← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050527.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050527.7 Rolnummer: C.03.0610.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Intellectuele eigendom - Overige Invoerdatum: 2005-08-11 Raadplegingen: 283 - laatst gezien 2026-07-03 12:14 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Ook wanneer de kopie in een "copycenter" wordt vervaardigd door middel van een ter beschikking gesteld apparaat blijft kopieerder in de zin van de Auteurswet degene die de kopie materieel vervaardigt dan wel daartoe opdracht geeft

(1).
(1)F. De Visscher en B. Michaux, Précis du droit d'auteur et des droits voisins, Bruylant 2000, nr 89 en 134; F. Dubuisson, "L'exception de reproduction d'oeuvres fixées sur un support graphique ou analogue dans un but privé ou didactique", J.T. 1997, 655-656; D. Voorhoof, "Letterkundige en wettenschappelijke werken" in F. Gotzen (ed.), Belgisch auteursrecht van oud naar nieuw. Le renouveau du droit d'auteur, Bruylant 1996, 175; anders: A. en B. Strowel, "La nouvelle législation belge sur le droit d'auteur", J.T. 1995,
  1. Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Vrije woorden: AUTEURSRECHT Reproductierecht Toestemming en uitzonderingen Kopieerder Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1994 - Artt.1,§1,ee Fiche 2 Van rechtsweigering kan geen sprake zijn als de rechter alleen maar een middel terzijde laat of oordeelt hierop niet te moeten antwoorden. Thesaurus CAS: RECHTSWEIGERING Vrije woorden: RECHTSWEIGERING Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.5 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0610.N
  2. BELGISCHE VERENIGING DER AUTEURS, COMPONISTEN EN UITGEVERS en/of SABAM, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1040 Brussel, Aarlenstraat 75-77, ingeschreven in het register der burgerlijke vennootschappen die de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen te Brussel, nummer 6,
  3. IFPI BELGIUM BELGISCHE FONOGRAFISCHE INDUSTRIE en/of SIBESA, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe, Almaplein 3, bus 2, eiseressen, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen GOOSSENS, naamloze vennootschap, met zetel te 9230 Aalst Erembodegem, Fonteinbos 48, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Feiten Verweerster is eigenaar van een copycenter, alwaar zij CD-writers of CD-copiers ter beschikking stelt van haar cliëntèle. Hiermee kunnen cd's worden gekopieerd. De klant is verplicht om een lege cd aan te kopen tegen de prijs van 3,52 euro, kopie van de hoesfoto inbegrepen. Op het toestel is een gebruiksaanwijzing aangebracht. Op 16 november 2001 lieten de eiseressen een dagvaarding betekenen aan verweerster, waarbij zij bij de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde bij toepassing van artikel 87, ,§1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, een stakingsvordering aanhangig maakten. Voornoemde vordering strekte ertoe te horen zeggen dat het ter beschikking stellen van een CD-writer een inbreuk uitmaakte op het auteursrecht en op de naburige rechten en meer bepaald op de artikelen 1, ,§1, 35 en 39 van de Auteurswet, verbod te horen opleggen aan verweerster om de betwiste handeling in de toekomst uit te oefenen, rechtstreeks of onrechtstreeks via de bemiddeling van derden, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 BEF per vastgestelde overtreding, verweerster te horen veroordelen tot bekendmaking door aanplakking van het vonnis op kosten van verweerster aan de gevel van zijn zaak, en zich te horen veroordelen tot alle kosten van het geding. Bij beschikking van 13 februari 2002 verklaarde de voorzitter de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, zegde voor recht dat het ter beschikking stellen door verweerster van een CD-writer of een CD-kopieermachine voor het op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze reproduceren van door de Auteurswet dd. 30 juni 1994 beschermde werken, welke onder het beheer vallen van de eiseressen, en dit zonder hun toestemming, een inbreuk uitmaakt op de wet betreffende de auteursrechten en naburige rechten dd. 30 juni 1994, legde aan verweerster verbod op om de voormelde handelingen, rechtstreeks of onrechtstreeks via bemiddeling van derden, in de toekomst uit te oefenen, en dit onder verbeurte van een dwangsom en veroordeelde verweerster tot het bekendmaken van dit vonnis door aanplakking aan de gevel of uitstalraam van haar zaak. Verweerster stelde hoger beroep in tegen voormelde beschikking. De eiseressen verzochten het hof van beroep de beschikking van 13 februari 2002 te bevestigen. Bij arrest van 16 juni 2003 geeft het Hof van Beroep te Gent akte aan de eiseressen van de uitbreiding van hun vordering, verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond, hervormt het bestreden vonnis, verklaart de oorspronkelijke en uitgebreide vordering toelaatbaar maar ongegrond en veroordeelt de eiseressen tot betaling van de kosten van het geding. IV. Middelen De eiseressen voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 1, ,§1, 22, 35, ,§1, 39, ,§1, en 46 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten. Aangevochten beslissingen Bij arrest van 16 juni 2003 geeft het Hof van Beroep te Gent akte aan de eiseressen van de uitbreiding van hun vordering, die ertoe strekte de beschikking van de eerste rechter te bevestigen en derhalve voor recht te zeggen dat het ter beschikking stellen van een CD-writer door verweerster een inbreuk uitmaakt op het auteursrecht en op de naburige rechten en meer bepaald op de artikelen 1, ,§1, 35 en 39 van de Auteurswet, verbod te horen opleggen aan verweerster om de betwiste handeling in de toekomst uit te oefenen, rechtstreeks of onrechtstreeks via de bemiddeling van derden alsmede om, rechtstreeks of onrechtstreeks via de bemiddeling van derden, zij het klanten, auteursrechtelijk beschermde cd's en eventueel ander materieel te kopiëren, doen of laten kopiëren, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 247,89 euro per vastgestelde overtreding van dit verbod, verweerster te veroordelen tot bekendmaking door aanplakking van het arrest op haar kosten aan de gevel van haar zaak, gelegen te 9300 Aalst, Vooruitgangsstraat 5, verweerster tevens te veroordelen tot de publicatie van het arrest in een regionaal dag- of weekblad en de kosten hiervoor volledig ten laste van verweerster te horen leggen en verweerster tevens te veroordelen tot alle kosten van het geding, verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond, hervormt het bestreden vonnis dat deze eis gedeeltelijk gegrond had verklaard, en verklaart de oorspronkelijke en uitgebreide vordering toelaatbaar maar ongegrond en veroordeelt eiseressen tot betaling van de kosten van het geding. Deze beslissing is onder meer op volgende overwegingen gestoeld : "Teneinde de rechtsvragen te beslechten, dient het toepassingsgebied van de wet betreffende de auteursrechten en naburige rechten afgelijnd te worden. Er dient bepaald te worden wie de persoon is die reproduceert, in de zin van de wet. Dit is essentieel om te weten in hoofde van wie de wet dient toegepast te worden en in hoofde van wie de uitzondering van artikel 22, 5°, dient geapprecieerd te worden. Is de persoon die de reproductie maakt in het voorliggende geval (verweerster) zelf, die de nodige machine tegen betaling ter beschikking stelt of is het elke persoon die de kopie maakt met de hulp van een eigen apparaat of van een apparaat dat door een derde ter beschikking is gesteld ? De eerste opvatting, namelijk dat degene die kopieert de persoon is die de machine ter beschikking stelt, is gehuldigd door het Franse Hof van Cassatie (7 maart 1984, R.I.D.A., 1984, nr. 121, p. 151) en door sommige auteurs (Strowel, A. en Strowel, B. "La nouvelle législation belge sur le droit d'auteur", J. T. 1995, 125). De tweede interpretatie stelt dat de persoon die zelf de kopie maakt of deze door een aangestelde laat maken degene is die de reproductie maakt. De materiële handeling van het maken van de kopie is determinerend (Dubuisson, F., "L'exception de reproduction d'oeuvres fixées sur un support graphique ou analogue dans un but privé ou didactique", J.T. 1997, 656). Het loutere ter beschikking stellen van het toestel impliceert geen daad van reproductie (De Visscher, F. en Michaux, B., Précis du droit d'auteur et des droits voisins. Brussel, Bruylant, 2000, nr. 89, p. 72 ; Dubuisson, F., loc. cit., 656 en
  4. In tegenstelling tot wat (de eiseressen) argumenteren op p. 17 van hun tweede syntheseconclusie drukt deze laatste auteur een duidelijke voorkeur (uit) om als kopieerder in de zin van de wet aan te merken de persoon die materieel de reproductie uitgevoerd heeft en niet de houder van het toetsel). Het is onvoldoende dat de reproductie gebeurt op of door het toestel van (verweerster). Zij moet de betwiste handeling zelf gesteld hebben of er opdracht toe gegeven hebben (mut. mut. De Visscher, F. en Michaux, B., Précis du droit d'auteur et des droit voisins, Brussel, Bruylant, 2000, nr. 89, p. 73). De keuze tussen de beide interpretaties dient gemaakt te worden in het licht van de genoemde Auteurswet in haar geheel en in functie van de realiteit waarin deze wet toegepast wordt. Kopiecenters hebben de facto meestal twee afdelingen. In de ene afdeling reproduceert de uitbater of een aangestelde zelf documenten (die afkomstig zijn van een elektronische dan wel op een papieren drager). In de andere afdeling zijn toestellen ter beschikking van klanten, die zelf kopies maken. Indien geoordeeld zou worden dat de kopiist de persoon is die de machine ter beschikking stelt, dan dient in zijn of haren hoofde de toepassing van de Auteurswet beoordeeld te worden. Op deze wijze zou de Auteurswet haar doel voorbij schieten. Artikel 22, 4°, 4bis en 4ter, dienen niet in hoofde van de uitbater van een kopiecenter beoordeeld te worden, maar wel in hoofde van de persoon die de kopie wenst te (laten) maken en te gebruiken. Minstens zou de uitbater van het kopiecenter belast worden met een toezicht op de naleving van de Auteurswet. Concreet zou (verweerster) dan dienen na te gaan of elke persoon die een kopie maakt, geen inbreuk maakt op de Auteurswet. Zij zou zo bijvoorbeeld bij haar klanten dienen te verifiëren of deze kopies komen maken voor privé gebruik of ter illustratie in het onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek. Dit is niet alleen niet praktisch en bedrijfseconomisch werkbaar, (verweerster) beschikt ook niet over de nodige wettelijke bevoegdheid om een toezicht te organiseren, gesteld dat de wetgeving inzake de privacy haar dat al zou toelaten. Om deze redenen wordt geoordeeld dat de materiële daad van het maken van de kopie het determinerende criterium is om aan te duiden wie de kopiist is en in hoofde van wie de Auteurswet moet toegepast worden, inzonderheid de uitzonderingen van artikel 22 ervan. Hij of zij die de kopie maakt of laat maken door een aangestelde is degene die reproduceert in de zin van de Auteurswet. Voor zover nog nodig wordt verwezen naar de begripsbepaling met betrekking tot de persoon die de reproductie maakt (zie II.2.3). Het loutere ter beschikking stellen van een toestel is niet voldoende om te oordelen dat een reproductie gemaakt wordt. De kopiist is de persoon die materieel de kopie maakt. Welnu, in de voorliggende zaak is niet bewezen dat (verweerster) of een aangestelde van haar een kopie gemaakt heeft, laat staan een kopie van een werk dat beschermd was door de Auteurswet". Grieven Overeenkomstig artikel 1, ,§1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, heeft alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht om het op welke wijze ook of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren. Zo ook bepaalt artikel 35, ,§1, van diezelfde wet dat alleen de uitvoerende kunstenaar het recht heeft om zijn prestatie te reproduceren of de reproductie ervan toe te staan, op welke wijze of in welke vorm ook. Artikel 39, ,§1, van de Auteurswet bepaalt tenslotte dat onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 41 en onverminderd het recht van de auteur en van de uitvoerende kunstenaar alleen de producent van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films het recht heeft om zijn prestatie te reproduceren of de reproductie ervan toe te staan, op welke wijze of in welke vorm ook. Bij wijze van uitzondering voorziet artikel 22 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten weliswaar een aantal gevallen waarin de auteur van het werk, dat op geoorloofde wijze werd openbaar gemaakt, zich niet kan verzetten tegen de reproductie van zijn werk. Artikel 22, 5°, van voornoemde wet bepaalt meer in het bijzonder dat de auteur van bovenvernoemd werk zich niet kan verzetten tegen de reproductie van geluidswerken en audiovisuele werken, die in familiekring geschiedt en alle(e)n daarvoor bestemd is. Om geluidswerken en audiovisuele werken te mogen kopiëren zonder de toestemming van de auteur dient degene die kopieert zodoende aan twee voorwaarden, welke cumulatief voorhanden moeten zijn, te voldoen : meer bepaald dient de reproductie in familiekring te gebeuren en voor de familiekring bestemd te zijn. Artikel 46 van de Auteurswet voorziet in vergelijkbare uitzonderingen. In de regel is de kopieerder, in wiens hoofde de hierboven aangehaalde toestemming, vereist tot het reproduceren van een auteursrechtelijk werk, aanwezig moet zijn dan wel de voorwaarden om zich op de uitzonderingen, bepaald bij artikelen 22 en 46 van de Auteurswet, inzonderheid artikel 22, 5°, te kunnen beroepen verenigd moeten zijn, de persoon die zelf of door tussenkomst van een aangestelde de kopie maakt. Wordt de kopie verwezenlijkt in een daartoe speciaal uitgerust center, dat uit commerciële overwegingen de copywriter ter beschikking stelt van derden, dan geldt weliswaar dat copycenter als kopieerder. In laatstgenoemde hypothese vermag de derde immers slechts kopies te nemen na hiertoe de toestemming van het copycenter, dat instaat voor de perfecte werking van de CD-writer die het tegen betaling ter beschikking van de klant stelt, bekomen te hebben. Besluit Het hof van beroep, dat oordeelt dat in de gegeven omstandigheden niet het copycenter, doch wel degene die de kopie manueel vervaardigt moet worden aangezien als de kopieerder, in wiens hoofde de toestemming tot reproductie, dan wel de uitzondering van artikel 22, inzonderheid artikel 22, 5°, en van artikel 46 van de Auteurswet moet worden beoordeeld, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van artikelen 1, ,§1, 22, 35, ,§1, 39, ,§1 en 46 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten).
  5. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ; artikel 8.3 van de Richtlijn nr. 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij ; de artikelen 1, ,§1, 22, 5°, 35, ,§1, 39, ,§1, 46, 4°, 80 en 87, ,§1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten ; de artikelen 10 en 249 van de geconsolideerde versie van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, vastgesteld bij het Verdrag van 2 oktober 1997, goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1998 ; de artikelen 1315, 1316, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek ; de artikelen 5, 18, tweede lid, 870 en 878 van het Gerechtelijk Wetboek ; de artikelen 66 en 67 van het Strafwetboek. Aangevochten beslissingen Bij arrest van 16 juni 2003 geeft het Hof van Beroep te Gent akte aan de eiseressen van de uitbreiding van hun vordering, die ertoe strekte de beschikking van de eerste rechter te bevestigen en derhalve voor recht te zeggen dat het ter beschikking stellen van een CD-writer door verweerster een inbreuk uitmaakt op het auteursrecht en op de naburige rechten en meer bepaald op de artikelen 1, ,§1, 35 en 39 van de Auteurswet, verbod te horen opleggen aan verweerster om de betwiste handeling in de toekomst uit te oefenen, rechtstreeks of onrechtstreeks via de bemiddeling van derden alsmede om, rechtstreeks of onrechtstreeks via de bemiddeling van derden, zij het klanten, auteursrechtelijk beschermde cd's en eventueel ander materieel te kopiëren, doen of laten kopiëren, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 247,89 euro per vastgestelde overtreding van dit verbod, verweerster te veroordelen tot bekendmaking door aanplakking van het arrest op haar kosten aan de gevel van haar zaak, gelegen te 9300 Aalst, Vooruitgangsstraat 5, verweerster tevens te veroordelen tot de publicatie van het arrest in een regionaal dag- of weekblad en de kosten hiervoor volledig ten laste van verweerster te horen leggen en verweerster tevens te veroordelen tot alle kosten van het geding, verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond, hervormt het bestreden vonnis, dat deze eis gedeeltelijk gegrond had verklaard, en verklaart de oorspronkelijke en uitgebreide vordering toelaatbaar, maar ongegrond en veroordeelt de eiseressen tot betaling van de kosten van het geding. Deze beslissing is onder meer op volgende overwegingen gestoeld : "Er dient tot slot nog op gewezen te worden dat de wet betreffende de auteursrechten en naburige rechten geen enkele bepaling bevat die het enkel ter beschikking stellen van een middel dat de reproductie van auteursrechtelijk beschermde werken mogelijk maakt, beperkt of verbiedt. Uit het voorgaande volgt dat het eerste deel van de vordering (om voor recht te zeggen dat het ter beschikking stellen van een CD-writer een inbreuk uitmaakt op het auteursrecht en de naburige rechten) van (de eiseressen) ongegrond is.
  6. De intentionele medewerking van (verweerster) aan het realiseren van illegale kopies van beschermde werken met haar hulp. Volgens (de eiseressen) bestaat de inbreuk van (verweerster) erin dat zij door haar feitelijke gedragingen bewust de mogelijkheid creëert voor haar cliënteel om met haar hulp illegale kopies van beschermde werken te realiseren. Het beweerde feit van te weten dat op het ter beschikking gestelde toestel illegale kopies gemaakt worden en van geen initiatief te nemen om deze inbreuken te voorkomen of te beperken vormt volgens (de eiseressen) een inbreuk op de artikelen 1, 35 en 39 van de meergenoemde Auteurswet. Dit middel faalt in feite (nr. 17) en in rechte (nr. 18).
  7. Het middel dat (verweerster) geen initiatief zou nemen om inbreuken op de Auteurswet te voorkomen of te beperken faalt in feite. Uit de feitelijke uiteenzetting blijkt dat (verweerster) een waarschuwing aangebracht heeft op de CD-writer zelf (zie II.1.2 en II.1.3). Haar raadsman heeft deze ook voorgelegd aan (de eiseressen) en zich open getoond voor eventuele aanpassingen, die (de eiseressen) zouden wensen of suggereren (zie II.1.4, met verwijzing naar de brief van 15 juni 2001). (De eiseressen) tonen thans niet aan dat de aangebrachte waarschuwing manifest of dermate onvoldoende is dat er toch een inbreuk op de Auteurswetgeving is. (De eiseressen) tonen niet aan dat (verweerster) zou weten dat haar klanten de CD-writer op een illegale wijze gebruiken. De dossiers bevatten geen enkel stuk dat toelaat deze conclusie te trekken. Ook het proces-verbaal van de controleur van Sabam laat niet toe te besluiten dat een kopie gemaakt werd in strijd met de wetgeving inzake auteursrechten en naburige rechten. Tot slot bewijzen (de eiseressen) ook niet dat (verweerster) bewust de mogelijkheid zou creëren om met haar hulp illegale kopies van beschermde werken te realiseren. Opnieuw laat geen enkel stuk van de dossiers deze conclusie toe. Hiervoor werd reeds geoordeeld dat het louter ter beschikking stellen van de CD-writer geen inbreuk vormt op de wetgeving inzake auteursrechten en naburige rechten, wat (de eiseressen) ook niet betwisten.
  8. Voor zover nog nodig wordt aan het voorgaande toegevoegd dat het middel van (eiseressen) bovendien in rechte faalt. De Auteurswet sanctioneert de intentionele medewerking van de uitbater van een kopiecentrum waarin klanten zelf kopies maken van auteursrechtelijk beschermde CD's of CD-roms niet (het bewust ter beschikking stellen van middelen waarvan de uitbater weet of behoort te weten dat er inbreukmakende reproducties mee gemaakt worden). Het Belgische auteursrecht, in tegenstelling tot het Belgische octrooirecht (zie artikel 27, ,§4, van de wet van 28 maart 1984 op de Uitvindingsoctrooien), bevat niet het begrip 'contributory infringement' en sanctioneert deze handeling dan ook niet. 'Contributory infringement', zoals opgenomen in het auteursrecht in de U.S.A. en Groot-Brittannië, betekent dat het ter beschikking stellen van middelen, die een inbreuk op het auteursrecht veroorzaken of een inbreuk stimuleren, op zichzelf een inbreuk vormt op de auteurswetgeving, voor zover de betrokkene kennis had of behoorde te hebben van de inbreuk op de auteurswetgeving. De intentionele medewerking aan de inbreuk op het auteursrecht vormt een inbreuk op het auteursrecht. Het is hoe dan ook onvoldoende dat illegale kopieën zouden kunnen gemaakt worden op de CD-writer van (verweerster). Deze mogelijkheid bestaat steeds, net zoals op de gewone fotokopiemachines voor papier, die (verweerster) in haar zaak ter beschikking stelt. Het zou (verweerster) een verplichting tot toezicht opleggen, die buiten proportie is, indien zij elke gekopieerde drager eerst zou dienen te verifiëren alvorens het gebruik van het toestel toe te laten (de vraag daargelaten of dit wel kan in het licht van de wetgeving op de privacy).
  9. De uitzondering van artikel 22, 5°, van de genoemde wet. Dit onderdeel van de vordering is toelaatbaar op grond van artikel 18, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek (zie ook Fettweis, A., Manuel de procédure civile, 2e ed. Luik 1987, n r. 35). Hiervoor werd uiteengezet dat (verweerster) in de gegeven omstandigheden hoe dan ook geen inbreuk maakt op de meergenoemde bepaling van de wet van 30 juli
  10. Er dient dan ook niet verder onderzocht te worden of artikel 22, 5°, van de genoemde wet, dat een uitzondering op het verbod tot reproduceren bevat, in het voorliggende geval van toepassing is". Grieven 2.
  11. Eerste onderdeel Artikel 87, ,§1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten stelt dat, onverminderd de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, de voorzitter van deze rechtbank het bestaan vaststelt van een inbreuk op het auteursrecht of op een naburig recht en beveelt dat daaraan een einde wordt gemaakt. Uit voornoemde wetsbepaling volgt dat eender welke inbreuk op eender welk auteursrecht door de wetgever werd geviseerd, zonder dat daarbij is vereist dat de inbreuk rechtstreeks wordt begaan door de persoon tegen wie de vordering tot staking is gericht. De vordering kan dan ook zowel het staken van handelingen waardoor de verwerende partij rechtstreeks een inbreuk op het auteursrecht pleegt, als deze waardoor de betrokkene onrechtstreeks bijdraagt tot de verwezenlijking door een derde van een dergelijke inbreuk tot voorwerp hebben, zoals het ter beschikking stellen van het daartoe vereiste materiaal, zonder dat bovendien is vereist dat de verwerende partij intentioneel of bewust zou meewerken aan de inbreuk op het auteursrecht. Het volstaat dat de materiële daad de inbreuk op het auteursrecht mogelijk heeft gemaakt of kan maken. Artikel 8.3 van de Richtlijn nr. 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, welke overeenkomstig artikel 13 uiterlijk 22 december 2002 in het interne recht moest zijn omgezet door de lidstaten en in het licht waarvan derhalve de nationale rechter bij de toepassing van het nationale recht dit recht zoveel mogelijk dient uit te leggen teneinde het door de richtlijn beoogde resultaat te bereiken, bepaalt overigens uitdrukkelijk dat de lidstaten ervoor zorgen dat de rechthebbenden kunnen verzoeken om een verbod ten aanzien van tussenpersonen wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of op naburige rechten. Artikel 18, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt ten slotte meer in het algemeen dat de rechtsvordering ook de voorkoming van de schending van een ernstig bedreigd recht tot voorwerp kan hebben en biedt aldus aan de rechter de mogelijkheid om alle gepaste maatregelen uit te spreken, niet enkel om definitief een einde te maken aan een inbreuk, doch ook om op efficiënte wijze een ernstige bedreiging te voorkomen. Bij toepassing van artikel 87, ,§1, van de Auteurswet, geïnterpreteerd in het licht van artikel 8.3 van de hierboven genoemde richtlijn, evenals van artikel 18, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vermag de voorzitter dan ook die handelingen te verbieden die derden in de mogelijkheid stellen om een inbreuk op de Auteurswet te plegen, zonder dat bovendien vereist is dat de persoon, tegen wie de vordering tot staking is gericht, ook daadwerkelijk de bedoeling had om dergelijke inbreuk te plegen of hieraan mee te werken. Besluit Het hof van beroep, dat oordeelt dat de stakingsvordering slechts de staking van handelingen die in hoofde van de verwerende partij een rechtstreekse inbreuk op het auteursrecht uitmaken, tot voorwerp kan hebben, aldus zowel de handelingen waardoor de betrokkene intentioneel meewerkt aan een inbreuk op het auteursrecht, begaan door een derde, als de louter materiële daden, welke de verwezenlijking van dergelijke inbreuk door een derde mogelijk maken, uit het toepassingsveld van de stakingsvordering uitsluitende, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 87, ,§1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, 8.3 van de Richtlijn nr. 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, 10 en 249 van de geconsolideerde versie van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, vastgesteld bij het Verdrag van 2 oktober 1997, goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1998, en 18, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 2.
  12. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 1, ,§1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten heeft alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht om het op welke wijze ook of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren. Zo ook bepaalt artikel 35, ,§1, van diezelfde wet dat alleen de uitvoerende kunstenaar het recht heeft om zijn prestatie te reproduceren of de reproductie ervan toe te staan, op welke wijze of in welke vorm ook. Artikel 39, ,§1, van de Auteurswet bepaalt tenslotte dat onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 41 en onverminderd het recht van de auteur en van de uitvoerende kunstenaar alleen de producent van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films het recht heeft om zijn prestatie te reproduceren of de reproductie ervan toe te staan, op welke wijze of in welke vorm ook. Het verbod van reproductie is zodoende de regel. Bij wijze van uitzondering bepaalt artikel 22, 5°, van de Auteurswet evenwel dat de auteur zich niet kan verzetten tegen de reproductie van geluidswerken en audiovisuele werken die in familiekring geschiedt en alleen daarvoor bestemd is, wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt. Uit voornoemd artikel volgt zodoende dat er aan twee voorwaarden moet zijn voldaan opdat een persoon het geluidswerk of audiovisueel werk zou mogen reproduceren : de reproductie moet in de huiskring geschieden en bovendien mag het alleen daarvoor bestemd zijn. Deze voorwaarden moeten cumulatief voorhanden zijn. In de mate dat voornoemde uitzonderingen van restrictieve interpretatie zijn, dient het begrip familiekring strikt te worden uitgelegd in de zin van de kring van familieleden, de huiselijke kring. Aan voornoemde voorwaarde zal dan ook geenszins voldaan zijn wanneer de reproductie wordt gemaakt in een commerciële inrichting, zoals een copycenter dat met winstdoeleinden wordt uitgebaat (zie Gedr. St., Kamer, 1993-94, nr. 473/33-91/92 (BZ.), p. 194). Artikel 46, 4°, van de Auteurswet voorziet in een gelijkaardige uitzondering wat betreft de prestaties van uitvoerende kunstenaars. De professionele uitbater van een copycenter moet bovendien geacht worden deze wettelijke regeling te kennen. Besluit Het hof van beroep dat uitdrukkelijk verklaart dat het overbodig is te onderzoeken of er was voldaan aan de vereisten van artikel 22, 5°, van de Auteurswet, daar waar het antwoord op de vraag of een copycenter kan worden aangezien als een familiekring, het hof van beroep kon toelaten uit te maken of verweerster al dan niet bewust medewerkte aan een inbreuk op het auteursrecht van de rechthebbenden, (door de eiseressen vertegenwoordigd), door derden het nodige materiaal voor het kopiëren ter beschikking te stellen, (...) maakt zich aldus schuldig aan rechtsweigering (schending van artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek). Bovendien verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht waar het oordeelt dat het overbodig was na te gaan of de kandidaat kopieerders voldeden aan de vereisten van artikel 22, 5°, van de Auteurswet, aldus voorbijgaande aan de uitdrukkelijk door de wet gestelde vereiste van familiekring, waarbinnen de reproductie dient te geschieden en waarvoor zij bestemd moet zijn, opdat de reproductie zonder toestemming van de titularis van het auteursrecht of van het naburig recht zou mogen worden uitgevoerd (schending van de artikelen 1, ,§1, 22, 5°, 35, ,§11, 39, ,§1, en 46, 4°, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten) en kon het in die omstandigheden ook niet wettig besluiten dat het bewijs niet was geleverd van de intentionele of bewuste medewerking door verweerster, commerciële uitbaatster van een copycenter, aan de inbreuken op auteursrechtelijk beschermde werken (schending van de artikelen 1315, 1316, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek, 870 en 878 van het Gerechtelijk Wetboek). 2.
  13. Derde onderdeel De eiseressen voerden in hun tweede syntheseconclusie in beroep na bijkomende conclusie van verweerster op pagina 20 aan dat buiten elke redelijke twijfel bleek dat verweerster op de hoogte was van de inbreuken op het auteursrecht en dat zij deze inbreuken zelfs stimuleert met het enige oogmerk er geld aan te verdienen. Zij vervolgden op pagina's 21 tot 23 dat de stelling van verweerster als zou zij zelf geen enkele inbreuk begaan hebben op het auteursrecht, maar dat de inbreuken enkel en alleen gepleegd werden door haar cliëntèle, niet vol te houden is als men kijkt wat de werkelijke gedragingen van verweerster zijn, waaruit duidelijk blijkt dat zij van het illegaal kopiëren van cd's een belangrijke activiteit maakte, en stelden meer bepaald : "Vooreerst voert (verweerster) uitgebreid promotie voor de mogelijkheid die zij aanbiedt om cd's te kopiëren. Deze promotie gebeurt onder andere via pamfletten die regionaal verspreid worden (stuk III). Deze pamfletten bevatten de tekst 'nieuw : kopieer uw CD in 5 minuten ... 142 Frs/stuk kleurenkopie hoes inbegrepen..'. Deze pamfletten strekken er duidelijk toe het kopiëren te promoten en de klanten ertoe aan te zetten van deze door verweerster geboden mogelijkheid gebruik te maken. Deze pamfletten bevatten verder geen enkele verwijzing naar de beperkingen die door de auteurswet opgelegd worden met betrekking tot het kopiëren van muziekwerken. Verweerster maakt dus in haar publiciteit geen enkel onderscheid tussen geoorloofde en ongeoorloofde reproducties, waarbij zij minstens de schijn wekt dat elke cd in haar lokalen gekopieerd mag worden, hetgeen vanzelfsprekend niet het geval is. Deze pamfletten bevatten bovendien wel expliciet de vermelding dat een kleurenkopie van de hoes in de prijs inbegrepen is. Hieruit volgt reeds logischerwijze dat de enige bedoeling van (verweerster) is om klanten te lokken die beschermde muziekwerken of andere beschermde werken zoals computerprogramma's wensen te kopiëren. Een kleurenkopie van de hoes van een cd is immers slechts mogelijk als de cd in eerste instantie voorzien is van een hoes die gekopieerd kan worden. Een eigen geluidsopname heeft per definitie geen hoes, aangezien hij is opgenomen op een blanco schijfje dat zonder hoes wordt aangekocht. (Verweerster) volgt een vreemde gedachtengang wanneer zij stelt dat ook eigengemaakte cd's gekopieerd kunnen worden en dat ook eigengemaakte cd's een eigengemaakte hoes kunnen hebben. Het lijkt (de eiseressen) vanzelfsprekend dat iemand die zelf een cd kan opnemen ook zelf een kopie van die cd kan maken. Hij beschikt immers noodzakelijkerwijze zelf over de nodige apparatuur, anders kon hij in de eerste plaats het origineel al niet gemaakt hebben. Het zou wel bijzonder dom zijn om in dat geval 142 BEF (3,52 euro) te betalen voor een kopie in een copy shop. Hetzelfde geldt overigens voor de hoes zelf : waarom zou iemand een kopie van een zelfgemaakte hoes laten maken in een copy shop als hij zelf de apparatuur heeft om die kopie thuis te maken voor een fractie van de prijs en zonder zich te verplaatsen? De conclusie moet noodzakelijkerwijze zijn dat werken die aan auteursrecht onderworpen zijn de belangrijkste doelgroep zijn van copy shops die een CD-writer aanbieden en dat de promotie van (verweerster) bijgevolg uitsluitend of bijna uitsluitend slaat op auteursrechtelijk beschermde muziek-cd's. Daarbij merken (eiseressen) op dat ook de hoes van een cd op zich een auteursrechtelijk beschermd werk vormt, zeker wanneer op deze hoes teksten van de uitgevoerde nummers zouden voorkomen, aangezien ook kunstwerken en teksten, zelfs titels door deze wet beschermd worden. De reproductie van muziekteksten is, in tegenstelling tot hetgeen (verweerster) beweert, niet automatisch toegestaan en enkel de reproductie van korte tekstfragmenten is mogelijk wanneer daardoor geen afbreuk gedaan wordt aan de normale exploitatie van het werk. Wanneer de klant de copy shop van (verweerster) betreedt en vraagt om een cd te kunnen kopiëren, wordt door verweerster of haar personeel, die - het zij herhaald - via promotie en reclame klanten lokt om te kopiëren, niet nagegaan of beschermde cd's gekopieerd zullen worden. De winkelbediende geeft dan, blijkens het door de beëdigde ambtenaar van Sabam opgestelde pv, richtlijnen omtrent het gebruik van het toestel, maar vermeldt erbij dat hij/zij zelf geen handelingen mag stellen voor het kopiëren. De richtlijnen worden dat nog eens uitgebreid overgedaan op het toestel zelf, waar voor het eerst melding wordt gemaakt van de beperkingen die de auteurswet oplegt, hoewel de vermeldingen op de tekst zoals eerder uiteengezet niet correct zijn. Op dit ogenblik laat de winkelbediende de klant rustig alleen om in alle privacy te kunnen kopiëren. Na het kopiëren meldt de klant zich opnieuw aan bij de balie waar hem voorgesteld wordt om een kleurenkopie van de hoes te maken. Op dat ogenblik krijgt de winkelbediende de hoes in handen en ziet om welk werk het gaat en of hierop auteursrecht rust. Opnieuw knijpt de bediende dan een oogje dicht en maakt geen melding van de beperkingen van de Auteurswet. In plaats hiervan gaat deze over tot het kopiëren van de hoes. Hieruit leiden (de eiseressen) af dat de bedoeling van verweerster helemaal niet is de Auteurswet na te leven en om het illegaal kopiëren van beschermde werken tegen te gaan. (Verweerster) doet geen enkele werkelijke poging om de namaak van beschermde werken te voorkomen, maar beperkt er zich integendeel toe om een aantal 'camouflage-maatregelen' te nemen die moeten verdoezelen dat (verweerster) in werkelijkheid alleen als doel heeft om munt te slaan uit het kopiëren of laten kopiëren van beschermde werken. (Verweerster) wil duidelijk niet weten dat er in haar winkel inbreuken op het auteursrecht gepleegd worden om de eenvoudige reden dat zij aan deze inbreuken geld verdient. Het besluit kan alleen maar zijn dat (verweerster) wel degelijk zelf inbreuken pleegt op het auteursrecht door tegen betaling toestellen ter beschikking te stellen van het cliënteel waarmee inbreuken op het auteursrecht gepleegd worden of minstens actief en bewust meewerkt aan het plegen van deze inbreuken door haar cliënteel" . Besluit Het hof van beroep dat voornoemd verweer, dat steunt op objectief waarneembare feiten, inzonderheid de gevoerde promotie voor cd's, het maken van een kleurenkopie van de hoes van de gekopieerde cd en het treffen van een aantal camouflagemaatregelen, onbeantwoord laat, omkleedt zijn beslissing niet regelmatig met redenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). 2.
  14. Vierde onderdeel Overeenkomstig artikel 80 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten is hij die kwaadwillig of bedrieglijk inbreuk pleegt op het auteursrecht en de naburige rechten schuldig aan het misdrijf van namaking. Er is voldaan aan de voorwaarden van voornoemde bepaling wanneer er enerzijds sprake is van een materiële daad van namaking, bestaande in het geheel of gedeeltelijk kopiëren van een auteursrechtelijk werk, en anderzijds de persoon daartoe overgaat hetzij met kwade wil, anders gezegd, met de bedoeling om schade te berokkenen, dan wel op bedrieglijke wijze, anders gezegd, met de wetenschap een verboden handeling te stellen. Blijkens de vierde paragraaf van datzelfde artikel zijn de bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, van toepassing op het misdrijf van namaking. Bij toepassing van die regel zal derhalve de persoon die handelingen stelt, zoals bedoeld bij de artikelen 66 en 67 van het Strafwetboek, zich evenzeer schuldig maken aan het misdrijf van namaking, hetzij als mededader wanneer blijkt dat de betrokkene het wanbedrijf heeft uitgevoerd dan wel aan de uitvoering rechtstreeks heeft meegewerkt, door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp heeft verleend dat het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, het wanbedrijf rechtstreeks heeft uitgelokt, of, hetzij door woorden in openbare bijeenkomsten of plaatsen gesproken, hetzij door enigerlei geschrift, drukwerk, prent of zinnebeeld aangeplakt, rondgedeeld of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld, het plegen van het feit rechtstreeks heeft uitgelokt, hetzij als medeplichtige wanneer hij onderrichtingen heeft gegeven om het wanbedrijf te plegen, hij wapens, werktuigen of enig ander middel heeft verschaft, die tot het wanbedrijf hebben gediend, wetende dat ze daartoe zouden dienen of hij, buiten het geval van artikel 66, ,§3, met zijn weten de dader of daders heeft geholpen of bijgestaan in daden die het wanbedrijf hebben voorbereid, vergemakkelijkt of voltooid. Van deelneming is er bovendien sprake zodra de persoon met kennis van zaken deelneemt aan een strafbare handeling. Uit het voorgaande volgt dat de Belgische Auteurswet door het van toepassing verklaren van boek I, met inbegrip van hoofdstuk VII van het Strafwetboek, de bewuste deelneming aan een inbreuk op de Auteurswet sanctioneert, in voorwaarden vergelijkbaar met de "contributory infringement" in de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië, zoals in het bestreden arrest omschreven. De staking van dergelijke gedragingen kan zodoende bij toepassing van artikel 87, ,§1, van de Auteurswet worden gevorderd. Besluit In zoverre het hof van beroep oordeelt dat de Belgische Auteurswet de intentionele medewerking van de uitbater van een kopiecentrum aan het illegaal kopiëren van auteursrechtelijk beschermde werken niet sanctioneert, ook niet wanneer is voldaan aan de voorwaarden van het misdrijf van namaking, is het bestreden arrest niet naar recht verantwoord (schending van artikelen 80, eerste en vierde lid, van de Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, 66 en 67 van het Strafwetboek). Derhalve kon het niet wettig besluiten dat de gevorderde maatregel lastens verweerster niet kan worden bevolen (schending van artikel 87, ,§1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten). IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat artikel 1, ,§1, eerste lid, van de Auteurswet bepaalt dat alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht heeft om het op even welke wijze en in welke vorm dan ook te reproduceren ; Dat artikel 35, ,§1, eerste lid, en artikel 39, eerste lid, van deze wet hetzelfde recht verschaft aan respectievelijk de uitvoerende kunstenaar en, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 41 van deze wet en onverminderd het recht van de auteur en van de uitvoerende kunstenaar, aan de producent van de fonogrammen of van eerste vastleggingen van films, ten aanzien van hun respectieve prestatie ; Dat, onder meer, in de artikelen 21 en 22 van de Auteurswet, wat de vermogensrechten van de auteursrechthebbende betreft, en in artikel 46 van dezelfde wet, wat de vermogensrechten van de rechthebbende van naburige rechten betreft, uitzonderingen worden bepaald op deze exclusieve reproductierechten, waardoor in die gevallen een reproductie mag worden verricht zonder de voorafgaande toestemming van de rechthebbende ; Overwegende dat de omstandigheid dat de cliënt in een "copycenter" enkel met de toestemming van de uitbater een kopie kan nemen of laten nemen door middel van de aldaar ter beschikking gestelde apparatuur, geen afbreuk doet aan de regel dat degene die de kopie neemt of laat nemen, hetzij over de toestemming van de rechthebbende moet beschikken, hetzij moet voldoen aan de wettelijke voorwaarden om zich te beroepen op een der uitzonderingen op het exclusief reproductierecht ; dat de toestemming van de uitbater van het "copycenter" om het ter beschikking gestelde apparaat te gebruiken immers vreemd is aan de toestemming van de rechthebbende vereist door de Auteurswet om een werk te mogen reproduceren ; Dat, derhalve, kopieerder blijft in de zin van de Auteurswet, degene die de kopie materieel vervaardigt, dan wel daartoe opdracht geeft, ook wanneer de kopie in een "copycenter" wordt vervaardigd door middel van een ter beschikking gesteld apparaat ; Dat het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht ;
  15. Tweede middel 1.
  16. Eerste onderdeel Overwegende dat het arrest, na in het kader van de stakingsvordering de louter feitelijke en de intentionele medewerking van verweerster, evenals het feit dat verweerster geen initiatief zou genomen hebben om de inbreuken op de Auteurswet te voorkomen of te beperken, te hebben onderzocht, onaantastbaar in feite oordeelt dat noch een rechtstreekse, noch een onrechtstreekse inbreuk op het auteursrecht werd aangetoond ; Dat, gelet op deze beslissing, het onderdeel, al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is ; 2.
  17. Tweede onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek, er rechtsweigering bestaat wanneer de rechter weigert recht te spreken onder enig voorwendsel, zelfs van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid van de wet ; Dat van rechtsweigering geen sprake kan zijn als de rechter alleen maar een middel terzijde laat of oordeelt hierop niet te moeten antwoorden ; Overwegende dat de appèlrechters oordelen : "Hiervoor werd uiteengezet dat (verweerster) in de gegeven omstandigheden hoe dan ook geen inbreuk maakt op de meergenoemde bepaling van de wet van 30 juli
  18. Er dient dan ook niet verder onderzocht te worden of artikel 22, 5°, van de genoemde wet, dat een uitzondering op het verbod tot reproduceren bevat, in het voorliggende geval van toepassing is" ; Dat de appèlrechters aldus het middel van eiseres met betrekking tot artikel 22, 5°, van de Auteurswet onderzoeken en oordelen dat hierover geen uitspraak meer dient gedaan gelet op hun beslissing ; Dat het onderdeel, in zoverre het schending van artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek aanvoert, niet kan worden aangenomen ; Overwegende voorts dat, nu de appèlrechters vaststellen dat niet is aangetoond dat te dezen een kopie is gemaakt door verweerster of haar aangestelde, laat staan een kopie van een auteursrechtelijk beschermd werk, en dat niet vaststaat dat een kopie werd gemaakt in strijd met de wetgeving inzake auteursrechten en naburige rechten, het oordeel dat niet verder diende te worden onderzocht of die kopie al dan niet voldeed aan de vereisten van artikel 22, 5°, van de Auteurswet, naar recht verantwoord is ; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen ; Overwegende voor het overige dat het onderdeel, in zoverre het schending aanvoert van de artikelen 1315, 1316, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 870 en 878 van het Gerechtelijk Wetboek, afgeleid is uit de vergeefs aangevoerde schending van de overige in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen ; Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is ; 2.
  19. Derde onderdeel Overwegende dat de appèlrechters met de redenen in de randnummers 15 en 17 van het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer verwerpen en beantwoorden ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 2.
  20. Vierde onderdeel Overwegende dat het onderdeel het arrest bekritiseert in zoverre het "voor zover nog nodig" oordeelt : "De Auteurswet sanctioneert de intentionele medewerking van de uitbater van een kopiecentrum waarin klanten zelf kopies maken van auteursrechtelijke beschermde CD's of CD-Roms niet" ; Dat het arrest evenwel zijn beslissing dat de stelling van de eiseressen aangaande de intentionele medewerking van verweerster aan het realiseren van illegale kopieën van beschermde werken ongegrond is, laat steunen op de soevereine feitelijke beoordeling dat niet wordt aangetoond dat verweerster zou weten dat haar klanten de CD-writer die zij ter beschikking stelde op een illegale wijze gebruiken, noch dat verweerster bewust de mogelijkheid zou creëren om met haar hulp illegale kopieën van beschermde werken te realiseren ; Dat die zelfstandige reden de beslissing draagt ; Dat het onderdeel dat opkomt tegen een overtollige reden niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eiseressen in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd en negen euro vijfennegentig cent jegens de eisende partijen en op de som van tweehonderd tweeëndertig euro drieëntachtig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van zevenentwintig mei tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050527.7 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:ORANT:2014:JUG.20141104.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.