← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050513.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050513.5 Rolnummer: C.03.0332.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2006-06-15 Raadplegingen: 359 - laatst gezien 2026-07-04 13:22 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer met toepassing van artikel 41, Wet Gerechtelijk Akkoord de overdracht van de onderneming of van een gedeelte ervan wordt verwezenlijkt, worden de rechten van de schuldeisers geacht over te gaan op de overnameprijs, heeft de overdracht een zuiverende werking en handelt de ter zake van de onroerende goederen aangezochte notaris overeenkomstig artikel 1639 van het Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GERECHTELIJK AKKOORD Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GERECHTELIJK AKKOORD Rechten van de schuldeisers Overdracht van de onderneming Wettelijke bepalingen: Wet - 17-07-1997 - Artt.41en43 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0332.N

  1. CREYF Kurt, wonende te 8000 Brugge, Predikherenrei 11,
  2. SNAUWAERT Peter, wonende te 8300 Knokke- Heist, Gildestraat 2, beiden handelend als curatoren over het faillissement van R. V. D. R., eisers, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  3. L. P., verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  4. a. V. M. A., en zijn echtgenote,
  5. b. D.C. E., verweerders, minstens in bindend- en gemeenverklaring opgeroepen partijen. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 februari 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. III. Middel De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ; de artikelen 1582, 1604, 1605 en 1626 van het Burgerlijk Wetboek ; de artikelen 1186, 1187, 1188, 1189, 1190, 1191 - voornoemde artikelen 1186, 1187, 1189 en 1191 in hun versie zowel vóór als na de inwerkingtreding van de wet van 29 april 2001 -, 1193ter, 1211, 1326, 1580, 1580bis, 1580ter, 1621, 1639, 1643 en 1654 van het Gerechtelijk Wetboek ; de artikelen 21, 30, 41, 43 en 44 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord ; de artikelen 16, 51, 57, eerste lid, 75, 79, 88, 89 en 93 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 4 september 2002 ; de artikelen 1, 2, 7, 8, 92, 96 en 109 van de Hypotheekwet ; artikel 1 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt. Aangevochten beslissingen Bij arrest van 17 februari 2003 verklaart het Hof van Beroep te Gent de hoger beroepen ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis, waarbij de Rechtbank van Koophandel te Brugge, afdeling Brugge, rechtdoende op de hoofdeis, deze deels gegrond verklaarde, de notaris tot afgifte van al de gelden welke gereserveerd zijn op de rubriekrekening bij de KBC-bank en dit binnen acht dagen nadat het vonnis werd betekend veroordeelde, stelde dat de eisers qq gehouden zijn krachtens artikel 79 van de Faillissementswet een rangregeling op te stellen en de gelden uit te delen en, rechtdoende op de eis in tussenkomst, deze afwees als ongegrond, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaarde zonder borgstelling en de notaris en de tussenkomende partij tot de gerechtskosten veroordeelde, verklaart de oorspronkelijke vordering van de curatoren van het faillissement Van De Ryse ontvankelijk, maar ongegrond, en verwijst de curatoren van het faillissement Van De Ryse in de kosten van beide aanleggen. Deze beslissing is gestoeld op volgende gronden : "2.
  6. De curatoren van het faillissement Van De Ryse putten hun rechten uit de faillietverklaring van Van De Ryse en hun aanstelling als curatoren. Zij kunnen alleen de rechten uitoefenen die de wetgever voor de curator reserveerde. Zij behartigen als curatoren de belangen van de bijzonder bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers niet. Deze laatste zijn bij faillissement van hun schuldenaar - zelfs al volgt dit op een gerechtelijk akkoord - gerechtigd, om hun bijzonder bevoorrechte en hypothecaire schuldvorderingen bij voorrang te verhalen op het onderpand van hun schuldvorderingen. - De tenuitvoerlegging op roerende en onroerende goederen wordt alleen onder de loop van de procedure op het gerechtelijk akkoord opgeschort, waarbij artikel 21, 2°, van de wet op het gerechtelijk akkoord dan nog bepaalt dat de schuldeisers de volle uitoefening van hun rechten herwinnen, indien de interesten en lasten van de schuldvorderingen die sinds de toekenning van het akkoord lopen, niet worden betaald. - Hier heeft de rechtbank van koophandel bij toepassing van artikel 37 van de wet op het gerechtelijk akkoord de opschorting van betaling herroepen, vooraleer op 3 juli 2000 het faillissement van Van De Ryse uit te spreken. Vanaf dan herwonnen de bijzonder bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers dan ook de volle uitoefening van hun rechten. Wat de pandhoudende en bijzondere schuldeisers op roerend goed betreft, kunnen de curatoren met machtiging van de rechter-commissaris het pand ten bate van de failliete boedel inlossen door betaling van de schuld, maar zo de curatoren het pand niet inlossen en de schuldeisers het verkopen, dan kunnen de curatoren alleen aanspraak maken op de prijs die de schuldvordering van deze schuldeisers te boven gaat (zie de artikelen 88 en 89 van de Faillissementswet). Wat de hypothecaire schuldeisers betreft voorziet artikel 93 van de Faillissementswet, dat na de verkoop van de onroerende goederen de rangregeling onder de hypothecaire en de bevoorrechte schuldeisers wordt opgemaakt. Wel zullen de hypothecaire schuldeisers die voor het volle bedrag van hun schuldvordering ten aanzien van de prijs der onroerende goederen batig gerangschikt zin, alleen het bedrag dat hun als hypothecaire schuldeisers toegewezen is ontvangen onder aftrek van hetgeen zij uit de boedel zouden hebben verkregen. 2.2.
  7. De voorwaarden waaronder het gerechtelijk akkoord tot stand komt doet geen afbreuk aan de hypotheken, die blijven bestaan zolang de hypothecaire schuldeisers geen betaling bekomen van hun schuldvordering. - De toewijzing van de onroerende goederen aan de kopers onder de voorwaarden van het goedgekeurd herstelplan en de enkele betaling van de koopsom door de kopers houdt niet in dat de schuldenaar-verkoper ook al tegenover de ingeschreven schuldenaars bevrijd is (zie onder andere Cass., 3 mei 1990, Arr. Cass., 1989-90, 1137). - De vaststelling van de eerste rechter dat een herstelplan, bij samenloop, kan voorbijgaan aan de voorgeschreven rangorde onder de schuldeisers is hier niet relevant voor de beslechting van het geschil. Het herstelplan dat bij toepassing van artikel 41 en 42 van de wet op het gerechtelijk akkoord tot stand kwam en dat partijen niet overleggen, maar waarvan zij voorhouden dat het voorziet in de integrale betaling van alle schuldeisers, doet geen afbreuk aan de betaling waarop de bijzonder bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers gerechtigd zin ; het staat juist de integrale betaling van hun schuldvorderingen voor. Het doet daarenboven in geen geval afbreuk aan de zekerheden die zij genieten voor hun schuldvorderingen, mocht er - met miskenning van het herstelplan - geen integrale betaling tussenkomen. Artikel 30, van de wet op het gerechtelijk akkoord voorziet zelfs in een bijzondere waarborg voor de bijzonder bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers, zo het herstelplan de waarde van hun zekerheid in het gedrang zou brengen. 2.2.
  8. De Faillissementswet en evenmin de wet op het gerechtelijk akkoord of het definitief goedgekeurde herstelplan doen afbreuk aan de verantwoordelijkheid van de instrumenterende notaris. Notaris Lommée verkocht onder zijn verantwoordelijkheid de onroerende goederen voor vrij, zuiver en onbelast van alle schulden, voorrechten, hypotheken en andere belemmeringen (zie artikel A, 1 van de notariële verkoopsakte van 9 november 1999 en de vierde alinea van pagina 1 van de notariële verkoopsakte van 31 juli 2000). De notariële aktes ontsloegen de hypotheekbewaarder uitdrukkelijk van een inschrijving van ambtswege tijdens de overschrijving van het afschrift van de aktes. Alle gelden werden hem overgemaakt en door hem op de rubriekrekening geplaatst om over te gaan tot het opmaken van de akte van rangregeling met aanzuivering van de hypothecaire schuldvorderingen. Als instrumenterend notaris komt het hem dan ook toe, om de voorkeurrechten van de ingeschreven schuldeisers te respecteren en hun schuldvorderingen aan te zuiveren met de verkoopsommen, waarvoor de kopers kwijting werden verleend onder voorbehoud van incassering van de cheques waarmee zij de koopsommen hebben vereffend. - De eerste rechter stelde terecht dat bij de verkoop van een onroerend goed in uitvoering van het herstelplan het recht van de bijzonder bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers overgaat op de prijs en deze schuldeisers bij voorrang moeten betaald worden met de gelden, vermits deze schuldeisers in beginsel buiten het gerechtelijk akkoord bleven. Maar in tegenstelling met wat de eerste rechter verder aanneemt, stond de integrale verkoopsom die de verkopen van de gehypothekeerde goederen opleverden, niet ter beschikking van Van De Ryse, verkoper en schuldenaar van de hypothecaire schuldeisers. De instrumenterende notaris was en blijft zowel tegenover de hypothecaire schuldeisers, de kopers en de verkoper gehouden, om eerst de bijzonder bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers te vereffenen met de behaalde verkoopsommen. - De analogie met de gedwongen openbare verkoop of de onderhandse verkoop waartoe de curator bij toepassing van artikel 1193ter, van het Gerechtelijk Wetboek werd gemachtigd is duidelijk. Ook een verkoop in uitvoering van het herstelplan gebeurt onder gerechtelijk toezicht en voorkomt dat de hypothecaire schuldeisers na de verkoop nog een volgrecht zouden hebben ten aanzien van de kopers. Het recht van de bijzonder bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers gaat over op de prijs. - Dit houdt in dat de hypothecaire schuldeisers bij voorrang moeten betaald worden met de gelden, die de instrumenterende notaris op de rubriekrekening reserveerde met het oog op de rangregeling onder deze schuldeisers en dat alleen het saldo tijdens het gerechtelijk akkoord ter beschikking stond van Van De Ryse en vanaf het faillissement ter beschikking staat van de curator. Artikel 1654 van het Gerechtelijk Wetboek verklaart immers de bepalingen betreffende de rangregeling - weerhouden in hoofdstuk VIII van titel III van deel V van het Gerechtelijk Wetboek - van toepassing op elke rangregeling, geopend na verkoop die van rechtswege overwijzing van de prijs ten behoeve van de ingeschreven schuldeisers medebrengt (de artikelen 1639 tot 1653). Artikel 1643 gelast de notaris met het opmaken van de rangregeling van voorrechten en hypotheken. - De wetswijziging van 8 augustus 1997 voorkomt dat nog langer bij analogie zoals hierboven de toepassing van de artikelen 1639 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek wordt weerhouden voor de rangregeling, die volgt op de onderhandse verkoop waartoe de curator bij toepassing van artikel 1193ter van het Gerechtelijk Wetboek wordt gemachtigd. Artikel 1193ter van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt sindsdien uitdrukkelijk, dat de verkoping gebeurt door de ambtelijke tussenkomst van de notaris die de ontwerpakte opstelde en dat hij de prijs verdeelt overeenkomstig de artikelen 1639 en volgende. De wetgever heeft met deze wijziging alleen formeel vastgelegd, wat voetstoots al algemeen werd aanvaard voor de onderhandse verkoop door de curator". Grieven
  9. Eerste onderdeel
  10. Te rekenen van het vonnis van faillietverklaring verliest de gefailleerde krachtens artikel 16 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 het beheer over al zijn goederen en wordt dat beheer toevertrouwd aan een curator die als gerechtelijk lasthebber de bij de wet bepaalde machten uitoefent in het belang zowel van de gezamenlijke schuldeisers als van de gefailleerde. De curator oefent voor rekening van de boedel alle vorderingen uit die verband houden met het gemeenschappelijk vermogen van de gefailleerde, inzonderheid de vorderingen die strekken tot de wedersamenstelling, de bescherming of de vereffening van het vermogen, zonder dat hij weliswaar andere rechten dan deze die hij in de boedel aantreft kan uitoefenen. De algemene opdracht van de curator bestaat meer bepaald erin het actief van de gefailleerde te gelde te maken en de opbrengst ervan te verdelen, zulks overeenkomstig artikel 79 van de Faillissementswet van 8 augustus
  11. Bij toepassing van voornoemde bepalingen komt het de curator dan ook toe om alle gelden die hij in de boedel aantreft, het weze ingevolge de verwezenlijking van het actief van de gefailleerde vooraleer diens faillissement voor geopend werd verklaard, met inachtneming van de redenen van voorrang, onder de schuldeisers te verdelen. Deze boedel omvat immers blijkens de artikelen 16 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, 7 en 8 van de Hypotheekwet alle goederen, zowel tegenwoordige als toekomstige, van de gefailleerde, daaronder begrepen de opbrengst van verkopen die doorgang vonden vooraleer het vonnis van faillietverklaring tussenkwam. Bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers zullen slechts aanspraak kunnen maken op die opbrengst voorzover de gelden, voortkomende uit de verkoop, op datum van faillietverklaring nog steeds individualiseerbaar zijn dan wel hun recht van rechtswege toegewezen werd op de verkoopprijs op het tijdstip van de verkoop.
  12. In het kader van een gerechtelijk akkoord kan de rechtbank blijkens artikel 41, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, voorkomende in hoofdstuk III gewijd aan de overdracht van de onderneming, de commissaris inzake opschorting machtigen de overdracht van de onderneming of van een gedeelte ervan te verwezenlijken indien de overdracht bijdraagt tot de terugbetaling van de schuldeisers en indien daardoor een economische activiteit en werkgelegenheid kan worden gehandhaafd. Indien overeenkomstig artikel 37, ,§3, van voornoemde wet, de opschorting van betaling wordt herroepen, dan blijft deze herroeping weliswaar zonder gevolg op de verwezenlijkte overdracht van de onderneming of van een gedeelte ervan blijkens artikel 43 van diezelfde wet. Luidens artikel 44, tweede lid, van diezelfde wet worden handelingen door de schuldenaar tijdens de akkoordprocedure verricht met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting bij faillissement beschouwd als handelingen van de curator, waarbij de schulden gedurende de akkoordprocedure aangegaan gelden als boedelschulden van het faillissement. De herroeping van de opschorting laat zodoende de overdracht, verwezenlijkt bij toepassing van artikel 41 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, voortbestaan. Voornoemde bepaling heeft weliswaar niet tot gevolg dat in geval van daaropvolgende faillietverklaring aan deze handelingen andere gevolgen zouden kunnen worden gehecht dan deze die zij ten tijde van de uitvoering van het gerechtelijk akkoord bezaten.
  13. Uit de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, inzonderheid artikel 41, blijkt geenszins dat ingevolge de verkoop van enig onroerend goed dan wel van enig handelsfonds in het kader van de overdracht van de onderneming, overdracht die moet voldoen aan de voorwaarden die met betrekking tot dergelijke verkoop door de wetgever worden voorgeschreven, de verkoopprijs van rechtswege wordt toegewezen aan de bijzonder bevoorrechte of hypothecaire schuldeiser. Zulks blijkt evenmin uit de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1326 van het Gerechtelijk Wetboek preciseert dat de openbare verkopingen vermeld in artikel 1621 en de verkoop uit de hand vermeld in de artikelen 1580bis en 1580ter ten behoeve van de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers die op geldige wijze bij de toewijzing zijn opgeroepen, van rechtswege overwijzing van de prijs medebrengen. Hetzelfde geldt voor de verkopingen uit de hand, gemachtigd overeenkomstig artikel 1193ter, ten aanzien van de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers die overeenkomstig deze bepalingen tijdens de procedure van machtiging werden gehoord of behoorlijk werden opgeroepen. Artikel 1621 van het Gerechtelijk Wetboek betreft meer bepaald de hypothese waarin er vóór de overschrijving van het beslag een vonnis bestaat dat de verkoop van de in beslag genomen onroerende goederen beveelt, hetzij krachtens de artikelen 1186 tot 1191 of 1211, hetzij in enig ander geval waarin de verkoop van de onroerende goederen bij opbod geschiedt, krachtens rechterlijke beslissingen. Op de verkoop van onroerende goederen, die plaatsvindt in het kader van een overdracht van onderneming in uitvoering van een gerechtelijk akkoord, is evenwel geen van voornoemde bepalingen van toepassing. De verkoop, welke plaatsvindt in het raam van een overdracht van onderneming, zoals bedoeld in artikel 41 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, is immers noch een openbare verkoop, zoals bedoeld bij artikel 1190 van het Gerechtelijk Wetboek, dat meer specifiek bepaalt dat de curator van het faillissement de onroerende goederen die tot een failliete boedel behoren niet mag verkopen nadat hij aan de rechter-commissaris machtiging heeft gevraagd, verkoop die openbaar zal geschieden, noch een onderhandse verkoop, zoals bedoeld bij artikel 1193ter van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat in het geval van artikel 1190 de curators aan de rechtbank van koophandel de machtiging kunnen vragen om uit de hand te verkopen, in welk geval de verkoop geschiedt door tussenkomst van de notaris, die de prijs verdeelt overeenkomstig de artikelen 1639 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, van toepassing. Hetzelfde geldt voor artikel 1580bis van het Gerechtelijk Wetboek dat preciseert dat in bepaalde omstandigheden, indien het belang van de partijen het vereist, de rechter de verkoop uit de hand kan bevelen, evenals voor artikel 1580ter van het Gerechtelijk Wetboek, luidens hetwelk de beslagleggende schuldeiser in bepaalde omstandigheden machtiging kan vragen om uit de hand te verkopen, hypotheses die te dezen niet toepasselijk waren, nu de verkoop geschiedt door de schuldenaar zelf, weliswaar bijgestaan door de commissaris inzake opschorting. Artikel 1654 van het Gerechtelijk Wetboek stelt evenwel dat de bepalingen van hoofdstuk VIII aangaande de rangregeling enkel van toepassing zijn op de rangregeling geopend na een verkoop die van rechtswege overwijzing van de prijs ten behoeve van de ingeschreven schuldeisers medebrengt. Uit het voorgaande volgt dat artikel 1639 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat ten gevolge van de toewijzing van het onroerend goed de rechten van de ingeschreven schuldeisers op de prijs overgaan, niet van toepassing is op de verkoop, die plaatsvindt in het kader van de uitvoering van een gerechtelijk akkoord.
  14. In afwezigheid van wettelijke bepaling, die stelt dat de rechten van de bijzonder bevoorrechte of hypothecaire schuldeiser in geval van verkoop van het onroerend goed, waarop diens bijzonder voorrecht of hypotheek slaat, van rechtswege worden toegewezen op de prijs van het onroerend goed dat door de schuldenaar met bijstand van de commissaris inzake opschorting werd verkocht in het kader van een overdracht van onderneming, bedoeld bij artikel 41 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, zullen derhalve de bijzonder bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers op de gelden, voortkomende uit de verkopen, waartoe vóór het faillissement werd overgegaan door de schuldenaar met bijstand van de commissaris inzake opschorting, slechts aanspraak kunnen maken, met uitsluiting van enig ander schuldeiser, voorzover deze gelden, die deel uitmaken van het patrimonium van de schuldenaar, nog individualiseerbaar zijn. Aan het voorgaande wordt afbreuk gedaan noch door artikel 88 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 dat bepaalt dat de curators, met machtiging van de rechter-commissaris, te allen tijde het pand ten bate van de failliete boedel inlossen door betaling van de schuld, met dien verstande dat blijkens artikel 89, van diezelfde wet ingeval de curators het pand niet inlossen en de schuldeiser het verkoopt voor een prijs die de schuldvordering te boven gaat, het meerdere door hen wordt geïnd en dat de pandhoudende schuldeiser voor het ontbrekende optreedt als gewone schuldeiser in de boedel indien de prijs minder dan de schuldvordering bedraagt, noch door artikel 93 van de Faillissementswet dat de hypothese betreft van de verkoop van de onroerende goederen en de sluiting van de rangregeling en dat preciseert dat de hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers die ten aanzien van de prijs der onroerend goederen batig gerangschikt zijn voor het volle bedrag van hun schuldvordering, het bedrag dat hun als hypothecair schuldeiser is toegewezen slechts zullen ontvangen onder aftrek van hetgeen zij uit de chirografaire boedel hebben verkregen, artikelen die overigens de hypothese van een verkoop na faillissement viseren.
  15. In de mate dat de verkoop van een onroerend goed in het kader van een overdracht van onderneming, geviseerd door artikel 41 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, niet wordt geviseerd door artikel 1654 van het Gerechtelijk Wetboek zal de notaris, die tussenkwam bij het verlijden van de authentieke akte van dergelijke verkoop, zich ook niet kunnen beroepen op artikel 1643 van het Gerechtelijk Wetboek, naar luid waarvan de benoemde notaris een proces-verbaal opstelt van verdeling van de opbrengst van de verkoop, of, indien daartoe grond bestaat, van de rangregeling van voorrechten en hypotheken. Bij gebreke van specifieke bepaling, van toepassing op de verkoop van het onroerend goed of handelsfonds in het kader van een overdracht van onderneming, na de herroeping van het gerechtelijke akkoord en de tussenkomst van het faillissement, komt het dan ook de curator toe om terzake een rangregeling op te stellen en is hij gerechtigd van de notaris de afgifte van de gelden, voortkomende uit de verkoop van diverse goederen, waartoe voor het faillissement werd overgegaan, welke nog niet aan de schuldeisers worden toebedeeld, te vorderen. Besluit Het hof van beroep kon, gelet op de vaststelling dat de goederen, waaromtrent de betwisting draaide, alle verkocht werden in het kader van een overdracht van onderneming in uitvoering van een gerechtelijk akkoord, in afwezigheid van enige specifieke bepaling die dat gevolg verbindt aan de verkoop in het kader van de overdracht van onderneming, niet wettig beslissen dat, naar analogie met de gedwongen openbare verkoop of onderhandse verkoop door de curator bij toepassing van artikel 1193ter van het Gerechtelijk Wetboek, de verkoop van rechtswege overwijzing van de prijs ten behoeve van de ingeschreven hypothecaire schuldeiser meebrengt, met alle gevolgen die daaraan bij de artikelen 1639 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek worden verbonden (schending van de artikelen 41, 43 en 44 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, 1190, 1193ter, 1326, 1580bis, 1580ter, 1621, 1639 en 1654 van het Gerechtelijk Wetboek). Derhalve kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat het de instrumenterende notaris, met uitsluiting van de curatoren van de gefailleerde, wiens boedel de opbrengst van de verschillende verkopen bevatte, toekwam om de rangregeling op te stellen (schending van de artikelen 1639, 1643 en 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, 16, 51, 57, eerste lid, 75 en 79 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 4 september 2002, 7 en 8 van de Hypotheekwet). Het hof van beroep kon voornoemde overwijzing van rechtswege van de prijs met de daarmee gepaard gaande bevoegdheid van de notaris tot het opstellen van een rangregeling, alleszins niet wettig afleiden uit de omstandigheid dat de bijzonder bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers in beginsel buiten het gerechtelijk akkoord blijven, nu de bepalingen van het gerechtelijk akkoord geen afbreuk doen aan de verdere toepasselijkheid van de hierboven aangehaalde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek aangaande de toewijzing van de prijs (schending van de artikelen 21 en 30 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, evenals van de artikelen 1190, 1193ter, 1326, 1580bis, 1580ter, 1621, 1639, 1643 en 1654 van het Gerechtelijk Wetboek). In ieder geval kon het hof van beroep op grond van de vaststelling dat de rechten van voornoemde schuldeisers overgaan op de prijs en dat deze schuldeisers bij voorrang moeten worden betaald met de gelden die voortkomen uit de verkoop, zonder vast te stellen dat de gelden, voortkomende uit iedere verkoop, nog individualiseerbaar waren, niet wettig besluiten dat deze voorbehouden waren aan de hypothecaire schuldeisers (schending van de artikelen 16, 88, 89 en 93 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, 7 en 8 van de Hypotheekwet).
  16. Tweede onderdeel De eisers voerden in hun allesomvattende conclusie, neergelegd op 23 december 2002, op pagina 8 aan dat zowel bij de overdracht van rechten op de prijs van de onroerende goederen naar aanleiding van wettelijke delegatie als bij de zakelijke subrogatie, in zoverre zakelijke subrogatie al kan worden toegepast, gelet op artikel 10 van de Hypotheekwet en 45, alinea 3, van de Hypotheekwet, het voorrecht maar kan worden uitgeoefend in de mate waarin de ontvangen prijs nog te traceren is in het vermogen van de debiteur. Zij lieten in dat verband reeds op pagina 3 onder nummer 6 van voornoemde conclusie gelden dat alle gelden werden gerubriceerd op één rekening bij notaris Lommée en dat de gelden afkomstig van de vier onderhandse verkopingen, zowel voor wat betreft de onroerende goederen als wat betreft de handelszaak, werden geplaatst op dezelfde rubriekrekeningen. Zij vervolgden op pagina 8 dat terzake diende vastgesteld dat alle gelden afkomstig van de verkoop van de drie onroerende goederen en van de verkoop van de handelszaak, inclusief de positieve intresten, zowel voor als na het open verklaren van het faillissement werden geplaatst op dezelfde rubriekrekening, bij notaris P. Lommée, en derhalve de opbrengsten niet meer individualiseerbaar waren, zodat de bijzonder bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers geen rechten meer konden doen gelden, ingevolge zakelijke subrogatie dan wel overdracht van rechten naar aanleiding van delegatie, voorafgaand aan het open verklaren van het faillissement, behoudens hun voorrecht op de ontstane massa (met boedelvorming) vanaf het open verklaren van het faillissement. Besluit Het hof van beroep, dat bij het bestreden arrest voornoemd verweer onbeantwoord laat, omkleedt zijn beslissing niet regelmatig met redenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994).
  17. Derde onderdeel Luidens artikel 1582 van het Burgerlijk Wetboek is de verkoop een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt om een zaak te leveren en de andere om daarvoor een prijs te betalen. Hij kan bij authentieke of bij onderhandse akte worden aangegaan. Blijkens artikel 1605 van het Burgerlijk Wetboek is de verplichting om onroerende goederen te leveren door de koper vervuld wanneer hij de sleutels heeft afgegeven, indien het een gebouw betreft, of wanneer hij de titels van eigendom heeft afgegeven. Artikel 1626 van het Burgerlijk Wetboek preciseert evenwel dat de verkoper van rechtswege verplicht is, zelfs wanneer bij de koop geen beding omtrent de vrijwaring is gemaakt, de koper te vrijwaren voor de uitwinning die hij ondergaat op het geheel of op een gedeelte van de verkochte zaak, of voor de lasten die iemand beweert op zijn zaak te hebben, en die niet bij de koop zijn opgegeven. Zo zal de verkoper onder meer vrijwaring verschuldigd zijn aan de koper wanneer blijkt dat op het verkochte onroerend goed een hypotheek rust, waarvoor geen handlichting werd verleend, en dit in strijd met de bepalingen van de overeenkomst. Naar luid van artikel 109 van de Hypotheekwet draagt de overdrager aan de verkrijger immers slechts de eigendom en de rechten over die hij zelf op het overgedragen goed bezit. Hij draagt die over onder verband van dezelfde voorrechten en hypotheken waarmee hij bezwaard was, behoudens het verlenen van handlichting overeenkomstig artikel 92 van de Hypotheekwet. Bovendien preciseert artikel 96 van de Hypotheekwet dat de schuldeisers die een ingeschreven voorrecht of hypotheek hebben op een onroerend dat goed volgen, in welke handen het ook overgaat, om gerangschikt en betaald te worden volgens de orde van hun schuldvorderingen of inschrijvingen. De vermelding in de verkoopakte van het al dan niet bestaan van hypotheken of voorrechten die rusten op het verkochte onroerend goed heeft dan ook geen ander opzet dan de vrijwaringsverplichting van de verkoper ten aanzien van de koper te bepalen, met dien verstande dat de instrumenterende notaris, die in de authentieke akte van verkoop een bepaling opneemt naar luid waarvan het goed verkocht wordt voor "vrij, zuiver en onbelast van alle schulden, voorrechten, hypotheken en andere belemmeringen", verantwoordelijk zal kunnen gesteld worden, wanneer het overgedragen goed niettemin met een voorrecht of hypotheek belast blijkt te zijn. De normale voorzichtige notaris zal dan ook voornoemde clausule in de notariële akte slechts opnemen voorzover hij zekerheid heeft omtrent de instemming van de ingeschreven bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers met de zuivering van het onroerend goed van alle voorrechten en hypotheken, zonder dat hij weliswaar, bij gebreke van enige wetsbepaling daaromtrent, enige bevoegdheid bezit om bij een verkoop, die niet wordt geviseerd door de artikelen 1186 tot 1990, 1193ter, 1326, 1580 en 1621 van het Gerechtelijk Wetboek, na tussenkomst van een faillissement, vooralsnog over te gaan tot het opstellen van een proces-verbaal van rangregeling en tot de verdeling van de gelden. Besluit In zoverre het bestreden arrest aldus moet worden gelezen dat het hof van beroep oordeelt dat de omstandigheid dat de instrumenterende notaris onder zijn verantwoordelijkheid de goederen voor vrij, zuiver en onbelast van alle schulden, voorrechten, hypotheken en andere belemmeringen verkocht, volstaat opdat deze notaris bevoegd zou zijn om, na tussenkomst van een faillissement, vooralsnog over te gaan tot het opstellen van een rangregeling, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 1 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt, 1582, 1604, 1605 en 1626 van het Burgerlijk Wetboek, 1, 2, 92, 96 en 109 van de Hypotheekwet, 1186, 1187, 1188, 1189, 1190, 1191 - voornoemde artikelen, behoudens 1188 en 1190, in hun versie zowel vóór als na de inwerkingtreding van de wet van 29 april 2001, 1193ter, 1211, 1326, 1580, 1621, 1643 en 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, 16, 51, 57, eerste lid, 75 en 79 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 4 september 2002). IV. Beslissing van het Hof Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 41 Wet Gerechtelijk Akkoord, de rechtbank de commissaris inzake opschorting kan machtigen de overdracht van de onderneming of van een gedeelte ervan te verwezenlijken indien zulks bijdraagt tot de terugbetaling aan de schuldeisers en indien daardoor een economische activiteit en werkgelegenheid kan worden gehandhaafd ; dat krachtens deze bepaling, de commissaris de voorstellen dient te onderzoeken in het licht van het behoud van de economische activiteit en de weerslag op de mogelijkheden tot terugbetaling aan de schuldeisers en hij verder bij de besprekingen met de indieners van de voorstellen dient te waken over de rechtmatige belangen van de schuldeisers ; dat ten slotte, de overdracht onderworpen is aan de goedkeuring van de rechtbank ; Dat, luidens artikel 43 van de genoemde wet, wanneer de opschorting van betaling wordt herroepen, deze herroeping zonder gevolg blijft op de verwezenlijkte overdracht van de onderneming of van een gedeelte ervan ; Dat de wetgever aldus met het oog op het saneren van de financiële toestand van de onderneming, de mogelijkheid biedt voor de overdracht van de onderneming of een gedeelte ervan ; dat de overdracht moet bijdragen tot de betaling van de schuldeisers, dat de overnameprijs wordt aangewend tot voldoening van deze schuldeisers, dat op de commissaris de verplichting rust om te waken over de belangen van de schuldeisers, en dat de overdracht onderworpen is aan de goedkeuring van de rechtbank ; Dat, wanneer aan die voorwaarden is voldaan, de overdracht niet kan worden ongedaan gemaakt door een later faillissement ; Dat uit de aard en de strekking van voormelde wettelijke bepalingen moet worden afgeleid dat de rechten van de schuldeisers geacht worden over te gaan op de overnameprijs, de overdracht een zuiverende werking heeft en de ter zake van de onroerende goederen aangezochte notaris handelt overeenkomstig artikel 1639 van het Gerechtelijk Wetboek ; Dat het onderdeel faalt naar recht ;
  18. Tweede onderdeel Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat de gelden uit de verkopen op een rubriekrekening van de notaris werden geplaatst en oordelen dat "de integrale verkoopsom van de gehypothekeerde goederen niet ter beschikking (stond) van de (gefailleerde), verkoper en schuldenaar van de hypothecaire schuldeisers" ; dat zij aldus het verweer dat de gelden afkomstig van de verkopingen zich in het vermogen van de gefailleerde hebben vermengd, verwerpen en beantwoorden ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
  19. Derde onderdeel Overwegende dat de appèlrechters hun beslissing niet steunen op de vermelding in de notariële akte dat de goederen "voor vrij en onbelast" worden verkocht maar steunen op de in het eerste middel vergeefs aangevochten redenen dat bij overdracht van het geheel of het gedeelte van de onderneming krachtens artikel 41 Wet Gerechtelijk Akkoord, de rechten van de schuldeisers overgaan op de overnameprijs ; Dat het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van duizend honderd euro vijfenzeventig cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd tweeënzestig euro negen cent jegens de verwerende partij sub
  20. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van dertien mei tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050513.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131219.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.