id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050520.5 Rolnummer: F.02.0061.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2005-08-12 Raadplegingen: 256 - laatst gezien 2026-07-04 14:18 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer het hof van beroep aanneemt dat de betwiste aanslag om een andere reden dan verjaring nietig is en aldus het bestaan en het bedrag van de eventuele belastingschuld niet kan vaststellen, en impliciet aanneemt dat de betaalde voorafbetalingen en de onroerende voorheffing zullen kunnen worden verrekend bij het vestigen van een nieuwe aanslag, kan dit hof geen terugbetaling bevelen van de ingehouden voorafbetalingen en de betaalde onroerende voorheffing
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORZIENING VOOR HET HOF VAN BEROEP Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORZIENING VOOR HET HOF VAN BEROEP Nietig verklaarde aanslag Geen verjaring Nieuwe aanslag Voorheffingen of voorafbetalingen Behoud door het Bestuur Wettelijke bepalingen: Wet - 12-06-1992 - thansart.355 Fiche 2 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 20 mei 2005, AR F.02.0061.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORZIENING VOOR HET HOF VAN BEROEP Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORZIENING VOOR HET HOF VAN BEROEP Nietig verklaarde aanslag Geen verjaring Nieuwe aanslag Voorheffingen of voorafbetalingen Behoud door het Bestuur Nota: F.02.0061.N Conclusie openbaar ministerie:
- Ten name van de inmiddels overleden ouders van eiseres in cassatie werd over het aanslagjaar 1991 een aanslag gevestigd in de belasting op de niet-verblijfhouders ten bedrage van 185.263 BEF. Deze aanslag wordt vervolgens bij directoriale beslissing vernietigd wegens niet in achtname van de wijzigingsprocedure neergelegd in artikel 251 W.I.B. 1964 (thans art. 346 W.I.B. 1992). De beslissing tot ontheffing van het ingekohierde bedrag vermeldt dat een vervangende aanslag zal gevestigd worden bij toepassing van artikel 260 W.I.B. 1964 (art. 355 W.I.B. 1992). De onroerende voorheffing (22.983 BEF) en de voorafbetalingen (400.000 BEF) met betrekking tot de aanvankelijke aanslag werden verrekend bij de inkohiering van de vervangende aanslag in
- Het hof van beroep te Brussel oordeelt in het thans bestreden arrest dat het in de gegeven omstandigheden niet in de mogelijkheid verkeert de teruggave te bevelen van de voorafbetalingen en de onroerende voorheffing, terwijl het evenmin vermag moratoriumintresten toe te kennen op grond van artikel 308 van het W.I.B. 1964, nu er ten deze van "terugbetaling van belastingen" geen sprake is.
- In het enig middel tot cassatie voert eiseres onder meer schending aan van de artikelen 266 en 211, ,§ 1 en 2 van het W.I.B. 1964 stellende dat nu in casu de bestreden aanslag werd vernietigd wegens het niet-verzenden van een bericht van wijziging, de appelrechters niet vermochten te oordelen dat de Administratie gerechtigd was de geïnde bedragen te behouden. Voorts verwijt eiseres de appelrechters artikel 308 W.I.B. 1964 te hebben geschonden "door te oordelen dat geen teruggave kan worden bevolen en dientengevolge geen moratoriumintresten kunnen worden toegekend". Artikel 260 van het W.I.B. 1964 (art. 355 W.I.B. 1992) bepaalt dat wanneer een aanslag nietig verklaard is omdat hij niet gevestigd werd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, de administratie, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds verlopen is, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, binnen een bepaalde termijn een nieuwe aanslag kan vestigen. Krachtens de vaste rechtspraak van Uw Hof legt artikel 260 W.I.B. 1964 de administratie de verplichting op een niet met toepassing van een verjaringsregel nietig verklaarde aanslag te vervangen door een nieuwe aanslag, vermits het de administratie der directe belastingen niet vrijstaat van de invordering van een belasting af te zien (Cass., 4 december 1987, F.J.F., nr. 88/191; Cass., 5 september 1967, Pas., 1968, I, 22). In een arrest van 4 december 1987 oordeelde Uw Hof dat het hof van beroep het bestaan en het bedrag van de belastingschuld slechts vermag vast te stellen en uit die vaststelling eventueel teruggave van de gestorte bedrijfsvoorheffing slechts vermag te bevelen, voor zover de rechters aannemen dat de litigieuze aanslag als titel, overeenkomstig de wettelijke vormen, regelmatig is tot stand gekomen. Wanneer het hof van beroep vaststelt dat de titel nietig is wegens schending van een procedurevorm zoals het niet versturen van een bericht van wijziging, is dit hof niet gerechtigd het bestaan en het bedrag van de belastingschuld vast te stellen en de eruit volgende teruggave van de gestorte bedrijfsvoorheffing te bevelen (Cass., 4 december 1987, F.J.F., nr. 88/191). Volgens deze rechtspraak is de administratie in dit geval gerechtigd, in afwachting van de vestiging van deze vervangende aanslag, de betaalde voorheffingen in te houden (Zie ook o.m. Antwerpen, 15 december 1992, F.J.F., nr. 93/171; Gent, 8 december 1987, Bull. Bel.; Brussel, 16 februari 1988, F.J.F., nr. 89/109; Luik, 6 januari 1993, F.J.F., nr. 94/15; Luik, 12 mei 1993, J.D.F., 1993, 246; Luik, 26 februari 1997, F.J.F., nr. 97/204). In een arrest van 19 februari 1998 overwoog Uw Hof voorts dat art. 355 W.I.B. 1992 het bestuur toelaat een niet met toepassing van een verjaringsregel nietig verklaarde aanslag te vervangen door een nieuwe aanslag en dat uit het voorgaande niet volgt dat het hof van beroep, wanneer het aanneemt dat de aanslag niet regelmatig is totstandgekomen en derhalve geen uitspraak kan doen over het bestaan en het bedrag van de belastingschuld, moet beslissen dat de gestorte voorheffingen of voorafbetalingen door het bestuur behouden worden als een voorschot op een nieuwe eventuele aanslag (Cass., 19 februari 1998, A.C., 1998, nr. 101; M. LOOCKX, Noot onder Cass., 16 april 1999, T.F.R. 170 oktober 1999, 820). In een arrest van 16 april 1999 bevestigde Uw Hof haar traditionele rechtspraak stellende dat art. 260 W.I.B. 1964 het bestuur de verplichting oplegt een niet met toepassing van een regel van prescriptie nietig verklaarde aanslag te vervangen door een nieuwe aanslag. Daaruit volgt dat wanneer het hof van beroep aanneemt dat de litigieuze aanslag om een andere reden dan prescriptie nietig is en aldus het bestaan en het bedrag van de eventuele belastingschuld niet kan vaststellen, maar aanneemt dat de betaalde bedrijfsvoorheffing zal kunnen verrekend worden bij het vestigen van een vervangende aanslag, dit hof geen terugbetaling kan bevelen van de ingehouden bedrijfsvoorheffing (Cass., 16 april 1999, A.C., 1999, nr. 216). In dat arrest overwoog Uw Hof "voorts dat uit artikel 170 van de Grondwet, volgens welk geen belasting kan worden ingevoerd dan door een wet en uit het aan artikel 211, ,§ 2, van het W.I.B. 1964 onderliggende beginsel, volgt dat de Belgische Staat die bedrijfsvoorheffing heeft ontvangen die niet kan worden verrekend met enige belasting, tot teruggave ervan moet worden veroordeeld". Dezelfde redenering kan ten deze worden aangehouden wat de gestorte voorafbetalingen betreft nu artikel 211, ,§ 2 W.I.B. 1964 uitdrukkelijk verwijst naar de in de artikelen 89 tot 91 en 93bis W.I.B. 1964 bedoelde voorafbetalingen. Uw Hof oordeelde in een arrest van 26 juni 1998 dat deze wetsbepaling niet van toepassing kan zijn op de onroerende voorheffing (Cass., 26 juni 1998, T.F.R., 1999, 132). Dit arrest laat er evenwel geen twijfel over bestaan dat bij gebrek aan inkohiering het verrekenbare gedeelte van de onroerende voorheffing moet terugbetaald worden (Zie WUSTENBERGHS T., "Verrekenbare onroerende voorheffing: de terugvordering lijkt nog mogelijk: Ius vigilantibus", T.F.R., 1999, 262-270) . In een arrest van 12 oktober 1989 had Uw Hof reeds eenzelfde standpunt ingenomen (Cass., 12 oktober 1989, R.W., 1989-90, nr. 25 17 februari 1990, 922; A.F.T., 1990, 246, met noot DE SCHRIJVER). De appelrechters oordeelden dan ook terecht dat "in de mate dat de aanslag nietig is en dat het bedrag van de eventuele belastingschuld niet kan vastgesteld worden, terwijl wordt aangenomen dat de voorafbetalingen en de onroerende voorheffing zullen kunnen verrekend worden bij het vestigen van de vervangende aanslag, het Hof van beroep de teruggave niet kan bevelen van de voorafbetalingen en de onroerende voorheffing." Het middel faalt naar recht waar het ervan uitgaat dat het hof van beroep, wanneer het aanneemt dat een aanslag niet regelmatig is totstandgekomen en derhalve geen uitspraak kan doen over het bestaan en het bedrag van de belastingschuld, teruggave moet bevelen van de gestorte voorheffingen en voorafbetalingen. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 308 van het W.I.B.
(1964), is het niet ontvankelijk nu het geen zelfstandige grief formuleert doch volkomen afgeleid is uit de onder het middel tevergeefs aangevoerde schending van de artikelen 211 en 260 van het W.I.B. 1964. Besluit: VERWERPING. Tekst van de beslissing Nr. F.02.0061.N R.H. eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Anna Baekelandt, advocaat bij de balie te Antwerpen, kantoor houdende te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 255/17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de Gewestelijke directeur der directe belastingen te Brussel 2, wiens kantoren gevestigd zijn te 1050 Brussel, Louizalaan 233, verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 31 mei 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 186, 203, 211, ,§1, en ,§2, 260, 266 en 308 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1991, thans bekend als de artikelen 276, 296, 304, 355, 365 en 418 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen
(1992). Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart de voorziening ontvankelijk doch ongegrond, na te hebben vastgesteld dat de onroerende voorheffing (22.983 BEF 569.73 euro) en voorafbetalingen (400.000 BEF 9.915,74 euro) werden aangerekend bij inkohiering van de bestreden aanslag op 16 april 1992 ; dat kwestieuze aanslag door de aangevochten directoriale beslissing van 12 april 1994 werd vernietigd wegens het niet-verzenden van een bericht van wijziging ; dat deze beslissing meldt dat een vervangende aanslag zal worden gevestigd bij toepassing van artikel 355 W.I.B. 1992 (artikel 260 W.I.B. 1964) ; dat de onroerende voorheffing (22.983 BEF 569.76 euro) en de voorafbetalingen (400.000 BEF 9.915,74 euro) met betrekking tot de kwestieuze aanslag werden aangerekend bij inkohiering van de vervangende aanslag ; dat verzoekster tegen de vervangende aanslag op 14 juni 1994 bezwaar heeft ingediend, dat evenwel over dit bezwaar nog geen uitspraak werd gedaan. (Eiseres) werpt op dat de directeur op 12 april 1994 de terugbetaling van de onterecht ingehouden sommen had dienen te bevelen, vermeerderd met de moratoriumintresten zoals voorzien in artikel 30 W.I.B. 1964 ( artikel 418 W.I.B. 1992) ; dat de Administratie tegenwerpt dat geen moratoriumintresten verschuldigd zijn omdat zij op het ogenblik van de vernietiging van de oorspronkelijke betwiste aanslag van plan was en trouwens verplicht was om het gelijkheidsbeginsel tussen de belastingplichtigen te eerbiedigen artikel 260 W.I.B. 1964 (artikel 355 W.I.B. 1992) toe te passen en een vervangende aanslag te vestigen waarop zij de 422.983 BEF (10.485,47 euro) wilde aanrekenen en effectief aangerekend heeft. Het bestreden arrest verklaart de vordering van eiseres ongegrond op grond van de overweging dat artikel 260 W.I.B. 1964 (artikel 355 W.I.B. 1992) de Administratie de verplichting oplegt een niet met toepassing van een regel van prescriptie nietig verklaarde aanslag te vervangen door een nieuwe vervangende aanslag ; dat in de mate de aanslag nietig is en dat het bedrag van de eventuele belastingschuld niet kan worden vastgesteld, terwijl wordt aangenomen dat de voorafbetalingen en de onroerende voorheffing zullen kunnen worden verrekend bij het vestigen van de vervangende aanslag, het hof van beroep de teruggave niet kan bevelen van de voorafbetalingen en de onroerende voorheffing ; dat gezien artikel 308 W.I.B. 1964 (artikel 418 W.I.B. 1992) bepaalt dat "bij terugbetaling van belastingen worden moratoriumintresten toegekend ..." en er terzake van terugbetaling geen sprake kan zijn, het hof (van beroep) geen moratoriumintresten mag toekennen. Grieven Artikel 266 W.I.B. 1964 bepaalt dat "... de belasting der niet-verblijfhouders wordt opgenomen in de jaarlijkse of bijzondere kohieren ...". De belastingschuld inzake directe belastingen ontstaat weliswaar uit de Financiewet, doch wordt slechts definitief verschuldigd doordat zij binnen de wettelijke bepaalde termijn wordt ingekohierd. De belasting der niet-verblijfhouders wordt niet gevestigd door de inning van voorheffingen en voorafbetalingen, doch wel door de in artikel 266 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964 voorgeschreven inkohiering. Tevens dient rekening te worden gehouden met artikel 211, ,§1, en 2, W.I.B. 1964 waarbij wordt bepaald dat een aanslag in de belasting ondermeer der niet-verblijfhouders niet ten kohiere wordt gebracht wanneer hij, na verrekening van de voorheffingen, voorafbetalingen en andere bestanddelen geen 100 BEF bedraagt, terwijl het overschot van voorafbetalingen en roerende voorheffing na verrekening wordt teruggegeven indien het ten minste 100 BEF bedraagt. Nu in casu de bestreden aanslag werd vernietigd wegens schending van artikel 267 W.I.B. 1964 (niet-verzenden van een bericht van wijziging), kan het hof van beroep niet zonder schending van de artikelen 266 en 211, ,§1, en 2, W.I.B. 1964 beslissen dat de Administratie gerechtigd was de geïnde bedragen te behouden. Evenmin kan uit artikel 260 W.I.B. 1964, dat de Administratie toelaat een niet met toepassing van een verjaringsregel nietig verklaarde aanslag te vervangen door een nieuwe aanslag, worden afgeleid dat het hof van beroep, wanneer het aanneemt dat een aanslag niet regelmatig is tot stand gekomen en derhalve geen uitspraak kan doen over het bestaan en het bedrag van de belastingschuld, moet beslissen dat de gestorte voorheffingen en voorafbetalingen door het bestuur mogen worden behouden als voorschot op een nieuwe eventuele aanslag. Hieruit volgt dat door aldus te oordelen, het hof van beroep de bepalingen van artikel 260 W.I.B. 1964 schendt. Door te oordelen dat geen teruggave kan worden bevolen en dientengevolge geen moratoriumintresten toe te kennen, schendt het hof van beroep de bepalingen van artikel 308 W.I.B. 1964. De door het bestuur zonder geldig kohier ingehouden bedragen werden immers oorspronkelijk verrekend met een belastingaanslag, zodat zij zelf vanaf die verrekening de aard van belasting verkregen. Wanneer achteraf blijkt dat het bestuur niet beschikt over geldige titel, moet de terugbetaling worden bevolen van de ten onrechte geïnde bedragen, te verhogen met moratoriumintresten. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat het middel niet preciseert op welke manier het arrest de artikelen 186 en 203 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)schendt ; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is ; Overwegende verder dat wanneer een aanslag wordt vernietigd om een andere reden dan verjaring, artikel 260 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)de Administratie de verplichting oplegt een subsidiaire aanslag te vestigen ten name van dezelfde belastingplichtige en op grond van dezelfde belastingselementen of een gedeelte ervan, hetzij binnen drie maanden te rekenen van de datum waarop de beslissing van de directeur niet meer vatbaar is voor een voorziening bij het hof van beroep, hetzij binnen zes maanden te rekenen van de datum waarop de beslissing van het hof van beroep niet meer vatbaar is voor cassatieberoep ; Dat uit artikel 170 van de Grondwet, volgens hetwelk geen belasting kan worden ingevoerd dan door een wet, en uit het aan artikel 211, ,§2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)onderliggende beginsel, volgt dat de Belgische Staat die voorafbetalingen heeft ontvangen die niet kunnen worden verrekend met enige belasting, tot teruggave ervan moet worden veroordeeld ; dat uit het fiscale legaliteitsbeginsel vervat in de voornoemde grondwetsbepaling eveneens voortvloeit dat de Administratie tot teruggave van het verrekenbare gedeelte van de onroerende voorheffing verplicht is wanneer ten name van de belastingplichtige geen aanslag werd ingekohierd ; Dat hieruit volgt dat wanneer het hof van beroep aanneemt dat de betwiste aanslag om een andere reden dan verjaring nietig is en aldus het bestaan en het bedrag van de eventuele belastingschuld niet kan vaststellen, en impliciet aanneemt dat de betaalde voorafbetalingen en de onroerende voorheffing zullen kunnen worden verrekend bij het vestigen van een subsidiaire aanslag, dit hof geen terugbetaling kan bevelen van de ingehouden voorafbetalingen en de betaalde onroerende voorheffing ; Overwegende dat het middel ervan uitgaat dat het hof van beroep dat aanneemt dat de betwiste aanslag nietig is wegens het niet-verzenden van een bericht van wijziging en dat aanneemt dat de voorafbetalingen en de onroerende voorheffing zullen kunnen worden verrekend bij het vestigen van de subsidiaire aanslag, niettemin teruggave moet bevelen van de betaalde voorheffingen en voorafbetalingen ; Dat het middel in zoverre faalt naar recht ; Overwegende dat het middel, in zoverre het de schending aanvoert van artikel 308 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), afgeleid is uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 211 en 260 van voornoemd wetboek ; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van negenendertig euro tweeëntwintig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van twintig mei tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050520.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div