id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050530.4 Rolnummer: S.04.0115.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-10-07 Raadplegingen: 675 - laatst gezien 2026-07-04 14:24 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 In geval zowel de werkgever als de werknemer zich na de kennisgeving van de ongeldige opzegging verder hebben gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag heeft plaatsgevonden, wordt de nietigheid van de opzegging niet gedekt, maar kan na een redelijke termijn aanvaard worden dat de partijen afstand hebben gedaan van het recht het onmiddellijk ontslag in te roepen; in deze omstandigheden blijft de arbeidsovereenkomst gewoon voortduren totdat ze op een andere wijze wordt beëindigd; wanneer in de voormelde omstandigheden de partij aan wie kennis werd gegeven van het ontslag binnen redelijke termijn het gegeven ontslag inroept, moet de arbeidsovereenkomst voor wat de gevolgen ervan betreft als beëindigd worden beschouwd op de dag dat die partij zich op die beëindiging beroept, zodat de verjaringstermijn van de uit de arbeidsovereenkomst ontstane rechtsvorderingen van dan af een aanvang neemt
(1)Cass., 11 april 2005, AR S.04.0113.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050411.7, nr ... Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - VERJARING Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - VERJARING Opzegging Nietigheid Ontslag Partijen Verdere uitvoering overeenkomst Geen afstand van recht van aanvoering van beëindiging Einde arbeidsovereenkomst Aanvang Verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art.15 Thesaurus CAS: VERJARING - ALLERLEI Vrije woorden: VERJARING - ALLERLEI Arbeidsovereenkomst Opzegging Nietigheid Ontslag Partijen Verdere uitvoering overeenkomst Geen afstand van recht van aanvoering van beëindiging Einde arbeidsovereenkomst Aanvang Verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art.15 Tekst van de beslissing Nr. S.04.0115.N.- N.D., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen SPAR RETAIL, naamloze vennootschap, met zetel te 1740 Ternat, Industrielaan 23, ingeschreven in het handelsregister te Brussel : nummer 534.263, verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 januari 2004 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ; - de artikelen 15, 32, 3°, 37 en 39, ,§1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ; - de artikelen 2244, 2248 en 2261 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke tegenvordering van verweerster, het incidenteel beroep van verweerster ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, veroordeelt het eiser tot betaling aan verweerster van het nettobedrag overeenstemmend met het bedrag van 30.481,26 euro bruto ten titel van opzegvergoeding, meer de moratoire interest vanaf 12 juni 1998 en de gerechtelijke interest vanaf 26 mei 1999, en dat op grond van de volgende motieven : "Uit de tekst van de ontslagbrief van 19 mei 1998 blijkt volgens het (arbeids)hof zonder enige twijfel een definitieve beslissing van (eiser) om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De woorden "met dit schrijven wens ik mijn ontslag aan te bieden als werknemer" samen met "wij danken u voor een vlotte en correcte afhandeling zodat een spoedig vertrek kan plaatsvinden" zijn ondubbelzinnig en laten volgens het (arbeidshof) niet de minste twijfel bestaan over dat (eiser) met deze brief aan (verweerster) ter kennis bracht dat hij werkelijk besloten heeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen. (Eiser) verbindt deze beslissing niet aan één of andere voorwaarde, noch aan één of andere termijn. Hij stelt dat partijen de opzegtermijn in onderling akkoord zullen vaststellen (...) hoopt op een spoedig vertrek, doch drukt in zijn ontslagschrijven geen enkele voorwaarde uit waarvan hij zijn ontslagbeslissing afhankelijk maakt. (Eiser) stelt geen enkele termijn voorop waarop hij de overeenkomst zou beëindigen (...). Het (arbeids)hof deelt de mening van de eerste rechter dat de brief die (eiser) op 19 mei 1998 voor ontvangst laat ondertekenen door de werkgever een ontslagbeslissing is en niet zomaar een uiting van een voornemen of van de wens om later, ooit in de toekomst, de arbeidsovereenkomst te zullen willen beëindigen. Uit de omringende omstandigheden, in het bijzonder de mailing van 25 mei 1998, van de toekomstige werkgever van (eiser), alsook uit de berichten die (verweerster) aan (haar) cliënten en aan (haar) personeel verspreidde, blijkt even duidelijk dat (eiser) op 19 mei 1998 aan (verweerster) ter kennis bracht dat hij beslist (had) de arbeidsovereenkomst met (verweerster) te beëindigen om zo spoedig mogelijk in dienst te kunnen treden bij een nieuwe werkgever als directeur franchise Nopri-Unic. Overwegende dat de ontslagbrief van 19 mei 1998 niet beantwoordt aan de vormvereisten van artikel 37, ,§1, van de Arbeidsovereenkomstenwet (AOW), dat immers op straffe van nietigheid voorschrijft dat de kennisgeving van de opzegging het begin en de duur van de opzeggingstermijn moet vermelden, quod non. Artikel 82, ,§2, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat voor bedienden boven een zeker maandloon de opzeggingstermijn moet vastgesteld worden door een overeenkomst tussen partijen of door de rechter. Dit wil echter niet zeggen dat een opzegging zonder geldige opzeggingstermijn de arbeidsrelatie laat voortbestaan tot de opzeggingstermijn is vastgesteld door een overeenkomst of door de rechter. Zo'n opzegging is nietig. De arbeidsovereenkomst wordt er onmiddellijk door verbroken (...). Overwegende dat de nietigheid van de opzegging wegens het ontbreken van de verplichte vermeldingen nl. het begin en duur van de opzeggingstermijn het ontslag niet ongedaan maakt (...). Wanneer het ontslag gepaard gaat met een nietige opzegging, daar geen geldige opzeggingstermijn voorhanden is, is de overeenkomst onmiddellijk beëindigd (...). In onderhavige zaak bevat de ontslagbeslissing van 19 mei 1998 helemaal geen opzeggingstermijn, zelfs geen ongeldig uitgedrukte termijn. (Eiser) voert aan dat (verweerster) de nietigheid van de opzegging zou gedekt hebben door haar houding. Overwegende dat als bewezen voorkomt dat (eiser) vanaf 20 mei 1998 feitelijk sommige prestaties is blijven uitvoeren voor (verweerster) en dat (verweerster) hem ook verder loon uitbetaalde tot 12 juni
- Zoals (verweerster) officieel aan (haar) personeel en cliënteel aankondigde op 3 juni 1998 (...) werd tussen partijen blijkbaar afgesproken dat (eiser), gezien zijn nieuwe functie zich in een zeer concurrentiële omgeving situeert (GB), zich nog minimaal met de lopende en toekomstig gerichte zaken bij (verweerster) zou bezighouden en alle verdere activiteiten gericht worden op het zorgen voor een degelijke overdracht. Een interim-management zorgt voor de continuïteit op alle vlakken (...). (Eiser) stelt ten onrechte dat de arbeidsovereenkomst na zijn ontslagbeslissing verder "normaal" werd uitgevoerd tussen partijen. Partijen kwamen blijkbaar immers overeen (...) dat (eiser) voorlopig en tijdelijk in dienst bleef om bij te dragen tot de overdracht van zijn taken en met dien verstande dat hij nog slechts minimaal zijn commerciële functie zou uitoefenen voor lopende en toekomstgerichte zaken. Een nietigheid krachtens artikel 37 van de Arbeidsovereenkomstenwet van de opzegging uitgaande van een werknemer is een relatieve nietigheid. Deze kan inderdaad gedekt worden. Een nietigheid dekken betekent dat een partij ervan afziet zich op de nietigheid van een rechtshandeling te beroepen en deze rechtshandeling als rechtsgeldig aanvaardt, hetzij impliciet, hetzij uitdrukkelijk. Dekking van de nietigheid kan door een overeenkomst. In onderhavig geval is er geen enkel bewijs dat partijen na het ontslag een dergelijke overeenkomst zouden gesloten hebben. Er is ook geen spoor van akkoord van (verweerster) met een spoedig vertrek zoals (eiser) voorstelde. Er is ook geen spoor van een uitdrukkelijke afstand in hoofde van (verweerster) van haar recht om zich op de nietigheid te beroepen. Een impliciete afstand van het recht zich op de nietigheid van een opzegging te beroepen kan volgens het (arbeids)hof slechts afgeleid worden uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn, zoals geldt voor iedere impliciete afstand van een recht. Het loutere feit dat (verweerster) gedurende de periode van 19 mei tot 12 juni 1998 (of ruim 3 weken) d.w.z. niet onmiddellijk de nietigheid van de opzegging heeft ingeroepen is in de concrete omstandigheden van deze zaak geen bewijs van een afstand van recht in (haren) hoofde om zich op de nietigheid van de opzegging te beroepen. Vooreerst dient benadrukt te worden dat (eiser) in zijn ontslagbrief van 19 mei 1998 geen enkele opzegtermijn of vertrekdatum voorstelde en eenzijdig stelt dat partijen een overeenkomst zullen sluiten over de opzegtermijn. (Verweerster) diende in deze omstandigheden dan ook over een redelijke bedenktijd en over een redelijke onderhandelingstermijn te kunnen beschikken vooraleer zijn definitief standpunt te kunnen geven. Partijen blijken trouwens gepoogd te hebben te onderhandelen over de opzegtermijn na de terugkeer van de ontslagbevoegde persoon uit het buitenland en wel op 3 juni 1998 volgens (eisers) eigen beweringen, doch tevergeefs, waarna (verweerster) juridisch advies inwon (...) en waarna (verweerster) zich op 12 juni 1998 met een aangetekend schrijven op de nietigheid van de opzegging beriep. Een bedenktijd van 3 weken komt het (arbeidshof) in de concrete omstandigheden van deze zaak niet overdreven of onredelijk voor, mede gelet op het feit dat er ook tijd nodig was om te pogen te onderhandelen zoals (eiser) (verweerster) met zijn brief van 19 mei 1998 had gevraagd opdat een spoedig vertrek zou kunnen plaatsvinden. Het loutere feit dat (verweerster) gedurende deze bedenktijd van 3 weken (eiser) voorlopig in dienst hield (en loon betaalde) en hem belaste met minimale commerciële taken en met de overdracht van zijn dossiers, is volgens het (arbeidshof) geen bewijs van (afstand van het) recht om de nietigheid van de opzegging in te roepen. Het (arbeidshof) beaamt dan ook de beslissing van de eerste rechter. (Verweerster) stelde met (haar) aangetekend schrijven van 12 juni 1998 terecht dat (eisers) opzegging van 19 mei 1998 nietig was overeenkomstig artikel 37 van de Arbeidsovereenkomstenwet (AOW), doch dat deze nietigheid de geldigheid van zijn ontslag niet aantastte, zodat hij op 19 mei 1998 onmiddellijk de arbeidsovereenkomst beëindigde. Vermits (eiser) zelf de arbeidsovereenkomst beëindigde, heeft hij geen recht op een opzeggingsvergoeding". (12de blad, vijfde alinea, - 16de blad, tweede alinea, van het bestreden arrest). Verder oordeelt het arbeidshof in het bestreden arrest : "(...) dat de bij artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde verjaringstermijn van één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst als vertrekdatum heeft het ogenblik waarop de overeenkomst daadwerkelijk niet meer wordt uitgeoefend. (...) Het einde van de overeenkomst bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet valt niet noodzakelijk samen met het ontslag noch met de normale duur van de overeenkomst maar met de laatste dag van effectieve prestaties. (...) Wanneer de arbeidsovereenkomst wordt verbroken door een nietige opzegging neemt de eenjarige verjaringstermijn een aanvang de dag dat de partijen de overeenkomst niet meer uitvoeren en niet de dag van het ontslag (...). (...) dat de partijen de overeenkomst na het ontslag van 19 mei 1998 nog feitelijk verder uitvoerden tot 12 juni
- (Eiser) verrichtte nog arbeidsprestaties, (verweerster) betaalde nog loon. Dat de in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde verjaringstermijn een aanvang nam op het ogenblik dat de arbeidsbetrekkingen tussen partijen effectief werd beëindigd, dit is op 12 juni
- De door (verweerster) ingestelde eis tot het bekomen van een opzegvergoeding werd ingesteld bij besluiten, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel op 26 mei 1999 en is derhalve ontvankelijk want ingesteld binnen het jaar na het effectief eindigen van de overeenkomst. Daar vaststaat dat (eiser) de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft beëindigd (zoals hoger in dit arrest uiteengezet), is hij (verweerster) een opzeggingsvergoeding verschuldigd overeenkomstig artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet gelijk aan het loon voor de passende opzeggingstermijn". (16de blad, voorlaatste alinea, - 17de blad, vijfde alinea, van het bestreden arrest). Grieven
- Eerste onderdeel 1 . Krachtens artikel 32, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hieronder afgekort als Arbeidsovereenkomstenwet, nemen de verbintenissen voortspruitende uit een arbeidsovereenkomst die voor een onbepaalde tijd werd gesloten, een einde door de wil van een der partijen. Ieder van de partijen bij een arbeidsovereenkomst kan op elk ogenblik overgaan tot ontslag, zijnde een handeling waarbij zij aan de andere partij ter kennis brengt dat zij besloten heeft de bestaande arbeidsovereenkomst te beëindigen. Is de overeenkomst voor een onbepaalde tijd gesloten, dan heeft ieder van de partijen krachtens artikel 37, ,§1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, het recht die te beëindigen door opzegging aan de andere partij. Daarbij deelt de ene partij aan de andere partij de termijn mee na verloop waarvan de arbeidsovereenkomst een einde zal nemen. Om regelmatig te zijn, moet de opzegging voldoen aan de voorwaarden van artikel 37 van de Arbeidsovereenkomstenwet en moet de kennisgeving daarvan het begin en de duur van de opzeggingstermijn vermelden en gebeuren op de door de wet voorgeschreven wijze. Uit de artikelen 32, 3°, en 37, ,§1, van de Arbeidsovereenkomstenwet volgt dat het ontslag uitgaande van een van de partijen bij een arbeidsovereenkomst dat niet beantwoordt aan de vereisten van een regelmatige opzegging, onmiddellijk een einde maakt aan de bestaande arbeidsovereenkomst. Die onmiddellijke beëindiging is onherroepelijk en kan niet ongedaan worden gemaakt dan met instemming van beide partijen. Het arbeidshof oordeelt dat uit de tekst van de ontslagbrief van 19 mei 1998 zonder enige twijfel een definitieve beslissing van eiser blijkt de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Die ontslagbrief van 19 mei 1998 beantwoordt volgens het arbeidshof niet aan de vormvereisten van artikel 37 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Wanneer het ontslag gepaard gaat met een nietige opzegging, daar geen geldige opzeggingstermijn voorhanden is, is de arbeidsovereenkomst, nog steeds volgens het arbeidshof, onmiddellijk beëindigd. Het arbeidshof oordeelt voorts dat eiser ten onrechte aanvoerde dat de arbeidsovereenkomst na zijn ontslagbeslissing verder normaal werd uitgevoerd, aangezien de partijen blijkbaar overeen kwamen dat eiser voorlopig en tijdelijk in dienst bleef om bij te dragen tot de overdracht van zijn taken en met dien verstande dat hij nog slechts minimaal zijn commerciële functie zou uitoefenen voor lopende en toekomstgerichte zaken. De nietigheid van de opzegging werd volgens het arbeidshof niet gedekt door verweerster. Ook het feit dat verweerster niet onmiddellijk de nietigheid van de opzegging heeft ingeroepen, is in de concrete omstandigheden volgens het arbeidshof geen bewijs van een afstand van het recht zich alsnog op de nietigheid van de opzegging te beroepen. Aangezien eiser geen enkele opzeggingstermijn of vertrekdatum voorstelde, maar eenzijdig stelde dat partijen een overeenkomst zullen sluiten over de opzeggingstermijn, diende verweerster volgens het arbeidshof over een redelijke bedenktijd te kunnen beschikken vooraleer een definitief standpunt in te nemen. Het arbeidshof besluit dat verweerster terecht stelde dat eisers opzegging nietig was, doch dat die nietigheid de geldigheid van eisers ontslag van 19 mei 1998 niet aantastte, zodat eiser op 19 mei 1998 de arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigde. Aldus stelt het arbeidshof het einde van de arbeidsovereenkomst vast op 19 mei
- 2.
- De partij die een overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn is krachtens artikel 39, ,§1, van de Arbeidsovereenkomsten-wet gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens de overeenkomst overeenstemmend hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. Artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat die termijn één jaar na het eindigen van de overeenkomst mag overschrijden. De vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding is een rechtsvordering die uit de arbeidsovereenkomst is ontstaan en waarop artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet toepassing vindt. De verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt gestuit overeenkomstig de regelen van het Burgerlijk Wetboek. Zo vormen krachtens artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting. Ook de erkenning van het recht door hem tegen wie de verjaring loopt, stuit volgens artikel 2248 van het Burgerlijk Wetboek de verjaring. Krachtens artikel 2261 van het Burgerlijk Wetboek is de verjaring verkregen wanneer de laatste dag van de vereiste tijd verlopen is. 2.
- Het arbeidshof overweegt dat de bij artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde verjaringstermijn van één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst als vertrekdatum heeft "het ogenblik waarop de overeenkomst daadwerkelijk niet meer wordt uitgeoefend" (16de blad, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest), alsook dat het einde van de arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet niet noodzakelijk samenvalt met het ontslag noch met de normale duur van de overeenkomst, "maar met de laatste dag van effectieve prestaties" (16de blad, laatste alinea, van het bestreden arrest). Verder overweegt het arbeidshof dat, wanneer de arbeidsovereenkomst wordt verbroken door een nietige opzegging, de eenjarige verjaringstermijn een aanvang neemt "de dag dat de partijen de overeenkomst niet meer uitvoeren en niet de dag van het ontslag" (17de blad, eerste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof stelt vast dat partijen de arbeidsovereenkomst na het ontslag van 19 mei 1998 nog verder uitvoerden tot 12 juni 1998, en dat de verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet "een aanvang nam op het ogenblik dat de arbeidsbetrekkingen tussen partijen effectief werden beëindigd, dit is op 12 juni 1998" (17de blad, tweede en derde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof besluit dat de "door (verweerster) ingestelde eis tot het bekomen van een opzegvergoeding werd ingesteld bij besluiten, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 26 mei 1999 en is derhalve ontvankelijk want ingesteld binnen het jaar na het effectief eindigen van de overeenkomst" (17de blad, vierde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof schendt artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten door de verjaringstermijn van één jaar waarvan sprake in die bepaling een aanvang te laten nemen op de laatste dag van de effectieve prestaties, zijnde het ogenblik dat de arbeidsbetrekkingen tussen partijen effectief werden beëindigd, nl. volgens de vaststellingen van het arbeidshof op 12 juni
- Artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt inderdaad dat de rechtsvorderingen die uit een arbeidsovereenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst, of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van de overeenkomst mag overschrijden. Overeenkomstig artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet neemt de eenjarige verjaringstermijn dus een aanvang bij het einde van de arbeidsovereenkomst, niet bij het eindigen van de effectieve prestaties of de arbeidsbetrekkingen. Het arbeidshof stelt het einde van de arbeidsovereenkomst vast op 19 mei
- Aangezien het arbeidshof geen enkele daad van stuiting vaststelt, wordt de verjaring verkregen wanneer de laatste dag van de vereiste tijd, zijnde één jaar, verlopen is. Indien het einde van de arbeidsovereenkomst zich situeert op 19 mei 1998, is de verjaring van de rechtsvorderingen die ontstaan uit de arbeidsovereenkomst, verkregen op 20 mei
- Het arbeidshof oordeelt dan ook niet wettig dat de in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde verjaringstermijn een aanvang nam op het ogenblik dat de arbeidsbetrekkingen tussen partijen effectief werden beëindigd, zijnde op 12 juni 1998, en verklaart bijgevolg de vordering van verweerster tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding, ingesteld bij conclusie neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 26 mei 1999, niet wettig ontvankelijk (schending van de artikelen 15, 32, 3°, 37 en 39, ,§1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, alsook de artikelen 2244, 2248 en 2261 van het Burgerlijk Wetboek). Het arbeidshof beslist niet wettig dat het incidenteel beroep van verweerster ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond is, en veroordeelt eiser niet wettig tot betaling aan verweerster van het nettobedrag overeenstemmend met het bedrag van 30.481,26 euro bruto ten titel van opzegvergoeding, meer de moratoire interest vanaf 12 juni 1998 en de gerechtelijke interest vanaf 26 mei 1999 (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
- Tweede onderdeel Zoals onder punt 1 van het eerste onderdeel van dit middel aangetoond, stelt het arbeidshof het einde van de arbeidsovereenkomst vast op 19 mei
- De nietigheid van de opzegging tast inderdaad de geldigheid van het ontslag niet aan, en een nietige opzegging of een ontslag zonder opzegging, leidt inderdaad tot het onmiddellijke einde van de arbeidsovereenkomst. Het arbeidshof stelt niet vast dat de partijen het ontslag van 19 mei 1998 in onderling akkoord ongedaan hebben gemaakt. Het overweegt integendeel dat eiser ten onrechte stelt dat de arbeidsovereenkomst na zijn ontslagbeslissing verder "normaal" werd uitgevoerd tussen partijen. Wel stelt het arbeidshof vast dat bewezen voorkomt dat eiser vanaf 20 mei 1998 feitelijk sommige prestaties is blijven uitvoeren voor verweerster, dat verweerster hem ook verder loon uitbetaalde tot 12 juni 1998 en dat eiser voorlopig en tijdelijk in dienst bleef om bij te dragen tot de overdracht van zijn taken. De door verweerster, bij conclusie neergelegd op 26 mei 1999 ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Brussel, ingestelde vordering tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding verklaart het arbeidshof ontvankelijk "want ingesteld binnen het jaar na het effectief eindigen van de overeenkomst". Het arbeidshof stelt geen daden van stuiting van de verjaringstermijn vast. Door enerzijds te overwegen dat "(verweerster) met (haar) aangetekend schrijven van 12 juni 1998 terecht (stelde) dat (eisers) opzegging van 19 mei 1998 nietig was overeenkomstig artikel 37 van de Arbeidsovereen-komstenwet (AOW), doch dat deze nietigheid de geldigheid van zijn ontslag niet aantastte, zodat hij op 19 mei 1998 onmiddellijk de arbeidsovereenkomst beëindigde". (16de blad, eerste alinea, van het bestreden arrest, onderstreping toegevoegd), en anderzijds dat "De door (verweerster) ingestelde eis tot het bekomen van een opzegvergoeding werd ingesteld bij besluiten, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel op 26 mei 1999 en (...) derhalve ontvankelijk (is) want ingesteld binnen het jaar na het effectief eindigen van de overeenkomst". (17de blad, vierde alinea, van het bestreden arrest, onderstreping toegevoegd), is de motivering van het arbeidshof tegenstrijdig. Men kan niet tegelijkertijd het einde van de arbeidsovereenkomst vaststellen op 19 mei 1998, en oordelen dat een vordering ingesteld op 26 mei 1999 ontvankelijk is want ingesteld binnen het jaar na het eindigen van de overeenkomst, aangezien dat laatste impliceert dat de arbeidsovereenkomst geen einde nam vóór 25 mei
- Die overwegingen zijn tegenstrijdig en leveren een schending op van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Een arbeidsovereenkomst kan in beginsel maar één keer een einde nemen. De omstandigheid dat na een onregelmatig ontslag nog prestaties worden verricht, heeft niet tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst pas wordt beëindigd bij de definitieve stopzetting van de arbeidsprestaties. De arbeidsovereenkomst wordt onmiddellijk beëindigd op het ogenblik van het ontslag, in deze zaak dus op 19 mei
- Het arbeidshof kon niet zonder tegenstrijdigheid eerst het einde van de arbeidsovereenkomst vaststellen op 19 mei 1998, en vervolgens de vordering van verweerster tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding, ingesteld bij conclusie neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 26 mei 1999, ontvankelijk verklaren "want ingesteld binnen het jaar na het effectief eindigen van de overeenkomst". Het arbeidshof beslist niet wettig dat het incidenteel beroep van verweerster ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond is, en veroordeelt eiser niet wettig tot betaling aan verweerster van het nettobedrag overeenstemmend met het bedrag van 30.481,26 euro bruto ten titel van opzegvergoeding, meer de moratoire interest vanaf 12 juni 1998 en de gerechtelijke interest vanaf 26 mei 1999 (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). IV. Beslissing van het Hof
- Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 15 van de Arbeidsovereen-komstenwet, de rechtsvorderingen die uit de arbeidsovereenkomst ontstaan, alleszins verjaren na verloop van één jaar na het beëindigen van deze overeenkomst ; Overwegende dat, krachtens artikel 37, ,§1, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, ieder der partijen in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur het recht heeft om die te beëindigen door opzegging aan de andere; dat, krachtens artikel 37, ,§1, tweede lid, de kennisgeving van de opzegging op straffe van nietigheid het begin en de duur van de opzeggingstermijn dient te vermelden ; Overwegende dat de nietigheid van de opzegging de geldigheid van het ontslag niet aantast; dat geen enkele wetsbepaling de geldigheid van het ontslag afhankelijk maakt van welbepaalde vormen ; Dat, wanneer de opzegging nietig is, het ontslag geen geldige tijdsbepaling bevat, zodat de arbeidsovereenkomst in beginsel onmiddellijk is beëindigd, ook al vermeldt de ontslagbrief een latere datum ; Dat evenwel, in geval zowel de werkgever als de werknemer zich na de kennisgeving van de ongeldige opzegging verder hebben gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag heeft plaatsgevonden, de nietigheid van de opzegging niet wordt gedekt, maar na een redelijke termijn kan aanvaard worden dat de partijen afstand hebben gedaan van het recht het onmiddellijk ontslag in te roepen; dat in deze omstandigheden de arbeidsovereenkomst gewoon blijft voortduren totdat ze op een andere wijze wordt beëindigd ; Dat, wanneer in de voormelde omstandigheden de partij aan wie kennis werd gegeven van het ontslag binnen redelijke termijn het gegeven ontslag inroept, de arbeidsovereenkomst voor wat de gevolgen ervan betreft als beëindigd moet worden beschouwd op de dag dat die partij zich op die beëindiging beroept, zodat de verjaringstermijn van de uit de arbeidsovereenkomst ontstane rechtsvorderingen overeenkomstig artikel 15 van de Arbeidsovereenkomst van dan af een aanvang neemt ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat : - dat eiser met een brief van 19 mei 1998 zijn ontslag aanbood en hierin vermeldde dat hij voor een vlotte en correcte afhandeling dankte, zodat een spoedig vertrek zou kunnen plaatsvinden ; - de partijen blijkbaar overeenkwamen dat eiser voorlopig en tijdelijk in dienst bleef om bij te dragen tot de overdracht van zijn taken, met dien verstande dat hij nog slechts minimaal zijn commerciële functie zou uitoefenen voor lopende en toekomstgerichte zaken ; - de partijen de overeenkomst na het ontslag van 19 mei 1998 nog feitelijk verder uitvoerden tot 12 juni 1998 ; - eiser nog tot 12 juni 1998 arbeidsprestaties verrichtte en de werkgever het loon uitbetaalde ; - verweerster zich op 12 juni 1998 na een redelijke bedenktijd op de nietigheid van de opzegging en het gegeven ontslag beriep ; Dat het arrest op grond hiervan vermocht te oordelen dat de verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet een aanvang nam op het ogenblik dat de arbeidsovereenkomst en de arbeidsbetrekkingen tussen de partijen effectief beëindigd werden op 12 juni 1998 ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
- Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel een onwettigheid aanvoert en slechts de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van tweehonderd vierenvijftig euro negentig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van dertig mei tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050530.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2012:ARR.20121217.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050411.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060518.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080128.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div