id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050517.3 Rolnummer: P.04.1617.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2005-10-07 Raadplegingen: 446 - laatst gezien 2026-07-04 17:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het feit dat een beroepsjournalist in het bezit is van identificatiedocumenten en -kentekens, die alleen dienen om de identificatie van de journalisten bij het uitoefenen van hun beroep te vergemakkelijken en om de openbare overheid in staat te stellen de vertegenwoordigers van de pers alle medewerking te verlenen die met de omstandigheden overeen te brengen is, verleent hem geen strafrechtelijke immuniteit voor het plegen van verkeersinbreuken. Thesaurus CAS: IMMUNITEIT Vrije woorden: IMMUNITEIT Strafzaken Beroepsjournalist Houder van identificatiedocumenten en -kentekens van beroepsjournalist of persbedrijf Doel Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 12-04-1965 - Art.1 Tekst van de beslissing Nr. P.04.1617.N F K J, eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Luc Janssens, advocaat bij de balie te Antwerpen. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 5 november 2004 in hoger beroep gewezen door de correctionele rechtbank te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiser voert in een memorie twee middelen aan. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen
- Tweede middel Overwegende dat het middel niet preciseert hoe en waardoor het bestreden vonnis artikel 10 EVRM en artikel 149 Grondwet schendt; Overwegende dat artikel 2 van de wet van 30 december 1963 betreffende de erkenning en de bescherming van de titel van beroepsjournalist betrekking heeft op de organisatie en de werking van erkenningcommissies voor het verlenen van de titel van beroepsjournalist; Dat artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 april 1965 tot instelling van identificatiedocumenten en kentekens ten behoeve van beroepsjourna-listen en persbedrijven betrekking heeft op de afgifte van de identificatiedocumenten en kentekens die alleen dienen om de identificatie van de journalisten bij het uitoefenen van hun beroep te vergemakkelijken en om de openbare overheid in staat te stellen de vertegenwoordigers van de pers alle medewerking te verlenen die met de omstandigheden overeen te brengen is; Dat die beide bepalingen vreemd zijn aan de aangevoerde onwettigheid; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is; Overwegende dat het feit dat een beroepsjournalist in het bezit is van identificatiedocumenten en kentekens, hem geen strafrechtelijke immuniteit verleent voor het plegen van verkeersinbreuken; Dat het middel in zoverre faalt naar recht; Overwegende dat, voor het overige, het middel geheel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de appèlrechters dat eiser niet gehandeld heeft ingevolge een door de wet voorgeschreven en bevolen feit; Dat het middel in zoverre eveneens niet ontvankelijk is;
- Eerste middel Overwegende dat het middel niet preciseert waarom de huidige bestraffing die niet meer in een gevangenisstraf voorziet maar enkel in een geldboete waarvan het maximum bovendien lager is dan de facultatieve geldboete van de oude wet, zwaarder is dan de bestraffing ten tijde van het misdrijf bepaald; Dat het middel niet ontvankelijk is; B. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 21.4.4° Wegverkeersreglement; - artikel 29, ,§ 2, Wegverkeerswet, zoals vervangen door artikel 6 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid. Overwegende dat een inbreuk op artikel 21.4.4° Wegverkeersreglement, krachtens artikel 29, ,§ 2, Wegverkeerswet, gestraft wordt met een geldboete van 10 tot 250 euro; dat voor die inbreuk geen wettelijke bepaling voorziet in rijverbod; Dat mitsdien het door de rechters uitgesproken verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig onwettig is; Dat de onwettigheid van één van de bestanddelen van de straf, de gehele straf onwettig maakt; Overwegende dat de onwettigheid van de straf de wettigheid van de schuldigverklaring niet aantast; En overwegende dat, wat de schuldigverklaring betreft, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het ten laste van eiser straf uitspreekt; Verwerpt het cassatieberoep voor het overige; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis; Veroordeelt eiser in drie vierde van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Mechelen, zitting houdend in hoger beroep; Gezegde kosten begroot op de som van honderd zesentwintig euro negentien cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zeventien mei tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050517.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110301.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div