← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050530.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:A

Art.25

Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Verzekeringswet 11 juni 1874 Arbeidsongevallenverzekering Bestaan Conventionele wijziging Bewijs Ten overstaan van derden Geschriften Wettelijke bepalingen:

Art.25

Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschriften - Algemeen Vrije woorden: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschriften - Algemeen Verzekering Landverzekering Verzekeringswet 11 juni 1874 Arbeidsongevallenverzekering Bestaan Conventionele wijziging Bewijs Ten overstaan van derden Geschriften Wettelijke bepalingen:

Art.25Tekst van de beslissing Nr.

S.04.0086.N.- WINTERTHUR-EUROPE VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Kunstlaan 56, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 1.459, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen

  1. V.P.,
  2. OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN MECHELEN, met zetel te 2800 Mechelen, Oude Priorij Leliëndaal, Bruul 52,
  3. CENTRUM TECHNISCHE ORTHOPEDIE (C.T.O.), naamloze vennootschap, met zetel te 9230 Wetteren, Biezeweg 13, verweerders,
  4. FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN, met zetel te 1050 Brussel, Troonstraat 100, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  5. EVERGREEN, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1910 Kampenhout, Patrijzenlaan 41, verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 april 2003 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
  6. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 25 van de wet van 11 juni 1874 op de verzekering, toen opgenomen in titel X, Boek I, van het Wetboek van Koophandel, thans artikel 10 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomsten ; - artikelen 1134 en 1165 van het Burgerlijk Wetboek. Bestreden beslissing Het bestreden arrest oordeelt, samen met de eerste rechter, dat eiseres het arbeidsongeval ten laste dient te nemen nu zij niet overeenkomstig de artikelen 25, eerste en tweede lid, van de wet van 11 juni 1874, en 7 van de algemene voorwaarden van de polis heeft bewezen dat de verzekerings-overeenkomst was geschorst. Het arrest veroordeelt eiseres dienvolgens lastens P. V. tot betaling van een provisie van 0,02 euro en heropent de debatten teneinde partijen toe te laten de gegevens van het basisloon ter beschikking te stellen. Voorts veroordeelt het arrest eiseres, op de vordering van de NV C.T.O., tot betaling van de som van 1.459,18 euro, meer de intresten, en, op de vordering van het OCMW van Mechelen, tot betaling van de som van 3.634,81 euro, provisioneel, meer de intresten. De beslissing dat eiseres het bewijs niet leverde van de schorsing van de arbeidsongevallenpolis van de BVBA Evergreen werd op de volgende overwegingen geschraagd : "In de bewijsvoering omtrent het bestaan alsook in de wijzigingen van een verzekeringscontract arbeidsongevallen moeten de algemene regels van het verzekeringsrecht worden gerespecteerd (cf. Cass., 24 maart 1986, R.W. 1986-1987, 483). Hoewel de verzekeringsovereenkomst in beginsel een consensueel contract is, bestaan er bijzondere vereisten met betrekking tot het bewijs, die op sommige punten afwijken van het gemeenrecht ; Zo bepaalt artikel 25, eerste lid, van de wet van 11 juni 1874, zoals ten deze van toepassing (thans artikel 10, ,§ 1, van de Landverzekeringswet van 25 juni 1992), dat de verzekeringsovereenkomst bij geschrift moet worden bewezen, welke ook de waarde van het voorwerp van de overeenkomst zij. Het tweede lid van bedoeld artikel stelt dat het bewijs door getuigen en vermoedens niettemin mag worden toegelaten, wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is ; Deze dwingende wetsbepaling, waarvan contractueel niet kan worden afgeweken met miskenning van het beschermde belang, brengt met zich mee dat voor het bestaan van een geldige schorsing van de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst, onmiskenbaar een geschrift is vereist, minstens een begin van bewijs door geschrift, aangevuld met getuigen en vermoedens ; Het dwingend karakter van de noodzaak van een bewijs door geschrift wordt met zoveel woorden bevestigd door de nieuwe Landverzekeringswet van 25 juni 1992, waarin benadrukt wordt dat voornoemde regel zowel geldt voor zijn oorspronkelijke inhoud als voor de wijzigingen van het contract ; Het voortbestaan en de inhoud van een reeds aangegane overeenkomst kunnen immers steeds door de contractanten gewijzigd worden ; Hieruit volgt evident dat elke wijziging van de verzekeringsovereenkomst conventioneel bij geschrift moet worden bewezen ; Anders dan (eiseres) voorhoudt, is de schorsing van de uitvoering van een verzekeringsovereenkomst wegens het verdwijnen van het verzekerde risico aan te merken als een wijziging van de oorspronkelijke overeenkomst. De overeenkomst tussen partijen blijft immers voortbestaan doch enkel de verplichtingen van beide partijen worden tijdelijk opgeschort. De vaststelling dat de uitwerking van de verzekeringsovereenkomst ongedaan wordt gemaakt, dient noodzakelijk te worden vastgelegd in een bijvoegsel ; Bovendien steunde de weigering van (eiseres) om het arbeidsongeval ten laste te nemen op een schorsing van het contract en niet op de beëindiging ervan, zodat haar opmerking - zoals in haar repliek op het advies van het openbaar ministerie wordt herhaald - dat de verzekeringsovereenkomst in feite een einde had genomen wegens verdwijning van het risico, niet relevant is ; Een bijvoegsel, ook avenant genoemd, is aldus een document dat een wijziging van het oorspronkelijk contract vaststelt ; Zoals het oorspronkelijk contract is dit bijvoegsel aan de vereiste van een geschrift onderworpen (M. Fontaine, Verzekeringsrecht, Larcier, Brussel, 1999, nr. 394) ; Terecht heeft de eerste rechter kunnen vaststellen dat de avenant N 02, opgemaakt op 4 oktober 1989 met als voorwerp 'suspension' (vrij vertaald, schorsing) niet ondertekend werd door (vijfde verweerster) ; Op grond van bovenstaande overwegingen, beslist het (arbeids)hof dan ook dat, wegens het ontbreken van een door beide partijen ondertekend bijvoegsel dat de schorsing van de verzekeringspolis vanaf 1 juli 1989 vaststelt, dit bijvoegsel niet beantwoordt aan de bij artikel 25, eerste lid, van de wet van 11 juni 1874 vooropgestelde vereiste van een geschreven bewijs van de verzekerings-overeenkomst (en wijzigingen ervan) ; Anders dan (eiseres) wil doen uitschijnen, houdt het feit dat (vijfde verweerster) tot betaling van de door (eiseres) bij aangetekende brief van 8 maart 1990 gevorderde premies is overgegaan, niet het bewijs in van een bevestiging van haar oorspronkelijk verzoek tot schorsing, nog minder van het bestaan van een geldige conventionele schorsing van de verzekerings-overeenkomst ; Deze aanmaning houdt integendeel een dreiging in tot schorsing van de waarborg met terugwerkende kracht op de vervaldag '(...) bij gebrek aan betaling binnen de vastgestelde termijn en dit tot de dag volgend op de volledige betaling van de verschuldigde bedragen en van de invorderingskosten' ; Wat betreft de verplichte verzekering tegen arbeidsongevallen wordt overigens nog expliciet in de verf gezet dat 'de waarborgen geschorst worden vanaf de I5de dag om 0 uur na de afgifte ter post van deze brief' . Dat de dreiging van schorsing van dekking enkel de verzekeringsovereenkomst 'Burgerlijke Aansprakelijkheid Bedrijfsleider' betrof, wordt door wat voorafgaat duidelijk tegengesproken ; De voorgebrachte premieafrekening van 31 januari 1990 (stuk 3, bundel (eiseres)) laat evenmin toe te besluiten dat de polis arbeidsongevallen zou geschorst zijn ; Hieruit volgt duidelijk dat voor de schorsing van de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst geen wilsovereenstemming tussen de contracterende partijen inzake tot stand was gekomen ; In het licht van wat voorafgaat is de door (eiseres) ontwikkelde argumentatie inzake de uitvoering van de overeenkomsten te goeder trouw ter zake niet relevant ; Rest bijgevolg de vraag of één van de bijgebrachte overtuigingsstukken beantwoordt aan de vereisten gesteld door artikel 1347 van het Burgerlijk Wetboek om als begin van bewijs door geschrift (zoals bepaald bij artikel 25, tweede lid, van de wet van 25 juni 1874) te kunnen worden aangemerkt ; Artikel 1347 van het Burgerlijk Wetboek noemt een begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt ; Het (arbeids)hof benadrukt in dit verband dat het geschrift noodzakelijk moet uitgaan van de partij zelf tegen wie het wordt tegengeworpen, in casu van (vijfde verweerster) ; De mededelingsnota van (eiseres) naar aanleiding van de telefonische aanvraag tot schorsing door (vijfde verweerster) noch het bijvoegsel van 4 oktober 1989 beantwoorden aan de vereisten van bedoeld artikel 1347 van het Burgerlijk Wetboek, vermits deze geschreven akten niet uitgaan van de persoon tegen wie het geschrift en het beweerde rechtsfeit wordt aangevoerd ; Evenmin laat de inhoud van deze stukken toe te besluiten dat (vijfde verweerster) zelf de schorsing van de verzekeringsovereenkomst zou hebben gevraagd ; Ook de brief van 24 augustus 1994 van (vijfde verweerster), waarbij deze (eiseres) verzocht om de openstaande arbeidsongevallenverzekering terug te openen, kan het (arbeids)hof niet aannemen als een begin van bewijs door geschrift (stuk 6, bundel (eiseres)) ; Met brief van 26 juli 1994 deed (vijfde verweerster) immers aangifte van het arbeidsongeval van 23 juli 1994 bij (eiseres) (stuk 1, bundel (vijfde verweerster)). Hierop reageerde (eiseres) op datum van 9 augustus 1994 met het toesturen van een kopie van haar brief aan het Fonds voor Arbeidsongevallen, waarin zij melding maakt dat de waarborgen van het contract geschorst zijn sinds 30 juni 1989 (stuk 2, bundel (vijfde verweerster)) De vraag tot reactivering van de geschorste polis met voornoemd schrijven van 24 augustus 1994 van (vijfde verweerster), dient dan ook in het licht van de hiervoor omschreven feiten te worden geplaatst. Aldus mist het beweerde feit van schorsing van de verzekeringspolis schijn van waarachtigheid, zoals vereist bij artikel 1347 van het Burgerlijk Wetboek. Bij gebrek aan begin van schriftelijk bewijs, is het (eiseres) niet toegelaten terug te vallen op een bewijs door getuigen en vermoedens, zodat het (arbeids)hof op de in dit verband ontwikkelde argumenten niet dient in te gaan ; Uit wat voorafgaat volgt noodzakelijk dat wegens het ontbreken van een ondertekend geschrift zoals wettelijk is vereist, (eiseres) geen geldige schorsing van de verzekeringspolis vanaf 1 juli 1989 bewijst, zodat deze gehouden is tot betaling van de wettelijke vergoedingen zoals bepaald bij de Arbeidsongevallenwet ; De kritiek van (eiseres) dat de eerste rechter ten onrechte verwezen heeft naar artikel 7 van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis dient, in het licht van wat voorafgaat, als niet relevant te worden afgewezen ; Het is ten overvloede dat het (arbeids)hof wenst op te merken dat de voorliggende verzekeringspolis tussen de betrokken partijen in geen enkel opzicht afwijkt van de bewijsregeling zoals bepaald bij artikel 25 van de (oude) Verzekeringswet van 11 juni 1874 ; De algemene polisvoorwaarden voorzien inderdaad dat de wijzigingen aan het verzekeringscontract pas verworven zijn vanaf het ogenblik dat de bijlage bij het verzekeringscontract door beide partijen ondertekend is, wat hier niet het geval is ; Terecht heeft de eerste rechter op grond van een correcte juridische ontleding van artikel 7 van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis kunnen beslissen dat een ondertekend geschrift vereist is om de schorsing van de overeenkomst te bewijzen". (arrest, p.15 - p.18). Grieven Overeenkomstig artikel 25 van de Verzekeringswet van 11 juni 1874 moet de verzekeringsovereenkomst bewezen worden door geschrift, ongeacht de waarde van de overeenkomst (eerste lid). Wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is, dan kan niettemin het bewijs door getuigen worden toegelaten. Deze dwingende bepaling brengt met zich mee dat elke wijziging van de oorspronkelijke verzekeringsovereenkomst, zoals de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst wegens het verdwijnen van het verzekerde risico, tussen partijen bij geschrift moet worden bewezen, minstens met een begin van bewijs door geschrift, aangevuld met getuigen. Deze regel geldt niet tegenover derden ten aanzien van wie het bewijs van het bestaan van een verzekeringsovereenkomst, of een wijziging ervan, vrij is. Tegenover eerste verweerder, tweede verweerder en derde verweerster, zijnde respectievelijke de getroffene en de personen die de medische, farmaceutische, heelkundige en verplegingskosten hebben gedragen (cf. artikel 73 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971), kon eiseres bijgevolg het bewijs van de schorsing van de verzekeringsovereenkomst leveren met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen. Zo kon eiseres zich ten opzichte van voormelde "derden" beroepen op het avenant N 02 van 4 oktober 1989 om aan te tonen dat de overeenkomst was geschorst vanaf 1 juli 1989, ook al droeg dit document niet de handtekening van vijfde verweerster, de verzekeringsnemer. Ook de aanmaning van eiseres van 8 maart 1990, de premieafrekening van 31 januari 1990, de mededelingsnota van eiseres naar aanleiding van de telefonisch aanvraag van vijfde verweerster tot schorsing van de polis en de brief van vijfde verweerster van 24 augustus 1994 met het verzoek tot reactivering van de geschorste polis, vermocht eiseres dienstig als bewijs in te roepen van het bestaan van de schorsing, ongeacht of dezen stukken al dan niet beantwoorden aan de vereisten gesteld door artikel 1347 van het Burgerlijk Wetboek inzake het begin van bewijs door geschrift. Aan de vrije bewijslevering die geldt ten aanzien van derden kon in casu bovendien geen afbreuk worden gedaan door artikel 7 van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis waarin eveneens een ondertekend geschrift is vereist om de schorsing van de overeenkomst tussen partijen te bewijzen. Overeenkomsten brengen immers, krachtens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek, alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen zelf en strekken niet tot voordeel van derden. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, ten aanzien van eerste verweerder, tweede verweerder en derde verweerster, niet wettig heeft kunnen oordelen dat eiseres het arbeidsongeval ten laste dient te nemen omdat zij het bestaan van een geldige schorsing van de verzekeringspolis niet heeft bewezen overeenkomstig de artikelen 25 van de oude Verzekeringswet van 11 juni 1874 en 7 van de algemene polisvoorwaarden, met name met een door beide partijen ondertekend geschrift, of met een begin van schriftelijk bewijs aangevuld door getuigen (schending van de artikelen 25 van de wet van 11 juni 1874, 1134 en 1165 van het Burgerlijk Wetboek).
  7. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 6, 1044, 1045, 1110, 1120 en 1056,4°, van het Gerechtelijk Wetboek ; - het algemeen rechtsbeginsel dat een afstand van recht strikt moet worden uitgelegd en slechts mag worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn, en waarvan onder meer artikel 1045, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek een toepassing uitmaakt. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiseres, ingesteld bij beroepsconclusies, neergelegd ter zitting van 5 september 2000 van het arbeidshof, tegen de uitspraak van de eerste rechter omtrent zijn bevoegdheid ratione materiae om kennis te nemen van de regresvordering van eiseres tegenover vijfde verweerster, niet geldig en bijgevolg niet toelaatbaar om reden van : "Zowel het motiverend als het beschikkend gedeelte (dat verondersteld wordt de conclusie van het motiverend gedeelte te zijn) van het verzoekschrift in hoger beroep hebben onbetwistbaar uitsluitend betrekking op de gehoudenheid van (eiseres) tot vergoeding van (eerste verweerder) ; (Eiseres) beperkt duidelijk en ondubbelzinnig het hoger beroep tot de uitspraak van de eerste rechter betreffende haar veroordeling tot de ten laste neming van de wettelijke vergoedingen zoals voorzien in de arbeidsonge-vallenwetgeving ; Door het hoger beroep wordt immers, binnen de perken van het door partijen ingestelde hoofdberoep (en eventueel incidenteel hoger beroep), het geschil aan de appèlrechter overgedragen. Dit is niets anders dan de toepassing, in hoger beroep, van het beschikkingsbeginsel (cf. adagium 'tantum devolutum, quantum appellatum') ; Samen met (vijfde verweerster), kan het (arbeids)hof minstens ook vaststellen dat betreffende de beslissing van de eerste rechter waarbij deze zich onbevoegd verklaard heeft om kennis te nemen van de verhaalsvordering van (eiseres) tegen (vijfde verweerster) geen grieven werden aangevoerd in de akte tot hoger beroep ; Dit heeft evident tot gevolg dat (eiseres) haar hoger beroep uitdrukkelijk en ondubbelzinnig beperkte tot de beschikking van de eerste rechter waarin het (eiseres) veroordeeld heeft om haar verzekerings-waarborgen te verlenen ten overstaan van (eerste verweerder) ; Bij beroepsconclusies neergelegd ter zitting van 5 september 2000 van (het) (arbeids)hof, stelt (eiseres) een nieuw hoofdberoep in tegen de uitspraak van de eerste rechter omtrent zijn bevoegdheid ratione materiae met betrekking tot diens regresvordering tegenover (vijfde verweerster) ; Met zijn arrest van 2 juni 1994 (Arr. Cass., 1994, 569) heeft het Hof van Cassatie evenwel aangegeven dat, hoewel artikel 1056, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat hoger beroep kan worden ingesteld bij conclusie ten aanzien van iedere persoon die bij het geding aanwezig of vertegenwoordigd is, dit niet impliceert dat de partij die haar principaal beroep heeft beperkt, bij conclusies een nieuw principaal beroep kan instellen tegen de beschikkingen van het vonnis waarin zij had berust ; De omstandigheid dat (eiseres) zich het recht heeft voorbehouden haar standpunt nader uiteen te zetten in conclusies kan niet als een bestrijding van niet aangevochten beschikkingen van het vonnis worden uitgelegd en doet derhalve geen afbreuk aan bovenstaande overwegingen ; Het principaal hoger beroep door (eiseres) bij beroepsconclusies ingesteld, is bijgevolg op dit punt niet geldig en dient derhalve niet toelaatbaar te worden verklaard". (arrest, p.13, onderaan - p.14). Grieven Eerste onderdeel Berusten in een beslissing is afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend (artikel 1044 van het Gerechtelijk Wetboek). Zij kan uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn (artikel 1045, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De stilzwijgende berusting kan alleen worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste en ondubbelzinnige voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing (artikel 1045, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De stilzwijgende berusting in een rechterlijke beslissing kan hieruit worden afgeleid dat de appellant het voorwerp van zijn hoger beroep uitdrukkelijk heeft beperkt, voor zover dit, in het licht van de ermee samenhangende feiten en gedragingen, de enige mogelijke interpretatie is van de beroepsakte. Afstand van recht moet immers strikt worden geïnterpreteerd, wordt niet vermoed en kan enkel worden afgeleid uit feiten en gedragingen die niet voor een andere uitlegging vatbaar zijn. Het hoger beroep waarvan het voorwerp wordt beperkt, komt bijgevolg niet per definitie neer op een berusting in de niet aangevochten beschikkingen. In casu kon uit het loutere feit dat eiseres haar hoger beroep in het verzoekschrift tot hoger beroep heeft beperkt tot de beslissing waarbij de eerste rechter haar veroordeelde om het arbeidsongeval ten laste te nemen, niet wettig worden afgeleid dat eiseres stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht om naderhand bij conclusies hoger beroep aan te tekenen tegen de beslissing waarbij de eerste rechter zich onbevoegd verklaarde ratione materiae om kennis te nemen van haar subsidiaire vordering lastens de BVBA Evergreen. Niet alleen stelden de appèlrechters het bestaan niet vast van bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit het vaste en ondubbelzinnige voornemen van eiseres kon blijken om, middels een beperkt hoger beroep, haar instemming te betuigen met de beslissing van de eerste rechter inzake de bevoegdheidsproblematiek. Bovendien sluiten de bewoordingen van het verzoekschrift tot hoger beroep niet uit dat eiseres het voorwerp van haar hoger beroep later nog kan uitbreiden. Zo werd in het beschikkend gedeelte van het verzoekschrift tot hoger beroep de vernietiging van het vonnis a quo gevorderd zonder dat het voorwerp van deze vernietiging tot welbepaalde beschikkingen van het vonnis werd beperkt. Verder was het verweer in dit verzoekschrift geformuleerd "onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkenning" (cf. de aanvullende beroepsbesluiten van eiseres, p.3, punt 1). Zodoende sluiten de termen van het verzoekschrift tot hoger beroep minstens virtueel de mogelijkheid in van een aanvullend hoger beroep tegen de niet aangevochten beschikkingen en kon deze beroepsakte ook anders worden uitgelegd dan als een berusting in deze beschikkingen. Overeenkomstig artikel 1056, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek kan een aanvullend hoofdberoep worden ingesteld bij conclusie ten aanzien van iedere partij die bij het geding aanwezig of vertegenwoordigd is wanneer de appellant niet heeft berust in de beschikkingen van het vonnis die het voorwerp zijn van het aanvullend hoger beroep. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig uit het beperkt principaal hoger beroep van eiser, ingesteld bij verzoekschrift, heeft kunnen afleiden dat zij in de niet aangevochten beschikkingen van het vonnis van de eerste rechter heeft berust nu dit niet de enige mogelijke interpretatie was van deze beroepsakte, noch uitdrukkelijk was vastgesteld dat het de vaste en uitdrukkelijk wil was van eiseres om te berusten, (schending van de artikelen 1044, 1045 en 1056,4°, van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel dat een afstand van recht strikt moet worden uitgelegd en slechts mag worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn, en waarvan onder meer artikel 1045, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek een toepassing uitmaken). Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek mogen de rechters in de zaken die aan hun oordeel zijn onderworpen, geen uitspraak doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking. Behoudens het geval bedoeld in artikel 1120 van het Gerechtelijk Wetboek, met name bij een tweede cassatie op dezelfde gronden als de eerste cassatie, is de feitenrechter nooit verplicht om zich naar de rechtspraak van het Hof te schikken (artikel 1110 van het Gerechtelijk Wetboek). De rechter die zijn beslissing laat steunen op de rechtspraak van het Hof van Cassatie zonder te zeggen waarom hij zich daarbij aansluit, geeft aan die rechtspraak bijgevolg een algemene en als regel geldende draagwijdte. Het bestreden arrest haalt in casu een cassatiearrest van 2 juni 1994 (A.C., 1994, 569) aan waarin het Hof oordeelde dat, hoewel artikel 1056,4°, van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat hoger beroep kan worden ingesteld bij conclusie ten aanzien van iedere persoon die bij het geding aanwezig of vertegenwoordigd is, dit niet impliceert dat de partij die haar principaal beroep heeft beperkt, bij conclusies een nieuw principaal beroep kan instellen tegen de beschikkingen van het vonnis waarin zij had berust. Onder verwijzing naar deze rechtspraak, én omwille van deze rechtspraak, oordeelt het bestreden arrest vervolgens dat het principaal hoger beroep dat door eiseres bij beroepsconclusies was ingesteld "bijgevolg" op dit punt niet geldig is wegens berusting en bijgevolg niet toelaatbaar (p.14, zevende alinea). Het bestreden arrest neemt zodoende louter op grond van voormeld cassatiearrest aan dat eiseres heeft berust in de beschikkingen van het vonnis waartegen geen hoger beroep was aangetekend in het verzoekschrift tot hoger beroep, zonder de redenen op te geven waarom het zich bij deze rechtspraak meent te moeten aansluiten. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, met miskenning van de artikelen 6, 1110 en 1120 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de rechtspraak in kwestie van het Hof een algemene en als regel geldende draagwijdte heeft verleend zodat het hoger beroep van eiseres, ingesteld bij beroepsconclusies, niet wettig ongeldig en ontoelaatbaar werd verklaard wegens berusting. IV. Beslissing van het Hof.
  8. Eerste middel Overwegende dat, overeenkomstig het te dezen toepasselijke artikel 25, eerste lid, van de Verzekeringswet van 11 juni 1874, de verzekerings-overeenkomst moet worden bewezen door geschrift, ongeacht de waarde van het voorwerp van de overeenkomst ; Dat, krachtens het tweede lid van die wettelijke bepaling, het bewijs door getuigen niettemin kan worden toegelaten, wanneer er een begin van schriftelijk bewijs aanwezig is ; Dat die wettelijke bewijsregeling geldt voor de partijen bij de verzekeringsovereenkomst, ook wanneer zij het bestaan of de conventionele wijziging van de verzekeringsovereenkomst aanvoeren tegen een derde, gezien zij alleen in de mogelijkheid zijn zich een geschrift te verschaffen ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat :
  9. eerste verweerder op 23 juli 1994 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval tijdens zijn tewerkstelling bij vijfde verweerster ;
  10. de eerste verweerder, tweede verweerder en de derde verweerster de vergoeding vorderden van hun schade ten laste van eiseres in haar hoedanigheid van arbeidsongevallenverzekeraar van de vijfde verweerster, alsmede ten laste van vierde verweerder ;
  11. eiseres weigerde het arbeidsongeval ten laste te nemen omdat de verzekeringspolis vanaf 1 juli 1989 geschorst was wegens de verdwijning van het risico ; Dat de appèlrechters oordelen dat, overeenkomstig artikel 25 van de verzekeringswet van 11 juni 1874, voor het door eiseres te leveren bewijs van het bestaan van een conventionele schorsing van de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst, een geschrift vereist is of minstens een begin van bewijs door geschrift aangevuld met getuigen en vermoedens ; Dat zij vervolgens oordelen dat eiseres geen ondertekend geschrift, noch een begin van schriftelijk bewijs voorlegt waaruit blijkt dat de verzekeringspolis vanaf 1 juli 1989 werd geschorst ; Dat de appèlrechters op grond hiervan wettig beslissen dat eiseres gehouden is het arbeidsongeval ten laste te nemen ; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen ; Overwegende verder dat de appèlrechters met hun oordeel inzake het vereiste schriftelijk bewijs overeenkomstig artikel 25 van de Verzekeringswet van 11 juni 1874, een zelfstandige en vergeefs bekritiseerde grond van hun beslissing geven ; Dat het onderdeel, in zoverre het gericht is tegen het oordeel van de appèlrechters met betrekking tot dezelfde bewijsregeling bepaald in artikel 7 van de algemene polisvoorwaarden, niet tot cassatie kan leiden en derhalve niet ontvankelijk is ;
  12. Tweede middel 2.
  13. Eerste onderdeel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 1045, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de stilzwijgende berusting in een beslissing alleen kan worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen, zonder dat op dit punt miskenning van bewijskracht van akten wordt aangevoerd, dat in de akte van hoger beroep eiseres haar hoger beroep duidelijk en ondubbelzinnig beperkt tot de uitspraak van het beroepen vonnis betreffende haar veroordeling tot tenlasteneming van de wettelijke vergoedingen zoals voorzien in de arbeids-ongevallenwetgeving en dat zij geen grieven heeft aangevoerd tegen de beslissing van de eerste rechter waarbij deze zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van de regresvordering van eiseres tegen vijfde verweerster ; Dat de appèlrechters op grond van de bewoordingen van de akte van hoger beroep, hebben kunnen oordelen dat eiseres stilzwijgend heeft berust in de beslissing van de eerste rechter waarbij deze zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van haar regresvordering tegen vijfde verweerster en aldus hun beslissing dat het hoger beroep ingesteld bij conclusies neergelegd op 5 september 2000, gericht tegen voormelde beslissing, niet ontvankelijk is, naar recht verantwoorden ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 2.
  14. Tweede onderdeel Overwegende dat, anders dan het onderdeel aanvoert, de appèlrechters hun beslissing dat eiseres heeft berust niet louter laten steunen op het in het arrest geciteerde arrest van dit Hof, maar mede op de analyse van de bewoordingen van de akte van hoger beroep ; Dat het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van vierhonderd eenendertig euro zesentachtig cent jegens de eisende partij en op de som van tweeënzeventig euro achtentachtig cent jegens de verwerende partij sub
  15. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van dertig mei tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050530.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.