← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050512.25

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050512.25 Rolnummer: F.04.0017.F Kamer: 1F - première chambre Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 236 - laatst gezien 2026-07-04 14:51 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Art. 19, ,§ 2, W.I.B. 92 impliceert geenszins dat alleen bedragen die boven de uitgifteprijs van vastrentende effecten worden toegekend, als interesten kunnen worden beschouwd. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Algemeen Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Algemeen Effecten Inkomsten Interesten Fiche 2 De tijdens de erfpacht gedane verdeling van de vaste jaarlijkse bedragen die afkomstig zijn van de door de huurder betaalde vergoeding, die bekend is ten tijde van de uitgifte van het vastgoedcertificaat dat een openbaar uitgegeven effect is dat overeenkomt met aan een vennootschap op aandelen toegekend en door haar in een welbepaald onroerend goed geïnvesteerd kapitaal, is geen verdeling tussen de houders van certificaten met een onzekere opbrengst die van jaar tot jaar schommelt. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Algemeen Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Algemeen Vastgoedcertificaat Belegging in onroerend goed Huurder Vergoeding Verdeling Onzekere opbrengst Tekst van de beslissing Nr. F.04.0017.F.- LENDIT BORSBEEK, vennootschap naar Luxemburgs recht, Mr. Thierry Afschrift en Mr. Muriel Igalson, advocaten bij de balie te Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 3 oktober 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiseres voert zes middelen aan :

  1. Vierde middel Geschonden wettelijke bepalingen - het artikel 19, ,§,§ 1 en 2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
  2. Aangevochten beslissingen en redenen Na te hebben vastgesteld dat "degene die intekent op het effect, op het einde van het contract dus zijn beginkapitaal zal krijgen, verhoogd met een meerwaarde, of een kapitaalverlies zal lijden, gelijk aan de minderwaarde ten gevolge van de verkoop van het onroerend goed", vervolgt het arrest met de overweging dat "de te dezen onderzochte certificaten een beperkt risico inhouden en bedoeld zijn om vaste roerende inkomsten te verschaffen aan degenen die erop hebben ingeschreven" en het beslist aldus dat de roerende voorheffing moest worden ingehouden en betaald op de coupons 29 en 30 van de Borsbeekcertificaten, waarvan eiseres houder was. Grieven Artikel 19, ,§ 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat de interest bestaat uit "interest, premies en alle andere opbrengsten van leningen en gelddeposito's, van leningen van aandelen en van elke andere schuldvordering van dezelfde aard". De tweede paragraaf van dat artikel luidt als volgt : "Met betrekking tot vastrentende effecten (of in ,§ 1, 4°, vermelde aandelen) omvatten de inkomsten iedere som die boven de uitgifteprijs wordt betaald of toegekend, ongeacht of de toekenning plaatsheeft op de bij overeenkomst vastgestelde vervaldag. Die inkomsten zijn ten name van elke opeenvolgende houder van de effecten belastbaar in verhouding tot het tijdperk waarin hij houder is geweest". Dat artikel is evenwel niet van toepassing op de vastgoedcertificaten, aangezien op het ogenblik van de betaling van de coupon, noch de emittent, noch de houders van de certificaten weten of er hun op een dag een "som bovenop" de intekenprijs zal worden betaald. Daar het arrest de vastgoedcertificaten gelijkstelt met vastrentende effecten (zoals obligaties) heeft het niet zonder het bovenaangehaalde artikel 19, ,§ 2, te schenden, kunnen beslissen dat de roerende voorheffing verschuldigd is, ook al is niet geweten of op een dag een "som bovenop" de verkoopprijs zal worden ontvangen.
  3. Vijfde middel Geschonden wettelijke bepalingen - het artikel 2, ,§ 4, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 ; - de artikelen 107 en 118 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 van 27 augustus
  4. Aangevochten beslissingen en redenen Het arrest oordeelt dat "de belastingwet niet vereist dat het effect, om 'soortgelijk' te zijn aan een 'obligatie', een lening moet zijn. Aangezien het effect de emittent ertoe verplicht om, zoals in dit geval, een vast inkomen uit te keren tijdens de duur van het contract en om op de vastgestelde vervaldag de opbrengst van de verkoop van het onroerend goed waarin het belegde kapitaal geïnvesteerd is, terug te storten, is de verrichting soortgelijk aan 'de obligatie' waarvan het alleen hierin verschilt dat het kapitaal, mits de erfpachter de optie niet licht, blootstaat aan de risico's van de waardevermindering van het pand in plaats van blootgesteld te zijn aan de risico's van de inflatie en de vermindering van de koopkracht". Het arrest beslist aldus dat de vastgoedcertificaten vastrentende effecten zijn. Grieven Zowel artikel 118 als artikel 107 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 verwijzen voor de vrijstellingen van voorheffing naar de obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten van Belgische oorsprong, die vastrentende effecten zijn. Zij worden trouwens uitdrukkelijk vermeld in artikel 2, ,§ 4, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, dat de vastrentende effecten omschrijft als "de obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten". Sedert de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten worden de vastgoedcertificaten omschreven als "de rechten van vordering op de inkomsten, op de opbrengsten en op de realisatiewaarde van een of meer bij de uitgifte van de certificaten bepaalde onroerende goederen". Door te beslissen dat de vastgoedcertificaten effecten zijn die soortgelijk zijn aan obligaties, stelt het arrest ze ten onrechte gelijk met vastrentende effecten en schendt het artikel 2, ,§ 4, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
  5. IV. Beslissing van het Hof Vierde middel : Overwegende dat artikel 19, ,§ 1, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 luidt als volgt : "interest omvat interest, premies en alle andere opbrengsten van leningen en gelddeposito's, van leningen aan aandelen en van elke andere schuldvordering van dezelfde aard ; Dat, krachtens artikel 19, ,§ 2, van dat wetboek, met betrekking tot vastrentende effecten, de inkomsten iedere som omvatten die boven de uitgifteprijs wordt betaald of toegekend, ongeacht of de toekenning plaatsheeft op de bij overeenkomst vastgestelde vervaldag ; Dat uit die bepalingen volgt dat artikel 19, ,§ 2, geenszins impliceert dat alleen bedragen, die boven de uitgifteprijs worden toegekend, als interest kunnen worden beschouwd ; Dat het middel faalt naar rechte ; Het vijfde middel : Overwegende dat het arrest beslist dat "het te dezen aan het hof (van beroep) voorgelegde vastgoedcertificaat dus een openbaar uitgegeven effect is dat overeenkomt met aan een vennootschap op aandelen toegekend kapitaal, dat door haar wordt geïnvesteerd in een welbepaalde onroerende belegging de bouw van een hypermarkt waarvan zij tijdens de duur van de erfpacht vaste jaarlijkse bedragen verdeelt, die afkomstig zijn van de door de huurder betaalde vergoeding, die bekend is ten tijde van de uitgifte en 7,60 pct. bedraagt. Te dezen wordt dus niet tijdens de uitvoering van de erfpachtcontracten een onzekere opbrengst, die van jaar tot jaar schommelt, verdeeld onder de houders van certificaten" ; Dat het bovendien preciseert dat "de opgesomde certificaten een beperkt risico inhouden en bedoeld zijn om vaste roerende inkomsten te verschaffen aan degenen die erop hebben ingetekend" ; Dat het arrest aldus geen van de in het middel vermelde wettelijke bepalingen schendt ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Christian Storck, Didier Batselé, Albert Fettweis en Christine Matray, en in openbare terechtzitting van twaalf mei tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem. De griffier, De afdelingsvoorzitter, PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050512.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.