id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050517.2 Rolnummer: P.04.1571.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht Invoerdatum: 1970-01-01 Raadplegingen: 836 - laatst gezien 2026-07-04 13:40 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2005:CONC.20050517.2 Fiches 1 - 2 Het verbod om bepaalde functies, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, bepaald bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr 22 van 24 oktober 1934, was vroeger een ontzetting bij wijze van veiligheidsmaatregel, maar is thans, sinds de wijziging bij wet van 2 juni 1998, een ontzetting bij wijze van bijkomende straf en kan derhalve enkel worden opgelegd voor feiten gepleegd na de inwerkingtreding van voornoemde wet
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Strafzaken - Artikel 1, koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 - Beroepsverbod - Wetswijziging - Omzetting van het verbod van rechtswege in een facultatief verbod waarvan de strafrechter de duur bepaalt - Aard van het gewijzigde verbod - Nieuwe bijkomende straf - Veroordeling - Wettigheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van strafwetten Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Artikel 1, koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 - Beroepsverbod - Wetswijziging - Omzetting van het verbod van rechtswege in een facultatief verbod waarvan de strafrechter de duur bepaalt - Aard van het gewijzigde verbod - Nieuwe bijkomende straf - Veroordeling - Wettigheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van strafwetten Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. DUINSLAEGER, Cass., 17 mei 2002, AR P.04.1571.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Strafzaken - Artikel 1, koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 - Beroepsverbod - Wetswijziging - Omzetting van het verbod van rechtswege in een facultatief verbod waarvan de strafrechter de duur bepaalt - Aard van het gewijzigde verbod - Nieuwe bijkomende straf - Veroordeling - Wettigheid Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Artikel 1, koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 - Beroepsverbod - Wetswijziging - Omzetting van het verbod van rechtswege in een facultatief verbod waarvan de strafrechter de duur bepaalt - Aard van het gewijzigde verbod - Nieuwe bijkomende straf - Veroordeling - Wettigheid Tekst van de beslissing Nr. P.04.1571.N B M A H, eiser, beklaagde, met als raadslieden Mr. Raf Verstraeten en Mr. Caroline De Baets, advocaten bij de balie te Brussel, tegen BOUWONDERNEMING VERSTRAETE nv, met zetel te Roeselaere (Rumbeke), Louis Leynstraat 52, verweerster, burgerlijke partij. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 26 oktober 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie drie middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Overwegende dat het cassatieberoep in zoverre dit opkomt tegen eisers vrijspraak voor de telastlegging van poging tot oplichting, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is; Overwegende dat het cassatieberoep in zoverre dit opkomt tegen de niet-definitieve beslissing over de tegen eiser ingestelde burgerlijke rechtsvordering, bij toepassing van artikel 416 Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk is behalve in zoverre het arrest uitspraak doet over het beginsel van aansprakelijkheid; B. Onderzoek van de middelen
- Eerste middel Overwegende dat eiser wegens de telastleggingen A.1 en A.2 in de zaak BG.20.98.2294-98 en de telastlegging in de zaak BG.72.98.2292-98 wordt veroordeeld tot één straf; dat zowel deze straf als de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering naar recht zijn verantwoord door de bewezen verklaarde telastleggingen A.1.1 en A.2.1 in de zaak BG.20.98.2294-98 en de telastlegging in de zaak BG.72.98.2292-98, zodat het middel, dat alleen betrekking heeft op de telastleggingen A.1.2 en A.2.2 niet tot cassatie kan leiden; Dat het middel niet ontvankelijk is;
- Tweede middel Overwegende dat het middel een motiveringsgebrek aanvoert omdat de appèlrechters het verweer van eiser dat L V wel degelijk met kennis van zaken de van valsheid betichte voorlopige en definitieve overeenkomsten houdende de litigieuze dading had ondertekend, niet hebben beantwoord; Overwegende dat het arrest de schuldigverklaring van eiser aan de hem ten laste gelegde valsheden niet alleen steunt op de in het middel aangehaalde redenen van het arrest onder randnummer 2.1.3, maar op het geheel van alle feitelijke vaststellingen vermeld in dat randnummer; Dat het middel berust op een onvolledige lezing van het arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist;
- Derde middel 3.
- Eerste onderdeel Overwegende dat het bestreden arrest eiser wegens de valsheid in geschrifte en gebruik (telastleggingen A.1.1, A.1.2, A.2.1 en A.2.2) van de zaak II en het bedrieglijk onvermogen van de zaak I veroordeelt tot een hoofdgevangenisstraf van één jaar, met uitstel voor de duur van vijf jaar, en tot een geldboete van 495,79 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden; dat het eiser ook veroordeelt tot de ontzetting bepaald bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen (hierna te noemen: Wet Beroepsuitoefeningsverbod) op grond van volgende motivering: "Het hof (van beroep) is van oordeel, bij toepassing van artikel 1 koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934, (eiser) het hierna gepreciseerd beroepsuitoefeningsverbod voor de duur van vijf jaar bijkomend te moeten opleggen. Het is grotendeels via zijn vennootschap NV Cosmopolitan, dat (eiser) in het bouwproject handelde en in het kader waarvan (eiser) dan ook de feiten pleegde. Dit kan uit hoofde van de bewezen verklaarde tenlasteleggingen A.1.1, A.1.2, A.2.1 en A.2.2 in de zaak (II), nl. valsheid in geschrifte en gebruik van valsheid in geschriften (art. I, d/). Deze sanctie komt wenselijk voor om nieuwe bedrieglijke handelingen in het kader van vennootschappen door (eiser) te voorkomen". Overwegende dat het onderdeel aanvoert dat het bestreden arrest met deze veroordeling tot ontzetting artikel 7.1 EVRM, artikel 2, eerste lid, Strafwetboek, het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van strafwetten en voor zover als nodig ook artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod in zijn gewijzigde versie miskent; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, Strafwetboek, artikel 7.1 EVRM en artikel 15.1 IVBPR en het algemeen rechtsbeginsel inzake de niet-terugwerkende kracht van strafwetten, geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd; Overwegende dat artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod, in zijn versie van vóór de wet van 2 juni 1998, de persoon die de strafrechter wegens bepaalde feiten tot een bepaalde straf had veroordeeld, van rechtswege de ontzetting van het recht om bepaalde functies, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, oploopt; dat deze ontzetting, afgezien van het feit dat ze voor de betrokkenen de uitwerking van een straf had en ook zo werd aangevoeld, wettelijk een veiligheidsmaatregel was; Overwegende dat artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod, in zijn huidige versie zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 2 juni 1998, het beroepsverbod van rechtswege heeft vervangen door een facultatief verbod bij wijze van bijkomende straf, die de strafrechter kan opleggen aan de persoon die hij wegens bepaalde feiten veroordeelt en waarvan hij de duur vaststelt zonder dat die minder dan drie jaar of meer dan tien jaar mag bedragen; Overwegende dat derhalve, daar de vroegere ontzetting bij wijze van veiligheidsmaatregel niet meer bestaat, de nieuwe ontzetting bij wijze van bijkomende straf maar kan opgelegd worden voor feiten gepleegd na de inwerkingtreding van de nieuwe wet; Dat het middel gegrond is; 3.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel, dat de verwerping van het eerste onderdeel veronderstelt, geen antwoord meer behoeft; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat, behalve wat de bijkomende straf van het beroepsverbod betreft, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het eiser veroordeelt tot een bijkomende straf van beroepsverbod; Verwerpt het cassatieberoep voor het overige; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Veroordeelt eiser in de helft van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de overige helft ten laste van de Staat; Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Gezegde kosten begroot op de som van honderd drieënveertig euro vijfentwintig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zeventien mei tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050517.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2005:CONC.20050517.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150626.4 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210303.2F.5 ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.119 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.144 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071016.9 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080304.18 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130515.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div