id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050520.6 Rolnummer: F.02.0036.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2005-08-12 Raadplegingen: 324 - laatst gezien 2026-07-04 14:17 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Handelsvennootschappen of burgerlijke vennootschappen, opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, die als maatschappelijk doel het beheer van vastgoed hebben, houden zich bezig met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard in de zin van artikel 94, eerste lid, W.I.B.
(1964). Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Algemeen Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Algemeen Onderworpen rechtspersonen Voorwaarden Exploitatie of verrichtingen van winstgevende aard Handelsvennootschap of burgerlijke vennootschap met handelsvorm Patrimoniumvennootschap Fiche 2 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 20 mei 2005, AR F.02.0036.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Algemeen Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Algemeen Onderworpen rechtspersonen Voorwaarden Exploitatie of verrichtingen van winstgevende aard Handelsvennootschap of burgerlijke vennootschap met handelsvorm Patrimoniumvennootschap Nota: F.02.0036.N Conclusie openbaar ministerie:
- De fiscale betwisting betreft de vraag of verweerster, een patrimoniumvennootschap onder de vorm van een N.V., belastbaar is in de rechtspersonenbelasting of in de vennootschapsbelasting. Het bestreden arrest oordeelt dat verweerster belastbaar is in de rechtspersonenbelasting nu niet blijkt dat zij zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard, na te hebben overwogen dat:
- volgens artikel 4 van de statuten van de rechtsvoorganger van verweerders het statutair doel van deze naamloze vennootschap beperkt is tot het louter beheer van haar patrimonium;
- de omstandigheid dat de rechtsvoorganger van verweerders handelingen mag stellen met het oog op de opbrengst van haar goederen op zich niet inhoudt dat zij het kader van het beheer te buiten gaat;
- de omstandigheid dat deze opbrengsten uitgekeerd worden onder de vorm van dividenden en tantièmes of dat deze opbrengsten van de rechtsvoorganger van verweerders winsten worden genoemd ook niet inhoudt dat zij meer doet dan haar patrimonium beheren;
- uit niets blijkt dat de werkelijke activiteit van de rechtsvoorganger van verweerders niet zou overeenstemmen met wat als haar maatschappelijk doel is bepaald; Het bestreden arrest wordt bestreden in de mate dat het beslist dat verweerster belastbaar is in de rechtspersonenbelasting en aldus de herberekening beveelt voor de aanslagjaren 1983, 1985, 1986, 1987 en 1988 (eerste middel), en de aanslagen van ambtswege gevestigd over de aanslagjaren 1984 en 1989, bij gebreke aan aangifte in de vennootschapsbelasting, vernietigt (tweede middel).
- Eiser voert onder het eerste middel onder meer schending aan van artikel 94 W.I.B. en van artikel 1832 Burgerlijk Wetboek argumenterend dat verweerster met de door haar verwezenlijkte opbrengsten overeenkomstig dat artikel 94 onderworpen is aan de vennootschapsbelasting.
- (...)
- Ten gronde. 4.
- Om het even welke vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen die regelmatig zijn opgericht, rechtspersoonlijkheid hebben, in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben en zich met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, zijn aan de vennootschapsbelasting onderworpen (artikel 94 W.I.B. 1964; artikelen 2 en 179 W.I.B. 1992). Vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen met rechtspersoonlijkheid die in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer en zich niet met exploitatie of verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, zijn aan de rechtspersonenbelasting onderworpen (artikel 136, 2° W.I.B. 1964; artikel 220, 3° W.I.B. 1992). 4.
- Tussen de toepassing van de vennootschapsbelasting aan de ene kant en de rechtspersonenbelasting aan de andere kant, wordt een scheidingslijn getrokken aan de hand van het criterium "zich bezighouden met een exploitatie of verrichtingen van winstgevende aard". De vraag kan worden gesteld of het wel zinvol is om in het geval van een handelsvennootschap te spreken van een 'beroepswerkzaamheid' (P. LAUWERS, 'Het begrip 'beroepswerkzaamheid' in de inkomstenbelastingen', T.F.R., nr. 109, mei 1992, 117). Indien het gaat om een handelsvennootschap, dan zullen alle verrichtingen van deze rechtspersoon kaderen in haar 'beroepswerkzaamheid'. De handelsvennootschap kan immers geen handelingen verrichten buiten haar beroepswerkzaamheid. Het heeft dan ook geen zin voor een dergelijke vennootschap de eis te stellen dat het moet gaan om een winstgevende bezigheid. De vennootschapsbelasting zal verschuldigd zijn vanaf het moment dat er een (winstgevende) verrichting plaatsvindt (I. CLAEYS BOUUAERT, Principes de l'imposition des sociétés en Belgique, Brussel, Larcier, 1970, 30; D. DESCHRIJVER, Het fiscaal statuut van de V.Z.W., Fiscale monografieën, Ced-Samsom, 1982, 33). Eenzelfde redenering kan gevolg worden voor de burgerlijke vennootschappen die de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen. Zowel voor de handelsvennootschappen als voor de burgerlijke vennootschappen met de vorm van een handelsvennootschap, geldt het winstoogmerk als een essentiële vereiste. Dit winstoogmerk wordt ingevolge het ten deze toepasselijk
(1)artikel 1832 Burgerlijk Wetboek vooropgesteld bij het aangaan van een vennootschapscontract zodat voor iedere verrichting dit winstoogmerk geacht wordt aanwezig te zijn (K. GEENS, De nietigheid bij de oprichting van een vennootschap, T.P.R., 1990, nr. 4, p. 1675; P. Lauwers, o.c., p. 118). 4.
- Ook volgens de vaste rechtspraak van Uw Hof worden de eigenlijke vennootschappen immers geacht uitsluitend te zijn opgericht om een winstgevende activiteit uit te oefenen. In verscheidene arresten oordeelde Uw Hof ter zake dat een handelsvennootschap met rechtspersoonlijkheid een rechtspersoon is die in het leven geroepen wordt om een winstgevend bedrijf uit te oefenen en niets kan bezitten dat voor dit doeleinde niet bestemd is; dat haar vermogen, ongeacht de oorsprong ervan, noodzakelijk een bedrijfskarakter heeft en dat alles wat zij, buiten haar vennootschapskapitaal, heeft een bedrijfswinst is na aftrek van de lasten, zodat zij steeds aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen (Cass., 3 juni 1983, F.J.F., 1983, nr. 84/4; Cass., 28 januari 1982, A.C., 1982, nr. 324; F.J.F., 1982/93; Cass., 28 januari 1969, A.C., 1969, 515; Cass., 13 juni 1967, A.C., 1967, 1256; Cass., 7 juni 1966, Bull. Bel., 1966, nr. 445, p. 1722; Pas., 1965, 1281; Cass., 17 maart 1964, Bull. Bel., 1964, nr. 418, p. 784; Cass., 4 juni 1963, Pas., 1963, 1049; Cass., 20 februari 1962, Pas., 1962, 706; Cass., 12 april 1937, Pas., 1937, 106). 4.
- Verwijzend naar deze rechtspraak van Uw Hof gaan de fiscale auteurs ervan uit dat de hier besproken toepassingsvoorwaarde van de vennootschapsbelasting normaal geen problemen kan stellen wat betreft de handelsvennootschappen en burgerlijke vennootschappen met commerciële vorm
(2). 4.
- In een arrest van 9 september 1958 oordeelde Uw Hof inzake het fiscaal statuut van de patrimoniumvennootschap, de N.V. "Het Landhuis", dat de maatschappelijke activiteit van een burgerlijke vennootschap, die in de vorm van een naamloze vennootschap is opgericht en zich bezighoudt met het beheer van de onroerende goederen waarvan zij eigenaar is, een winstgevende bezigheid uitmaakt. Bijgevolg maakte al wat de opbrengst was van het enig onroerend goed van deze vennootschap een opbrengst uit van haar maatschappelijke, dus haar bedrijfsactiviteit, waarop artikel 25, ,§1, 3° S.W.I.B. van toepassing was. Zelfs in een vennootschap waarvan het voorwerp van burgerlijke aard is en welke, zonder dit karakter te verliezen, de vorm van een handelsvennootschap ontleend heeft, is het rechtswezen dat zij uitmaakt uitsluitend tot stand gebracht met het oog op het uitoefenen van een winstgevende bedrijfsactiviteit (Cass., 9 september 1958, A.C., 1959, 11, J.D.F., 1959, 49, kritische noot DRION DU CHAPOIS). Zo ook besliste het Hof van Beroep te Antwerpen in een arrest van 16 januari 1995 dat aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, een vennootschap die als maatschappelijk doel heeft haar patrimonium, samengesteld uit onroerende en roerende goederen zoals ingebracht bij haar oprichting of verkregen op een later tijdstip, te beheren en alle bedrijvigheden te verrichten die rechtstreeks of onrechtstreeks daarmee verband houden - zoals de aan- en verkoop van die goederen, het verhuren, het ruilen, het laten bouwen, het verbouwen, het onderhouden, het herstellen en het uitrusten ervan en die van aard zijn het patrimonium te bevorderen (Antwerpen, 16 januari 1995, F.J.F., nr. 95/156; Zie ook, Gent, 4 oktober 1995, R.W., 1995-96, 1029; K. DE MOOR, Fiscale Rechtspraakoverzichten Inkomstenbelastingen 1980-1998, Boek 3, Deel IV: Vennootschapsbelasting, p. 16 en 17). 4.
- Gelet op de gevestigde rechtspraak en rechtsleer lijdt het m.i. geen twijfel dat patrimoniumvennootschappen aan de vennootschapsbelasting en niet aan de rechtspersonenbelasting onderworpen zijn "aangezien ze zich per definitie bezighouden met winstgevende bezigheden, meer bepaald het productief beheer van roerende en onroerende goederen" (BONTE, Ph., Patrimoniumvennootschappen, p. 107, nr. 121). 4.
- Bepaalde rechtsleer neemt een afwijkend standpunt in waar gesteld wordt dat ook voor fiscale doeleinden de werkelijke aard van de vennootschap niet afhangt van de vorm waarin ze is opgericht, maar van het voorwerp van haar werkzaamheden zoals deze blijkt uit haar statuten. Bijgevolg zou een rechtspersoon die is opgericht in de juridische vorm van een handelsvennootschap, maar waarvan de statuten noch de werkelijke activiteit wijzen op de exploitatie van een onderneming of van verrichtingen van winstgevende aard, niet aan de vennootschapsbelasting maar aan de rechtspersonenbelasting onderworpen zijn (DE KLERCK, L. e.a., Manuel pratique d'impôt des sociétés, p. 39-40; HINNEKENS, L., "Fiscale kwalificatievragen in verband met buitenlandse commerciële en burgerlijke vennootschappen en rechtspersonen met onroerend goed in België", in Liber Amicorum Jean-Pierre Lagae, Ced.Samson, 1998, 367); Ph. HINNEKENS, "Enkele aandachtspunten inzake de toepassing van de transparantie in de Belgische fiscale praktijk", T.F.R., 2000,p. 9-11). Deze auteurs verwijzen naar een arrest van Uw Hof van 12 september 1977 inzake een onderlinge verzekeringsvereniging in de vorm van een coöperatieve vennootschap, welke het bedrag van de ristorno's op premies betaald door de vennoten niet aan hen terugbetaalde, maar stortte in een zgn. voorbehoudingsfonds om aan de leden dekking te verlenen in geval van onvoorziene zware rampen. Krachtens haar statuten kon deze vereniging de baten uit het beleggen van de gestorte premies en ook van het voorbehoudingsfonds zich zelfs niet voorlopig toeëigenen. De baten kwamen de vennoten toe in verhouding tot hun aandelen. Een dergelijke coöperatieve vennootschap houdt zich volgens bedoeld arrest niet bezig met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard (Cass., 12 september 1977, A.C., 1978, 44). In zijn noot onder het thans bestreden arrest stelt DESCHRIJVER m.i. terecht dat bedoeld cassatiearrest niet de doorslag kan geven. In dit bijzonder geval kon de vereniging ten aanzien van de belegde vermogensbestanddelen als zodanig geen eigendomsrechten laten gelden, wat uiteraard wel het geval is bij de klassieke patrimoniumvennootschappen ("Patrimoniumvennootschappen: geen rechtspersonenbelasting", noot onder Gent, 29 januari 2002, T.F.R., 2002,
(816), 819)). Bedoelde rechtspraak kan inderdaad niet richtinggevend zijn bij de beoordeling van de thans aan Uw Hof gestelde rechtsvraag, gelet op het zeer specifiek statuut van de onderlinge verzekeringsverenigingen dat noopt tot een aangepaste fiscale behandeling (cfr. Com. I.B. 1992, nr. 179/33). In deze context moet opgemerkt worden dat de onderlinge verzekeringsmaatschappijen in beginsel verenigingen zijn die geen winstoogmerk nastreven en geen onderneming exploiteren of zich niet bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard, en ook geen dividenden kunnen uitkeren (zie nader STULEMEYER, H., bespreking van Gent, 28 november 1996, A.F.T., 1997,
(338), 340; Cl. CHEVALIER, Vademecum Vennootschapsbelasting, Larcier, p. 22, die een aparte afdeling wijdt aan het fiscaal statuut van de Onderlinge verzekeringsverenigingen opgericht overeenkomstig artikel 2 van de Wet van 11 juni 1874). Citeren wij in dit verband nog het antwoord op een parlementaire vraag waarin gesteld werd dat een onder de vorm van een handelsvennootschap opgerichte rechtspersoon steeds aan de vennootschapsbelasting onderworpen is wanneer ze dividenden uitkeert (Vr. nr. 248, VANSTEENKISTE, Vr. en Antw. Kamer, 1983-84, 17 april 1984, 2362; Bull. Bel., 1984, nr. 631, 2225). 4.8. Abstractie gemaakt van het sui generis statuut van de onderlinge verzekeringsverenigingen, "lijkt (de opvatting dat een rechtspersoon die is opgericht in de juridische vorm van een handelsvennootschap, maar waarvan de statuten noch de werkelijke activiteit wijzen op de exploitatie van een onderneming of op verrichtingen van winstgevende aard, niet aan de vennootschapsbelasting maar aan de rechtspersonenbelasting is onderworpen) juridisch moeilijk te verantwoorden" (S. VAN CROMBRUGGE, Beginselen van de vennootschapsbelasting, Vijfde uitgave, 1999, p. 21-22). Uit het voorgaande volgt dat het bestreden arrest uit de soeverein gedane feitelijke vaststellingen, dat de daadwerkelijke activiteit van de voormalige N.V. MELIMMO zich beperkt tot het louter beheer van het onroerend patrimonium van de vennootschap in het kader waarvan de opbrengsten ervan uitgekeerd worden onder de vorm van dividenden of tantièmes, en dat deze vennootschap zich helemaal niet bezighoudt met het ter beschikking stellen van goederen of diensten aan derden, niet wettig heeft kunnen afleiden dat bedoelde vennootschap zich niet bezighield met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard in de zin van artikel 94 W.I.B. 1964, en om die reden belastbaar is in de rechtspersonenbelasting en niet in de vennootschapsbelasting. De grief komt dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING. ___________________________
(1)Artikel 1832 B.W., zoals van toepassing voor de wijziging bij wet 13 april 1995. Ingevolge het nieuwe art. 1832 B.W. kan het winstoogmerk dat de vennootschap van de vereniging onderscheidt, niet enkel een rechtstreeks, maar ook een onrechtstreeks vermogensvoordeel behelzen. De vennootschap kan dus gericht zijn op de besparing van kosten of de vermijding van verliezen (cfr. K. GEENS, "De fundamenten van het vennootschapsrecht dooreengeschud voor de eeuwwende", in De Nieuwe Vennootschapswetten van 7 en 13 april 1995, nrs. 37 e.v.).
(2)BEGHIN, P. en FLAMANT, K. Handboek vennootschapsbelasting 2001-2002, Antwerpen, Intersentia, 2001, p. 31; CHEVALIER, C., Vademecum Vennootschapsbelasting 2001. Een resultaatgerichte benadering, 21; CLAEYS BOUUAERT, Principes de l'imposition des sociétés en Belgique, Brussel, Larcier, 1970, p. 30-31 ; DEKLERK, L. e.a., Manuel pratique de l'impôt des sociétés (4e édition), p. 39-40 ; DENEF, M., "De vennootschap met een sociaal oogmerk: algemeen juridisch kader en fiscaal statuut", A.F.T., 1996,
(153), 154; DENYS, L.A., "Fiscale kwalificatie van inkomsten uit verenigingen in het Belgisch en internationaal fiscaal recht", in Liber Amicorum Prof. em. E. Krings, 959-1005; GEENS, K., "De nietigheid bij de oprichting van een vennootschap", T.P.R., 1990, p. 1675; HINNEKENS, L., "Fiscale kwalificatievragen in verband met buitenlandse commerciële en burgerlijke vennootschappen en rechtspersonen met onroerend goed in België", in Liber Amicorum Jean-Pierre Lagae, Brussel, Ced. Samson, 1998, 361-386; HINNEKENS, Ph., "Enkele aandachtspunten inzake de toepassing van de transparantie in de Belgische fiscale praktijk", T.F.R., 2000,
(943), 946; LAUWERS, P., "Het begrip "beroepswerkzaamheid in de inkomstenbelastingen", T.F.R., 1992,
(95), 116-119; MALHERBE, J. e.a., Droit fiscal. L'impôt des sociétés, Brussel, Larcier, 1997, p. 32, nr. 30 ; SABLON, S. en LIEVENS, S., "De evolutie van het begrip "winstgevende werkzaamheden", A.F.T., 1983, 68-74; SCHOLSEM, J.-C., "La notion de bénéfice dans le contrat de société ", R.P.S., 1969, nr. 5509 ; SCHRANS, G., " Poging tot omschrijving van de onderneming als rechtssubject", R.W., 1979-80,
(2379), 2393; STULEMEYER, H., noot onder Gent, 28 november 1996, A.F.T., 1997,
(338), 340; VAN CROMBRUGGE, S., Beginselen van de vennootschapsbelasting, 1999, p. 21, nr. 16; VAN CROMBRUGGE, S., "Het toepassingsgebied van de rechtspersonenbelasting" (noot onder Antwerpen, 29 februari 1988), T.R.V., 1988, 294; VAN CROMBRUGGE, S., "NV onder rechtspersonenbelasting", Fiskoloog, 2002, nr. 835/10-11; VAN DEN EECKHAUT, R., "Raakpunten vennootschapsbelasting en rechtspersonenbelasting", in Fiscaal praktijkboek '95-'96, p. 277-304; VAN GERVEN, D., "Vennootschappen met sociaal oogmerk", T.B.H., 1997,
(352), 365; VAN HOUTTE, J., Beginselen van het Belgisch belastingrecht, Gent-Leuven, Story-Scientia, 1979, 218; WOUTERS, J. en DENEF, M., "Artikel 1832 B.W.", in Vennootschapsrecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer. Tekst van de beslissing Nr. F.02.0036.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Gewestelijk directeur der directe belastingen te Brugge, wiens kantoor gevestigd is te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, eiser, tegen
- RESIDENTIE DE BIEKORF, naamloze vennootschap, met zetel te 8660 De Panne, Duinhoekstraat 15,
- MELI, naamloze vennootschap, met zetel te 8630 Veurne, Handelsstraat 13, verweersters, rechtsopvolgers van Melimmo NV, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 29 januari 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 20, 1°, 21, 1°, en 94 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (hierna afgekort WIB) zoals van toepassing voor de aanslagjaren 1983 t.e.m. 1989 ; artikel 1832 van het Burgerlijk Wetboek ; artikel 212 Wetboek van Koophandel Titel IX Handelsvennootschappen ; voor zover als nodig, de artikelen 1 en 3 van het Wetboek van Vennootschappen ; artikel 256 WIB betreffende de aanslagen gevestigd voor de aanslagjaren 1984 en
- Aangevochten beslissingen Na te hebben overwogen dat volgens de bepalingen van artikel 4 van de statuten van (Melimmo NV) haar statutair doel beperkt is tot het louter beheer van haar patrimonium, dat het feit dat volgens dit statutair doel (Melimmo NV) handelingen mag stellen met het oog op opbrengst van haar goederen op zich niet inhoudt dat (Melimmo NV) het kader van het beheer te buiten gaat, dat het beheer van een patrimonium niet alleen de instandhouding ervan inhoudt doch ook dat de nodige handelingen worden gesteld opdat het vruchten zou opbrengen, dat dergelijke opbrengst onder meer kan bestaan uit het innen van (desgevallend geïndexeerde) huur, dat het feit dat deze opbrengsten uitgekeerd worden onder de vorm van dividenden of tantièmes of dat deze opbrengsten van (Melimmo NV) winsten worden genoemd ook niet inhoudt dat (Melimmo NV) meer doet dan haar patrimonium beheren, dat de benaming die men eraan geeft de werkelijke aard van de opbrengsten niet vermag te wijzigen, dat uit niets blijkt dat de werkelijke activiteit van (Melimmo NV) niet zou overeenstemmen met wat als haar maatschappelijk doel is bepaald. Het bestreden arrest beslist dat, in acht genomen hetgeen voorafgaat, niet blijkt dat (Melimmo NV) zich bezighoudt met een exploitatie, dat dit niet alleen door de Administratie niet voorgehouden wordt, maar dat ook uit geen enkel gegeven kan worden afgeleid dat (Melimmo NV) goederen of diensten ter beschikking van een cliënteel stelt, dat evenmin blijkt dat, in acht genomen hetgeen voorafgaat, (Melimmo NV) zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard, maar haar activiteit beperkt is tot het beheer van haar goederen, dat niet tot een ander besluit leidt het feit dat (Melimmo NV), zijnde een handelsvennootschap, inbreng deed van onroerende goederen die zij voorheen tot de uitoefening van haar activiteiten aanwendde en dat zij tevens aandeelhoudster is in (Melimmo NV), dat dit immers op zich niet impliceert dat (Melimmo NV) zelf zich bezighoudt met een exploitatie of verrichtingen van winstgevende aard, dat aldus (Melimmo NV) belastbaar is in de rechtspersonenbelasting en niet in de vennootschapsbelasting. Grieven Zo voor de kwestieuze jaren overeenkomstig artikel 212 van het Wetboek van Koophandel Titel IX Handelsvennootschappen (thans opgeheven maar gedeeltelijk hernomen in artikel 3 van het Wetboek van Vennootschappen) de vennootschappen waarvan het doel burgerlijk is de rechtsvorm van een handelsvennootschap kunnen aannemen zonder hun burgerlijke aard te verliezen, dit niet weg neemt dat overeenkomstig artikel 1832 van het Burgerlijk Wetboek (thans gedeeltelijk hernomen in artikel 1 van het Wetboek van Vennootschappen) deze vennootschappen zich tot doel stellen aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen. Het arrest dat concludeert dat volgens de bepalingen van artikel 4 van de statuten van (Melimmo NV) haar doel beperkt is tot het louter beheer van haar patrimonium en dat uit niets blijkt dat haar werkelijke activiteit niet zou overeenstemmen met wat als haar maatschappelijk doel is bepaald, vermag hieruit niet te besluiten dat niet blijkt dat (Melimmo NV) zich bezighoudt met een exploitatie of verrichtingen van winstgevende aard, aangezien een burgerlijke vennootschap, die zonder haar burgerlijk doel te verliezen de vorm van een naamloze vennootschap heeft aangenomen, uitsluitend is opgericht om een winstgevende beroepswerkzaamheid uit te oefenen. De opbrengsten die verweerster aldus verwezenlijkt worden beoogd in de artikelen 20, 1°, en 21, 1°, WIB en aangezien (Melimmo NV) rechtspersoonlijkheid heeft, is zij met de door haar verwezenlijkte opbrengsten overeenkomstig artikel 94 WIB onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Door te beslissen dat (Melimmo NV) onderworpen is aan de rechtspersonenbelasting en de herberekening van de aanslagen gevestigd in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 1983, 1985, 1986, 1987 en 1988 te bevelen en de teruggave te bevelen van het eventueel teveel geïnde meer de moratoriuminteresten behoudens op de belastingverhogingen, schendt het bestreden arrest aldus de artikelen 20, 1°, 21, 1°, en 94 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen alsook artikel 1832 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 212 van het Wetboek van Koophandel Titel IX Handelsvennootschappen en voor zover als nodig de artikelen 1 en 3 van het Wetboek van Vennootschappen. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest, na te hebben vastgesteld dat ten aanzien van de aanslagjaren 1984 en 1989 de aanslagen van ambtswege werden gevestigd bij gebrek aan regelmatige aangifte omdat (Melimmo NV) in cassatie een aangifteformulier in de vennootschapsbelasting indiende maar aangepast had aan de rechtspersonenbelasting, beslist dat de Administratie op deze grond niet vermocht een aanslag van ambtswege te vestigen gezien (Melimmo NV), in acht genomen hetgeen hoger werd uiteengezet, belastbaar is in de rechtspersonenbelasting zodat die aanslagen dienen vernietigd te worden. Grieven Nu zoals uit het eerste middel blijkt dat (Melimmo NV) onderworpen is aan de vennootschapsbelasting moest zij voor de kwestieuze aanslagjaren een aangifte in de vennootschapsbelasting indienen en door dit niet te doen valt zij onder de toepassing van artikel 256, eerste lid, eerste gedachtenstreepje, WIB. Hieruit volgt dat, door de aanslagen gevestigd in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 1984 en 1989 te vernietigen en de teruggave te bevelen van het eventueel teveel geïnde meer de moratoriuminteresten behoudens op de belastingverhogingen, het bestreden arrest artikel 256 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen schendt. IV. Beslissing van het Hof
- Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel Overwegende dat de verweersters aanvoeren dat het middel niet ontvankelijk is omdat bij gebrek aan precisering dient aangenomen te worden dat eiser de bepalingen viseert van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, zoals die momenteel van kracht zijn onder het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), wat tot gevolg heeft dat al deze bepalingen vreemd zijn aan de opgeworpen betwisting en bijgevolg niet tot cassatie kunnen leiden ; Overwegende dat uit het middel blijkt dat :
- de voorziening in beroep van Melimmo NV gericht was tegen een beslissing van de Gewestelijke directeur der belastingen over de aanslagjaren 1983 en 1985 tot en met 1988 ;
- het uitdrukkelijk schending aanvoert van de artikelen 20, 1°, 21, 1°, en 94 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen zoals van toepassing voor de aanslagjaren 1983 tot 1989 ; Dat daaruit blijkt dat het middel geen betrekking heeft op het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992); Dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen ; 2. Middel Overwegende dat, krachtens artikel 94, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn, de vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen die rechtspersoonlijkheid bezitten, in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben en zich met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden ; Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijk artikel 1832 van het Burgerlijk Wetboek, het winstoogmerk een essentiële vereiste uitmaakt van het vennootschapscontract, zowel voor de handelsvennootschappen als voor de burgerlijke vennootschappen met handelsvorm ; Dat de handelsvennootschappen of burgerlijke vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, geacht worden te zijn opgericht met het oog op het uitoefenen van een winstgevende activiteit ; Dat meer bepaald een burgerlijke vennootschap, opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, die als maatschappelijk doel heeft het beheer van vastgoed, zich met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat :
- volgens artikel 4 van de statuten van Melimmo NV van verweerders het statutaire doel van deze naamloze vennootschap beperkt is tot het louter beheer van haar patrimonium ;
- de omstandigheid dat Melimmo NV handelingen mag stellen met het oog op de opbrengst van haar goederen op zich niet inhoudt dat zij het kader van het beheer te buiten gaat ;
- de omstandigheid dat deze opbrengsten uitgekeerd worden onder de vorm van dividenden en tantièmes of dat deze opbrengsten van Melimmo NV winsten worden genoemd ook niet inhoudt dat zij meer doet dan haar patrimonium beheren ;
- uit niets blijkt dat de werkelijke activiteit van Melimmo NV niet zou overeenstemmen met wat als haar maatschappelijk doel is bepaald ; Dat appèlrechters op grond van die vaststellingen niet wettig hebben kunnen oordelen dat "niet blijkt (Melimmo NV) zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard" en dat "(NV Melimmo) belastbaar is in de rechtspersonenbelasting" ; Dat het middel gegrond is ;
- Overige grieven Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit de fiscale voorziening ontvankelijk verklaart ; Beveelt dat van dit arrest melding zal gemaakt worden op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen ; Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van twintig mei tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050520.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div