← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050527.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050527.6 Rolnummer: C.03.0368.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-08-11 Raadplegingen: 230 - laatst gezien 2026-07-03 12:14 Versie(s): Vertaling FR Fiche De feiten die vermeld zijn in het verzoek tot herroeping van het gewijsde en hun kwalificatie onder een of meer van de in art. 1133 Ger.W. limitatief opgesomde redenen, kunnen niet meer worden uitgebreid of gewijzigd

(1).
(1)Ch. Van Reepinghen, Verslag over de gerechtelijke hervorming, 1964, 442; P. Depuydt, "Herroeping van het gewijsde" in Comm. Ger., Kluwer, Artt. 1134-2, nr 1. Thesaurus CAS: HERROEPING VAN HET GEWIJSDE Vrije woorden: HERROEPING VAN HET GEWIJSDE Redenen Initieel verzoekschrift Middelen tot staving Wijziging of uitbreiding Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1134 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0368.N D.I. eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.L. verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 april 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 5, 702, 3°, 774, 807, 1133, 1°, 1136 en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek ; het algemeen rechtsbeginsel zoals neergelegd in onder meer artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek volgens hetwelk het de rechter toekomt, onder eerbiediging van het recht van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgedragen feiten, zonder het voorwerp noch de oorzaak van de vordering te wijzigen, de rechtsregel toe te passen op grond waarvan hij op de vordering zal ingaan of ze zal afwijzen. Aangevochten beslissingen In het bestreden arrest verklaren de appèlrechters de vordering van eiseres op grond van artikel 1133, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek niet ontvankelijk op grond van de volgende overwegingen : "(...) dat de relevante feiten en voorgaanden, zoals die blijken uit de overgelegde stukken, de volgende zijn : - bij vonnis van 14 september 1993 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt werden de door ieder der partijen ingeleide respectieve echtscheidingszaken samengevoegd en de respectieve echtscheidingsvorderingen ontvankelijk verklaard, tevens werd (eiseres) gemachtigd tot het getuigenbewijs van vier feiten en (verweerder) tot het getuigenbewijs van vijf feiten die telkens hun respectieve vorderingen moesten schragen ; - het tweede feit waarvan (eiseres) het bewijs mocht leveren betrof het feit 'dat (verweerder) een overspelige relatie heeft gehad en nog heeft met een andere vrouw uit zijn schoolkring ; dat hij regelmatig met deze vrouw werd gezien en met haar schuldige betrekkingen onderhield en dit reeds vanaf 1990', - dit feit werd bevestigd in het rechtstreeks getuigenverhoor van 25 januari 1994 door de getuigen W. en B. die expliciet de naam S. vermeldden, - op het tegenverhoor van 17 maart 1994 verklaarde getuige M. S., van beroep lerares en collega van (verweerder), die zelf schooldirecteur is : 'Daar weet ik dus helemaal niets van', - in zijn besluiten van 13 september 1994 beriep (verweerder) zich onder meer op die getuigenis om de vordering van (eiseres) te horen afwijzen, - bij tegensprekelijk vonnis van 10 oktober 1995 werd de tweede grief van (eiseres), het weze herhaald het overspel van (verweerder), 'na lezing van het tegenverhoor' niet bewezen verklaard, terwijl de vordering tot echtscheiding van (verweerder) op zijn vraag naar de bijzondere rol werd verzonden, - voormeld vonnis is betekend op 25 oktober 1995 en is bij gebrek aan hoger beroep in kracht van gewijsde getreden, - bij vonnis van 18 november 1997, in kracht van gewijsde gegaan op 30 december 1997, is vervolgens de echtscheiding uitgesproken in het nadeel van (eiseres), - bij vonnis van 11 december 1996 van de Correctionele Rechtbank te Hasselt blijkt A. V. strafrechtelijk veroordeeld te zijn om zich te hebben schuldig gemaakt 'aan valse getuigenis in burgerlijke zaken, namelijk door in het P.V. van rechtstreeks getuigenverhoor op tegeneis d.d. 6 oktober 1994 (...) onder eed te hebben verklaard pas in 1993 een meer dan vriendschappelijke relatie gehad te hebben met D. I. terwijl deze relatie minstens reeds sinds 1992 bestond', - bij arrest van 1 december 1998 van de tiende correctionele kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen is ook (eiseres) veroordeeld tot het afleggen van een valse eed bij het opstellen van de inventaris op 2 juni 1993 resp. 9 juli 1993 en 6 oktober 1993, - op 30 september 1999 legde (eiseres) strafklacht neer bij de Procureur des Konings te Hasselt ten laste van S., wegens het afleggen van valse getuigenis, en ten laste van (verweerder) voor het aanzetten tot valse getuigenis, - op 21 maart 2000 gaf de Procureur des Konings kennis aan de raadsman van (eiseres) van het feit dat hij had besloten het strafdossier te seponeren 'wegens onvoldoende bewijzen' en gaf tevens machtiging tot inzage en tot het nemen van afschrift van het dossier, - uit de verklaring van (verweerder) blijkt dat hij ontkent aan enige getuige iets te hebben opgedragen of deze te hebben gedwongen enige verklaring af te leggen, terwijl getuige S. op 9 februari 2000 verklaarde : 'Ik heb vanaf eind juni 1988 tot en met 1 december 1996 een relatie gehad met (verweerder). (...) Op (...) 17 maart 1994 (...) diende ik een verklaring af te leggen op de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt nopens deze zaak. Ik bevestig nu, dat ik in 1994 gedwongen werd door (verweerder) om een valse verklaring af te leggen in zijn voordeel, of hij zou onze relatie verbreken. Ik heb spijt dat ik mij heb laten dwingen tot dergelijke praktijk. Ik wist toen niet beter, omdat ik op deze man in 1994 stapel verliefd was. Ik moest ook een schriftelijke verklaring afleggen bij directeur B. L., nopens het feit dat de deur van het klaslokaal 'zedenleer' bij het samenzijn met (verweerder) een uur open was. Doch, deze deur van het lokaal was 1 uur gesloten. Ik toon U het bewijs dat ik toen niet getekend heb op deze brief van L. B.', - uit de door getuige S. bijgebrachte brief van directeur B. blijkt dat zij zich moest verantwoorden over het feit dat zij zich op dinsdagmiddag 11/9 tijdens de middagpauze in het lokaal 'moraal' bevond in aanwezigheid van een collega van het andere geslacht terwijl de deur op slot was, en dat de directeur daaraan de bedenking meegaf : 'Vanwege mensen die gekozen hebben om een opvoedende rol te spelen in onze maatschappij komt mij zulk gedrag als hoogst eigenaardig voor', - (eiseres) liet op 16 juni 2000 een dagvaarding betekenen ten laste van (verweerder) in herroeping van het gewijsde van een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 10 oktober 1995, waarbij haar echtscheidingseis op grond van het overspel van (verweerder) met S. ongegrond werd verklaard, en dit op grond van art. 1133, 2° en 4°, Ger. W. ; Dat uit het voormeld feitenrelaas moet blijken dat kennelijk beide partijen zich niet schromen om vals genoemde eden te doen afleggen, respectievelijk valse eed af te leggen, hoewel zij nochtans vanuit hun beroepsbezigheid schooldirecteur, respectievelijk lerares, zouden mogen worden verondersteld er een hoogstaande ethiek op na te houden, vermits zij beiden vanuit hun respectieve opvoedende taken geacht worden een voorbeeldfunctie te vervullen naar de jeugd toe die hen wordt toevertrouwd ; (...) dat met het bestreden tussenvonnis van 13 februari 2001 de eerste rechter ambtshalve de heropening van de debatten heeft bevolen teneinde mededeling te geven van de zaak aan het openbaar ministerie, en teneinde partijen toe te laten standpunt uiteen te zetten omtrent de eventuele toepasselijkheid van art. 1133, 1°, Ger. W. ; Dat (eiseres) vervolgens bij conclusies neergelegd op 26 februari 2001 de door haar aangevoerde feiten kwalificeerde onder art. 1133, 1°, Ger. W. ; (...) dat bij het bestreden tussenvonnis van 22 mei 2001 zowel de hoofdeis, de uitgebreide hoofdeis als de tegeneis alle ontvankelijk zijn verklaard en een getuigenbewijs en tegenbewijs werd toegestaan over het feit dat S. buiten het weten van (eiseres) om een overspelige relatie onderhield met (verweerder) van eind juni 1988 tot en met 1 december 1996 en dat zij hieromtrent een vals getuigenverklaring onder eed aflegde op 17 maart 1994 onder druk of dwang van (verweerder), minstens op zijn uitdrukkelijke vraag ; Dat de uitgebreide hoofdeis en tegeneis niet in staat van wijzen werd verklaard en naar de bijzondere rol werden verzonden ; Over de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering en van de uitgebreide vordering. (...) dat (verweerder) met verwijzing naar art. 1136 Ger. W. staande houdt dat de oorspronkelijke vordering én de uitgebreide vordering tot herroeping onontvankelijk is wegens laattijdigheid ; (...)dat krachtens het bepaalde van art. 1136 Ger. W. het verzoek tot herroeping van het gewijsde, op straffe van verval wordt ingediend binnen zes maanden na het ontdekken van de ingeroepen grond ; (...) dat vooreerst dient vastgesteld dat het voorwerp van de oorspronkelijke en van de uitgebreide vordering, namelijk de herroeping van het gezag van gewijsde, hetzelfde is ; Dat weliswaar de aangevoerde 'gronden' of 'redenen' (in de franse tekst : causes) tot die herroeping verschillen : - in haar inleidende dagvaarding haalde (eiseres) twee gronden aan tot herroeping van het gewijsde, met name 1) het aan het licht komen van beslissende stukken die door het toedoen van de partij waren achtergehouden (art. 1133, 2°, Ger. W.), de schriftelijke verklaring van M. S. afgelegd in het kader van een strafonderzoek wegens meineed, 2) gerechtelijk vals bevonden stukken, getuigenissen, verslagen van deskundigen of eden, die na de beslissing vals zijn bevonden of verklaard (art. 1133, 4°, Ger. W.), en met name de vals genoemde eed van mevrouw S., - slechts, ingevolge het tussenvonnis van 13 februari 2001, riep (eiseres), in conclusies neergelegd op 26 februari 2001, een derde grond tot herroeping in, te weten het persoonlijk bedrog (art. 1133, 1°, Ger. W.) ; Dat evenwel aan elk van die aangevoerde gronden de ontdekking van de aan S. toegedichte valse verklaring op aanstichting van (verweerder) ten grondslag ligt ; Dat die ontdekking de oorzaak van de aangevoerde rechtsgronden vormt ; (...) dat het ontdekken van elk van deze gronden (in de zin van art. 1136 Ger.W.) niet mag gelijkgesteld worden met een louter vermoeden daarvan, doch de daadwerkelijke kennisname veronderstelt van het bewijs van het feit dat die grond tot herroeping doet uitkomen ; (...) dat te dezen uit het hierboven staande feitenrelaas moet worden afgeleid dat (eiseres) op 30 september 1999 klacht deed nadat zij in het najaar van 1999 geruchten had opgevangen van een valse getuigenverklaring door S. op 17 maart 1994, terwijl zij pas vanaf 22 maart 2000 inzage kon nemen van het geseponeerd strafdossier en aldus slechts met ingang van diezelfde datum kennis kon krijgen van de inhoud van de verklaring die door M. S. was afgelegd op 9 februari 2000, en van dier bekentenis dat zij aldus op uitdrukkelijke vraag van (verweerder) gehandeld had ; Dat de daadwerkelijke kennis in hoofde van (eiseres) slechts bestond vanaf 22 maart 2000, zodat haar verzoek tot herroeping van het gewijsde bij dagvaarding van 16 juni 2000 op de ingeroepen gronden ex. art. 1133, 2° en 4°, Ger.W. bijgevolg tijdig moet worden verklaard ; Dat echter dezelfde feiten, waarvan (eiseres) vanaf 22 maart 2000 kennis kon nemen, grond kon opleveren tot de herroeping ex. art. 1133, 1°, Ger.W., terwijl die 'grond' pas op 26 februari 2001, hetzij buiten de vervaltermijn van 6 maanden werd ingeroepen, zodat die vordering dan ook niet-ontvankelijk is". Grieven Artikel 1133 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een verzoek tot herroeping van het gewijsde kan worden ingediend om de redenen vervat in het eerste tot het zesde lid van deze bepaling. Artikel 1136 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het verzoek tot herroeping van het gewijsde op straffe van verval wordt ingediend binnen de zes maanden na het ontdekken van de ingeroepen grond. Artikel 702, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het exploot van dagvaarding op straffe van nietigheid het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen bevat. Met het onderwerp van de vordering wordt bedoeld het voorwerp van de vordering, dit is datgene wat de eiser wenst te bekomen. De woorden "middelen van de vordering" zoals omschreven in artikel 702, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek doelen niet op de rechtsregels, maar wel op de feitelijke gegevens die de vordering tot grondslag liggen (Cass., 24 november 1978, Arr. Cass., 1978-79, 341). Het komt de rechter toe om, onder de eerbiediging van het recht van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgedragen feiten, zonder het voorwerp noch de oorzaak van de vordering te wijzigen, de rechtsregel toe te passen op grond waarvan hij op de vordering zal ingaan of ze zal afwijzen. Deze verplichting maakt een algemeen rechtsbeginsel uit dat onder meer in artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek toepassing vindt en tevens vervat ligt in de artikelen 5, 702, 3°, en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek (Cass., 27 juni 1988, Arr. Cass., 1987-88, 1419). Krachtens artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek kan een vordering die voor de rechter aanhangig is uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of een akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. In toepassing van deze wettelijke bepaling kan de eiser het voorwerp van zijn oorspronkelijke vordering uitbreiden of wijzigen indien zij berust op de zelfde oorzaak als de oorspronkelijke vordering. Wanneer de eiser evenwel alleen maar de kwalificatie van de tot staving van het gevorderde ingeroepen feiten en handelingen wijzigt dan wel de naar zijn mening toepasselijke rechtsregel, heeft zulks geen betrekking op het voorwerp of de oorzaak van de vordering (Cass., 8 september 1986, Arr. Cass., 1986-87,
(29), 31 ; S. Cnudde, "Tussengeschillen voortvloeiend uit de wijzigingen van de partijen en hun aanspraken", in Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Kluwer, 2000, Titel VII, Tussengeschillen, Hoofdstuk 3, Tussengeschillen voortvloeiend uit de wijziging van de partijen en hun aanspraken, p. 5-6, nr. 26.360 ; A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Fac. de dr. de Liège, 1987, p. 96, nr. 85). De appèlrechters stellen vast dat eiseres op 22 maart 2000 kennis nam van het feit waarop zij haar vordering tot herroeping van gewijsde op grond van artikel 1133, 2° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek steunde en beslissen dat deze vordering, die bij dagvaarding van 16 juni 2000 werd ingesteld, binnen de zes maanden en derhalve tijdig werd ingesteld. De appèlrechters stellen nog vast dat eiseres nadien, bij conclusie van 26 februari 2001, de door haar aangevoerde feiten kwalificeerde onder artikel 1133, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek (blz. 6, vierde paragraaf, van het bestreden arrest). De appèlrechters stellen vast dat het voorwerp van deze geherkwalificeerde vordering hetzelfde is, namelijk de herroeping van het gezag van gewijsde. De appèlrechters stellen nog vast dat ook de oorzaak van de vordering niet gewijzigd werd, nu de ontdekking van de aan S. toegedichte valse verklaring op aanstichting van verweerder, aan elk van de aangevoerde gronden ten grondslag ligt. Door deze vordering tot herroeping van het gewijsde op grond van artikel 1133, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek te kwalificeren als een uitgebreide vordering, hoewel volgens de vaststellingen van de appèlrechters noch het voorwerp, noch de oorzaak van de vordering gewijzigd werd en eiseres, opnieuw volgens de vaststellingen van de appèlrechters, de aangevoerde feiten enkel herkwalificeerde onder artikel 1133, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, schenden de appèlrechters artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek. Door verder te beslissen dat de vordering van eiseres tot herroeping van het gewijsde op grond van artikel 1133, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek pas werd ingesteld bij conclusie van 26 februari 2001, hoewel volgens de vaststellingen van de appèlrechters noch het voorwerp, noch de oorzaak van de door eiseres bij dagvaarding van 16 juni 2000 ingestelde vordering tot herroeping van het gewijsde werd gewijzigd in deze conclusie van 26 februari 2001, leggen de appèlrechters aan eiseres de verplichting op om zelf de rechtsregels aan te voeren waarop haar vordering steunt en komen zij tekort aan hun verplichting om, onder de eerbiediging van het recht van verdediging, op de regelmatig aan hun beoordeling voorgedragen feiten, zonder het voorwerp noch de oorzaak van de vordering te wijzigen, de rechtsregel toe te passen op grond waarvan zij op de vordering zullen ingaan of ze zullen afwijzen (schending van de artikelen 5, 702, 3°, 774, 1133, 1° en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek evenals van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk het de rechter toekomt, onder eerbiediging van het recht van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgedragen feiten, zonder het voorwerp noch de oorzaak van de vordering te wijzigen, de rechtsregel toe te passen op grond waarvan hij op de vordering zal ingaan of ze zal afwijzen). Door tenslotte te beslissen dat de vordering tot herroeping van gewijsde op grond van artikel 1133, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek laattijdig ingesteld, nu zij pas bij conclusie van 26 februari 2001 werd ingesteld, terwijl uit de vaststellingen van de appèlrechters blijkt dat de vordering tot herroeping van het gewijsde reeds werd ingesteld bij de gedinginleidende dagvaarding van 16 juni 2000 en noch het ontwerp, noch de oorzaak van deze vordering in de conclusie van 26 februari 2001 gewijzigd, schenden de appèlrechters alle in het middel genoemde bepalingen en inzonderheid artikel 1136 van het Gerechtelijk Wetboek. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, overeenkomstig artikel 1133 van het Gerechtelijk Wetboek, een verzoek tot herroeping van het gewijsde kan worden ingediend om de volgende redenen : 1° indien er persoonlijk bedrog is geweest ; 2° indien er, sedert de beslissing, beslissende stukken zijn aan het licht gekomen die door toedoen van de partij waren achtergehouden ; 3° indien tussen dezelfde partijen, handelend in dezelfde hoedanigheid, onverenigbare beslissingen zijn gewezen over hetzelfde onderwerp en op dezelfde grond ; 4° indien recht gedaan is op stukken, getuigenissen, verslagen van deskundigen of eden, die na de beslissing vals zijn bevonden of verklaard ; 5° indien de beslissing berust op een vonnis of arrest in strafzaken dat naderhand vernietigd is ; 6° indien de beslissing berust op een proceshandeling, verricht in naam van iemand die, hetzij daartoe geen uitdrukkelijke of stilzwijgende last heeft gegeven, hetzij de handeling niet heeft bekrachtigd of bevestigd ; Dat, overeenkomstig artikel 1134 van het Gerechtelijk Wetboek, het verzoek, ondertekend door drie advocaten, van wie er tenminste twee meer dan twintig jaren bij de balie zijn ingeschreven, op straffe van nietigheid alle middelen bevat tot staving ervan en betekend wordt met dagvaarding in de gewone vorm vóór het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen ; Overwegende dat de herroeping van het gewijsde een buitengewoon rechtsmiddel is omdat het ertoe strekt een in kracht van gewijsde gegane beslissing, die door de wet als een uitdrukking van de waarheid wordt gezien, te herroepen ; dat de wet voor het uitoefenen van die vordering bijzondere en dwingende rechtsregels bepaalt die bijgevolg strikt moeten worden nageleefd ; Dat hieruit volgt dat op de procedure van herroeping van het gewijsde artikel 702, 3°, en artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing zijn en dat derhalve de in artikel 1133 van het Gerechtelijk Wetboek limitatief opgesomde feiten en hun kwalificatie die in het initieel verzoekschrift worden vermeld niet meer kunnen worden uitgebreid of gewijzigd ; Overwegende dat het middel dat er van uitgaat dat ook in het kader van de herroeping van gewijsde de artikelen 702, 3°, en artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn en dat op grond daarvan de verzoeker de kwalificatie van de tot staving van de herroeping ingeroepen feiten en handelingen kan wijzigen en een andere reden tot herroeping kan inroepen, faalt naar recht ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van zeshonderd vijfentwintig euro negenenzeventig cent jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd negenentwintig euro drieënveertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van zevenentwintig mei tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050527.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.