← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050603.28

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050603.28 Rolnummer: D.04.0015.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-08-11 Raadplegingen: 601 - laatst gezien 2026-07-04 13:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De beslissing van het tuchtorgaan van de Orde der dierenartsen die een dierenarts een tuchtsanctie oplegt wegens een fout begaan in de uitoefening van zijn beroep die de eer en waardigheid van dat beroep aantasten moet die aantasting vaststellen (Impliciet)

(1).
(1)Zie Cass., 9 april 1976, A.C., 1976, 925 en de voetnoot
(1)en 2 sept. 1977, ibid., 1978, 5 (beide inzake de Orde van architecten). Thesaurus CAS: DIERENARTS Vrije woorden: DIERENARTS Tucht Orde der dierenartsen Tuchtorgaan Tuchtsanctie Fout Eer en waardigheid van het beroep Aantasting Vaststelling Wettelijke bepalingen: Wet - 19-12-1950 - Art.5 Fiche 2 De vernietiging gegrond op een middel gericht tegen een beslissing gewezen over een tenlastelegging strekt zich uit tot de beslissing over een andere tenlastelegging wanneer een straf over beide tenlasteleggingen is uitgesproken
(1).
(1)Zie Cass., 6 mei 2004, AR D.03.0014.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040506.9, nr ... en de voetnoot
(1), houdende inz. verwijzing naar J. du Jardin, "Rechtspraak in tuchtzaken door de beroepsorden: Toetsing van de wettelijkheid door het Hof van Cassatie", vertaling van de rede uitgesproken door de procureur-generaal op de plechtige openingszitting van 1 sept. 2000, A.C., 49-50, inz. voetnoot
  1. Anders: Cass., 12 mei 2005, AR D.04.0005.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050512.26, nr ... . Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Tuchtzaken Vrije woorden: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Tuchtzaken Verschillende tenlasteleggingen Een straf Tekst van de beslissing Nr. D.04.0015.N B.L. eiser, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ORDE DER DIERENARTSEN, waarvan de Nederlandstalige Gewestelijke Raad gevestigd is te 9820 Merelbeke, Salisburylaan 54, en de zetel van de Hoge Raad te 1060 Brussel, Henri Jasparlaan 94, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 17 september 2004 gewezen door de Nederlandstalige gemengde raad van beroep van de Orde der dierenartsen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de Grondwet ; de artikelen 5, in zonderheid tweede lid, 11 inzonderheid zesde lid,1°, en 14 van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen ; artikel 26, 1°, van de Code van de Plichtenleer van de Orde der dierenartsen (uitgave augustus 2001). Aangevochten beslissingen De Nederlandstalige gemengde raad van beroep oordeelt dat de tenlastelegging A waarin aan eiser verweten werd de geneesmiddelenwetgeving niet te hebben nageleefd door gebruik te maken van een vervallen vaccin bij de inenting van een hond, bewezen is, en spreekt de tuchtstraf van de berisping uit op grond van de volgende motieven : "Voor het gebruik van een vervallen vaccin bij de inenting van een hond kan (eiser) geen verklaring geven. Hij merkt op dat de vaccins in één verpakking worden aangekocht en verbruikt zodat het niet logisch is dat de sticker van het ene flesje niet vervallen is en de sticker van het andere flesje wel. Volgens hem is een 'administratieve fout' niet uit te sluiten. Blijkbaar bedoelt hij daarmede een drukfout op een van de stickers. Dergelijke uitleg komt evenwel volstrekt onaanvaardbaar over. Feit is dat (eiser) verklaarde dat hij gewoonlijk meerdere honden (wekelijks 60 à 70) op hetzelfde ogenblik inent en de lege flesjes in een doos legt. Na de inenting worden dan de vaccinatieboekjes ingevuld. Het is volstrekt mogelijk dat een vervallen vaccin in zijn voorraad vaccins aanwezig was en gebruikt werd. Hij verbruikt immers een groot aantal vaccins, hetgeen inhoudt dat hij zijn voorraad regelmatig moet aanvullen. Het was echter onmogelijk tijdens het onderzoek, maanden later, nog na te gaan of in een ander vaccinatieboekje of kaart ook niet een sticker van een vaccin met een vervallen datum aanwezig was. Wel moet worden aangenomen dat (eiser) niet doelbewust een vervallen product heeft gebruikt" (bestreden beslissing, blz. 1 en 2). Grieven Artikel 26, 1°, van de Code van de Plichtenleer van de Orde der dierenartsen bepaalt dat de dierenartsen de wetten, besluiten, verordeningen met betrekking tot de uitoefening van de geneeskunde dienen na te leven. Deze code werd door de hoge raad van de Orde der dierenartsen van België opgesteld in uitvoering van artikel 11, zesde lid, 1°, van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen. Luidens deze bepaling heeft de hoge raad tot taak de regelen van de veeartsenijkundige plichtenleer vast te stellen overeenkomstig de in artikel 5 van dezelfde wet vermelde doeleinden. Naar luid van artikel 5, tweede lid, van evenvermelde wet zorgen de raden der Orde voor de naleving van de veeartsenijkundige plichtenleer, de eer, de eerlijkheid en de waardigheid van en de geheimhouding door de leden der orden in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep, en zelfs buiten hun beroepsbedrijvigheid in geval van zware fouten, die een weerslag zouden hebben op de eer van het beroep. Voorts bepaalt artikel 14 van dezelfde wet dat de raad van de Orde over verschillende "strafmaatregelen" beschikt indien een dierenarts de veeartsenijkundige plichtenleer niet naleeft. Uit de samenlezing van evengenoemde bepalingen blijkt dat een inbreuk op de regels van de veeartsenijkundige plichtenleer in de uitoefening van het beroep pas aanleiding kan geven tot het opleggen van een tuchtstraf wanneer die inbreuk de eer, de eerlijkheid en de waardigheid van het beroep in het gedrang brengt. Daaruit volgt dat de louter materiële miskenning van een technische bepaling van de geneesmiddelenwetgeving, waarvan de betrokken dierenarts niet bewust is, op zich geen inbreuk kan uitmaken op de veeartsenijkundige plichtenleer, nu dergelijke miskenning niet van die aard is dat zij de eer, de eerlijkheid en de waardigheid van het beroep in gedrang brengt. Te dezen kon de raad van beroep derhalve eiser niet zonder schending van de in het middel aangewezen bepalingen tot een tuchtstraf veroordelen, nu uit de materialiteit van de vastgestelde feiten onmogelijk een schending van de eer, de eerlijkheid en de waardigheid van het beroep kan worden afgeleid waar de raad aanneemt "dat dierenarts B. niet doelbewust een vervallen product heeft gebruikt". Tenminste is de bestreden beslissing niet regelmatig met redenen omkleed nu de raad van beroep, in antwoord op het omstandig verweer dat eiser in zijn besluiten aanvoerde ten betoge dat "hij zeer te goeder trouw" was en "nooit de bedoeling gehad (heeft) om bewust vervallen vaccins te gebruiken", niet vaststelt dat de vastgestelde materiële inbreuk op de geneesmiddelenwetgeving van die aard is dat deze inbreuk de eer, de eerlijkheid en de waardigheid van het beroep in het gedrang brengt en aldus de wettigheidscontrole van het Hof onmogelijk maakt (schending van artikel 149 van de Grondwet). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 46 van de Code van de Plichtenleer van de Orde der dierenartsen (uitgave augustus 2001) ; de artikelen 5, artikel 11, zesde lid, 1°, en 14, eerste lid, van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen ; artikel 18 van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde. Aangevochten beslissingen De Nederlandstalige gemengde raad van beroep van de Orde der dierenartsen beslist dat de tenlastelegging C bewezen is, waarin aan eiser werd ten laste gelegd dat hij bij inbreuk op artikel 46 van de Code van de Plichtenleer op enige wijze zijn medewerking heeft verleend aan een derde met het doel hem te onttrekken aan de straffen gesteld op de onwettige uitoefening van de diergeneeskunde of de artsenijbereidkunde, meer bepaald vaccins te hebben afgeleverd aan een kennelhouder teneinde deze toe te laten zelf zijn honden te vaccineren, en als dierenarts, die kennis heeft van feiten van onwettige uitoefening van de diergeneeskunde of de artsenijbereidkunde, niet onverwijld aangifte heeft gedaan bij de gerechtelijke en/of de instanties van de Orde, en dit op grond van de volgende motieven : "Wat de inbreuk op artikel 46 van de Code van de Plichtenleer aangaat erkende (eiser) dat de kennelhouder de honden die hij kweekt zelf vaccineert op 4,5 weken. Hij betwist evenwel de tenlastelegging en houdt voor te hebben gehandeld conform de wet. Hij heeft weliswaar de verantwoordelijke van de kennel toegelaten zelf een aantal vaccins toe te dienen maar dit gebeurde volgens hem in het kader van een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding. Voor de NGROD verwees (eiser) naar een voordracht van de Vereniging Limburgse Dierenartsen waar de voordrachtgeer wetgeving citeerde. Nauwkeuriger toelichting geeft hij echter niet. Hij wierp op dat hij zich niet schuldig maakte aan naamlening vermits de handelingen (vaccinaties) die de kweker zelf uitvoerde niet in het boekje werden vermeld. Voor deze raad legt hij het contract voor dat hij met de hondenkweker op 15 juli 1997 sloot voor diergeneeskundige begeleiding (erkenningvoorwaarde voor hondenkwekerij), alsmede een ministeriële omzendbrief van 1 maart 2004 waarin van een afwijking voor het toedienen van immunologische geneesmiddelen sprake is. Vooreerst kan een omzendbrief van 2004 bezwaarlijk worden ingeroepen voor handelingen die een jaar voordien zijn gepleegd geworden, maar ook en vooral gaat (eiser) voorbij aan de laatste zin van de omzendbrief, die aan duidelijkheid niet wensen overlaat : 'In de praktijk mag momenteel enkel het vaccin tegen de ziekte van Aujeszky toegediend worden door een verantwoordelijke onder de hierboven vermelde voorwaarden'. Of ten deze sprake is van een kader van lopende preventieprogramma's is eveneens betwistbaar. De tenlastelegging C blijft bewezen. Alle elementen van de zaak wijzen er op dat (eiser) in de stellige overtuiging verkeerde dat hij correct handelde wanneer hij vaccins voorschreef, die door de kweker zelf zouden worden toegediend. Onder die omstandigheden is geen sprake van het '(bewust) ter wille zijn van klanten' teneinde deze toe te laten systematisch op onwettige wijze de diergeneeskunde uit te oefenen. Om die redenen komt het passend voor de toe te passen tuchtsanctie te verminderen tot deze van 'berisping'" (bestreden beslissing, blz. 2). Grieven Artikel 26, 1°, van de Code van de Plichtenleer van de Orde der dierenartsen bepaalt dat de dierenartsen de wetten, besluiten, verordeningen met betrekking tot de uitoefening van de geneeskunde dienen na te leven. Deze code werd door de hoge raad van de Orde der dierenartsen van België opgesteld in uitvoering van artikel 11, zesde lid, 1°, van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen. Luidens deze bepaling heeft de hoge raad tot taak de regelen van de veeartsenijkundige plichtenleer vast te stellen overeenkomstig de in artikel 5 van dezelfde wet vermelde doeleinden. Naar luid van artikel 5, tweede lid, van evenvermelde wet zorgen de raden der Orde voor de naleving van de veeartsenijkundige plichtenleer, de eer, de eerlijkheid en de waardigheid van en de geheimhouding door de leden der orden in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep, en zelfs buiten hun beroepsbedrijvigheid in geval van zware fouten, die een weerslag zouden hebben op de eer van het beroep. Voorts bepaalt artikel 14 van dezelfde wet dat de raad van de Orde over verschillende "strafmaatregelen" beschikt indien een dierenarts de veeartsenijkundige plichtenleer niet naleeft. Uit de samenlezing van evengenoemde bepalingen blijkt dat een inbreuk op de regels van de veeartsenijkundige plicht in de uitoefening van het beroep pas aanleiding kan geven tot het opleggen van een tuchtstraf wanneer die inbreuk, de eer, de eerlijkheid en de waardigheid van het beroep in het gedrang brengt. Bovendien volgt uit de bepaling van artikel 46 van de Code van de Plichtenleer dat de daarin bedoelde medewerking enkel strafbaar is indien zij wordt verleend aan een derde met het doel hem te onttrekken aan de straffen gesteld op de onwettige uitoefening van de diergeneeskunde of de artsenijbereidkunde. Evengenoemde bepaling is overigens gelijkluidend met artikel 18 van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde welke eveneens zodanige medewerking aan een derde verbiedt met het voormelde doel. Uit een en ander volgt dat de hier bedoelde inbreuk op de plichtenleer alleen dan tuchtrechtelijk gesanctioneerd kan worden indien vaststaat dat deze inbreuk van die aard is dat zij de eer, de eerlijkheid en de waardigheid van het beroep in het gedrang brengt, en bovendien bewezen is dat de dierenarts heeft gehandeld met het oog op het door de aangehaalde artikelen 46 van de Code van de Plichtenleer en 18 van de wet van 28 augustus 1991 verboden doel. Te dezen acht de raad van beroep in de in het middel aangehaalde overwegingen vast dat de materialiteit van de medewerking van eiser met de verantwoordelijke van een kennel bewezen, maar stelt anderzijds bij de beoordeling van de strafmaat vast dat eiser "in de stellige overtuiging verkeerde dat hij correct handelde wanneer hij vaccins voorschreef, die door de kweker zelf zouden worden toegediend", en dat er "geen sprake (is) van het '(bewust) ter wille zijn van klanten' teneinde deze toe te laten systematisch op onwettige wijze de diergeneeskunde uit te oefenen". Nu uit deze laatste overwegingen blijkt dat de raad van beroep van oordeel is dat eiser de hem ten laste gelegde materiële inbreuk niet bewust begaan heeft, schendt zij de artikelen 5, 11, zesde lid, en 14 van de wet van 19 december
  2. Daar uit de vaststellingen van de bestreden beslissing ook volgt dat eiser niet gehandeld heeft met het oog op het door artikel 46 van de Code van de Plichtenleer en artikel 18 van de wet van 28 augustus 1991 verboden doel, schendt de raad van beroep ook deze bepalingen. IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat, krachtens artikel 5 van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen, de raden der Orde zorgen voor de naleving van de veeartsenijkundige plichtenleer, de eer, de eerlijkheid en de waardigheid van en de geheimhouding door de leden der Orde in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep en zelfs buiten hun beroepsbedrijvigheid in geval van zware fouten, die een weerslag zouden hebben op de eer van het beroep ; Overwegende dat de bestreden beslissing vaststelt dat eiser geen verklaring kan geven voor het gebruik van een vervallen vaccin bij de inenting van een hond en oordeelt dat wel moet worden aangenomen dat eiser niet doelbewust een vervallen product heeft gebruikt ; Overwegende dat noch die vaststelling noch dat oordeel te kennen geven dat de fout van eiser begaan in de uitoefening van zijn beroep, de eer, de eerlijkheid en de waardigheid van het beroep aantasten ; Dat het middel gegrond is ; Tweede middel Overwegende dat het middel gericht is tegen de beslissing gewezen over de tenlastelegging C ; Dat één straf uitgesproken is over de tenlasteleggingen A en C, zodat de vernietiging uitgesproken op grond van het eerste middel zich uitstrekt tot de beslissing bedoeld in het tweede middel ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt de bestreden beslissing ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing ; Veroordeelt verweerster in de kosten ; Verwijst de zaak naar de anders samengestelde Nederlandstalige gemengde raad van beroep van de Orde der dierenartsen. De kosten begroot op de som van zevenhonderd zevenentachtig euro vierennegentig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en negen euro zevenenzestig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van drie juni tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050603.28 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040506.9 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050512.26 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060113.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.