalificatie als lastgevingsovereenkomst niet volmaakt (zie daarover: B. TILLEMAN, Bestuur van vennootschappen. Statuut, interne werking en vertegenwoordiging, Biblo, 1996, 13-15).
(10)De stelling van sommige auteurs (i.h.b. F. KEFER, o.c., 293, nr. 258) dat bestuurders en zaakvoerders alleen als orgaan van de werkgever-vennootschap kunnen worden aangesproken en niet als lasthebbers, lijkt onjuist. Weliswaar werden bestuurders en zaakvoerders (voor de wet van 4 mei 1999) meestal veroordeeld in hun hoedanigheid van orgaan van de vennootschap-werkgever, maar dit neemt niet weg dat zij ook als lasthebber van de werkgever strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor sociale misdrijven die zij in die hoedanigheid hebben gepleegd (zie b.v. O. RALET, o.c., 288). Tekst van de beslissing Nr. P.04.1693.N D A, eiser, beklaagde, met als raadslieden Mr. Wim De Brock, advocaat bij de balie te Gent en Mr. Michaël Verhaeghe, advocaat bij de balie te Brussel. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 18 november 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen
- Eerste middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat eiser in conclusie voor de appèlrechters heeft aanvoerd dat hij geen werkgever was maar onder leiding en toezicht van een ander werkte; Dat de appèlrechters eisers verweer verwerpen en hem als werkgever veroordelen; Dat zij niet dienden te antwoorden op het verweer dat hij niet als aangestelde of lasthebber werd gedagvaard; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het niet tegenstrijdig is te zeggen, enerzijds, dat eiser werkgever is en, anderzijds, dat hij het mandaat van zaakvoerder als zelfstandige uitvoert; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 1.
- Derde onderdeel Overwegende dat de appèlrechters eiser niet veroordelen als aangestelde of lasthebber maar als werkgever; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
- Tweede middel Overwegende dat de appèlrechters niet verwijzen naar het door eiser in hoger beroep neergelegd stuk, mitsdien de bewijskracht ervan niet miskennen; Dat het middel feitelijke grondslag mist; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van zestig euro zesentwintig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van tien mei tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050510.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.7 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090120.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240626.2F.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970225.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120103.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.25 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250527.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div