← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050603.31

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050603.31 Rolnummer: D.04.0019.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-08-11 Raadplegingen: 643 - laatst gezien 2026-07-04 08:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 In de regel is de vernietiging beperkt tot de punten van de beslissing waartegen het cassatieberoep gericht is

(1).
(1)Zie Cass., 27 maart 2003, AR C.02.0159.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030327.14 en C.02.0239.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030327.14, nr ... . Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Burgerlijke zaken Vrije woorden: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Burgerlijke zaken Beperkt cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.1082,eers Fiches 2 - 3 Door opnieuw te beslissen over een tenlastelegging waarvan de beoordeling hem niet werd onderworpen ingevolge de vernietiging beperkt tot de beslissing over een andere tenlastelegging overschrijdt de raad van beroep van de Orde der Geneesheren zijn rechtsmacht om kennis te nemen van het geschil binnen de grenzen waarin dit hem wordt onderworpen. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - TUCHTZAKEN Vrije woorden: VONNISSEN EN ARRESTEN - TUCHTZAKEN Orde der geneesheren Raad van beroep Beslissing Beperkte vernietiging Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.19 Thesaurus CAS: MACHTSOVERSCHRIJDING Vrije woorden: MACHTSOVERSCHRIJDING Begrip Orde der geneesheren Raad van beroep Beslissing Beperkte vernietiging Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.19 Fiche 4 Wanneer de raad van beroep van de Orde der Geneesheren waarnaar de zaak zou moeten verwezen worden zich zou moeten voegen naar het arrest van het Hof wat de rechtsvraag betreft waarover het Hof uitspraak heeft gedaan en de uitgesproken cassatie niets meer te vonnissen overlaat, is er geen grond tot verwijzing
(1).
(1)Zie Cass., 2 feb. 1978, A.C., 1978, 658, met concl. P.G. Delange in Bull., 1978, 638 (inzake Orde der dierenartsen). Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - TUCHTZAKEN Vrije woorden: VERWIJZING NA CASSATIE - TUCHTZAKEN Beslissing van het Hof Rechtsvraag Orde der geneesheren Raad van beroep Verplichting Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 10-11-1967 - Art.23,vierde Tekst van de beslissing Nr. D.04.0019.N H.J., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ORDE DER GENEESHEREN, publiekrechtelijk rechtspersoon, optredend door haar Nationale Raad, vertegenwoordigd door zijn voorzitter en ondervoorzitter, met zetel te 1030 Brussel, de Jamblinne de Meuxplein 35, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing van de Raad van beroep van de Orde der geneesheren met het Nederlands als voertaal op verwijzing gewezen op 11 oktober 2004, na een arrest van het Hof van 30 mei
  1. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Feiten Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan het volgende blijkt :
  2. Bij beslissing van 9 november 2000 van de provinciale raad van Limburg werd eiser voor de bewezen feiten tuchtsancties opgelegd : - voor de tenlastelegging 1 : blijk te hebben gegeven van onzorgvuldig handelen : berisping ; - voor de tenlastelegging 2 : voor zijn praktijk reclame te hebben gevoerd hetgeen neerkomt op het ronselen van patiënten : schorsing gedurende 29 dagen in het recht de geneeskunde uit te oefenen ; - voor de tenlastelegging 3 : de uitoefening van zijn medische praktijk als een handelszaak te hebben opgevat : schorsing gedurende 26 dagen in het recht de geneeskunde uit te oefenen ;
  3. Bij beslissing van 13 mei 2002 van de raad van beroep wordt eiser voor het ten laste gelegde feit 1 de tuchtsanctie van berisping opgelegd en voor de tenlasteleggingen 2 en 3 samen, de tuchtstraf van twee maanden schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen ;
  4. Het cassatieberoep van eiser was enkel gericht tegen de veroordeling tot de tuchtstraf van twee maanden schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen wegens de vermengde feiten van de tenlasteleggingen 2 en 3 ;
  5. Het arrest van het Hof van 30 mei 2003 vernietigt de bestreden beslissing en verwijst de zaak naar de Raad van beroep van de Orde der geneesheren anders samengesteld ;
  6. De bestreden beslissing de raad van beroep van 11 oktober 2004 verklaart eiser schuldig aan de feiten van de tenlastelegging 1 in zoverre zij betrekking hebben op het onderdeel "door o.m. de continuïteit van de zorgen niet te verzekeren" en legt hem de tuchtstraf op van twee maanden schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen ; verklaart eiser schuldig aan de te vermengen feiten 2 en 3 en legt hem de tuchtstraf op van een maand schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen ; IV. Cassatiemiddelen Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ; - de artikelen 19, 23, 1082, eerste lid, 1095 en 1110 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het eerste middel komt op tegen de beslissing van de Raad van beroep in zoverre hij opnieuw uitspraak doet over de tenlastelegging 1, met name het onzorgvuldig medisch handelen door onder meer : - na uitvoering van heelkundige ingrepen in plastische en cosmetische chirurgie de continuïteit van de zorgen niet te verzekeren ; - de heelkundige ingrepen uit te voeren in lokalen van waaruit in geval van eventuele noodzakelijke evacuatie dit, met aangepast transport, moeilijkheden zou veroorzaken en waar een onaangepaste accommodatie voorhanden is om, in geval van majeure complicaties, doeltreffend te kunnen optreden zodat bij het medisch handelen een aantal veiligheidsaspecten over het hoofd worden gezien zoals medegedeeld aan de provinciale raad van de Orde der geneesheren van Limburg bij klachtschrijven van 25 oktober
  7. De Raad van beroep verklaart deze tenlastelegging niet bewezen in zoverre zij betrekking heeft op onaangepaste accommodatie van de Wellness Kliniek. Hij verklaart daarentegen de tenlastelegging 1 wel bewezen in zover zij betrekking heeft op een gebrek aan continuïteit van de zorgen. Op grond van deze bewezen verklaarde feiten onder de tenlastelegging 1 wordt aan eiser de tuchtstraf opgelegd van twee maanden schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen. Grieven De rechter die kennis neemt van een geschil op verwijzing na gedeeltelijke cassatie komt slechts rechtsmacht toe binnen de grenzen van de verwijzing. Dergelijke verwijzing is in beginsel beperkt tot de omvang van de vernietiging, zij het met inbegrip van onafscheidbare beslissingen en beslissingen die van de vernietigde beslissing het gevolg zijn. De vernietiging van een beslissing is beperkt tot de draagwijdte van het middel dat eraan ten grondslag ligt. Uit de procedurevoorgaanden blijkt te dezen dat eiser met zijn voorziening van 12 juni 2002 tegen de beslissing van de Raad van beroep van de Orde der geneesheren van 13 mei 1002, met het enig middel tot cassatie enkel was opgekomen in zoverre de bestreden beslissing eiser schuldig verklaarde aan de tenlasteleggingen 2 en 3, te weten het voeren van reclame en de geneeskunde als een handelszaak te hebben opgevat en hem op grond daarvan een tuchtsanctie van schorsing voor de duur van twee maanden had opgelegd. Met zijn enig middel tot cassatie kwam eiser derhalve niet op tegen de beslissing van 13 mei 2002 in zoverre deze beslissing hem niet schuldig verklaarde aan de feiten van de tenlastelegging 1 in zoverre zij betrekking hebben op het onderdeel esthetische chirurgie te plegen in een hiertoe bij eventuele majeure complicaties onaangepaste locatie en hem hiervan vrijsprak en evenmin in zoverre de beslissing van 13 mei 2002 hem schuldig verklaarde aan de feiten van de tenlastelegging 1 in zoverre zij betrekking hebben op het onderdeel door onder meer de continuïteit van de zorgen niet te verzekeren en hem op grond van het beperkt bewezen feit van de tenlastelegging 1 de tuchtsanctie van de berisping oplegde. De beslissing van 13 mei 2002 was derhalve in kracht van gewijsde getreden in zoverre uitspraak werd gedaan over de tenlastelegging
  8. Daaruit vloeit voort dat de vernietiging uitgesproken door het Hof bij arrest van 30 mei 2003 noodzakelijkerwijze beperkt was tot de uitspraak van de Raad van beroep van 13 mei 2002 over de tenlasteleggingen 2 en 3, deze vermengde feiten bewezen werden verklaard en hem voor deze vermengde feiten van de tenlasteleggingen 2 en 3 een tuchtstraf werd opgelegd van twee maanden schorsing. Hieruit vloeit voort dat de verwijzing door het Hof bij arrest van 30 mei 2003 derhalve beperkt was tot de uitspraak over de tenlasteleggingen 2 en
  9. Door niettemin opnieuw uitspraak te doen over de tenlastelegging 1 en door deze feiten onder de tenlastelegging 1 gedeeltelijk gegrond te verklaren en eiser op grond daarvan een tuchtstraf op te leggen van twee maanden schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen miskent de Raad van beroep de zin en de draagwijdte van (het) arrest van 30 mei 2003 en schendt zodoende de bewijskracht daarvan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Tevens schenden de appèlrechters het gezag van gewijsde dat aan (het) arrest van 30 mei 2003 toekomt (schending van artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek) alsook de kracht van gewijsde van de beslissing van 13 mei 2002 op dat punt (schending van artikel 28 van het Gerechtelijk Wetboek). Door tenslotte opnieuw uitspraak te doen over de tenlastelegging 1 en eiser op grond daarvan te veroordelen tot een schorsing van twee maanden in het recht de geneeskunde uit te oefenen overschrijdt de Raad van beroep zijn rechtsmacht om kennis te nemen van het geschil tussen partijen binnen de perken waaraan dit aan het verwijzingsgerecht werd onderworpen en schendt zodoende de artikelen 1082, eerste lid, 1095 en 1110 van het Gerechtelijk Wetboek.
  10. Tweede middel Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 1 en 2, ,§1, en ,§2, van de wet van 5 augustus 1991 op de bescherming van de economische mededinging, zowel in de versie vóór als na de coördinatie ervan bij koninklijk besluit van 1 juli 1999 ; - artikel 8 van de Patiëntenrechtenwet van 22 augustus
  11. Aangevochten beslissing De bestreden beslissing verklaart eiser schuldig aan de tenlasteleggingen 2 en 3, te weten het voeren van reclame en de geneeskunde als een handelszaak te hebben opgevat en legt hem voor deze vermengde feiten de tuchtsanctie op van schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen voor de duur van één maand en dit op grond van de volgende motieven : "B.- Ongeoorloofde reclame (tenlastelegging 2) en de uitoefening van de medische praktijk als handelszaak (tenlastelegging 3). De feiten van de tenlastelegging 2 en de tenlastelegging 3 zijn een geheel van voortgezette handelingen, die de uiting zijn van eenzelfde mercantiele ingesteldheid van (eiser) en die de regels betreffende de waardigheid en de bescheidenheid, die eigen zijn aan elke geneesheer ernstig in het gedrang brengen, tot voorwerp hebben. Dat hieruit volgt dat, indien de feiten van de tenlasteleggingen zouden bewezen zijn, er voor deze nauw met elkaar verstrengelde feiten - het voeren van ongeoorloofde reclame in de gegeven context, slechts een aspect betreffende van de uitoefening van de geneeskunde als een handelszaak - slechts één enkele sanctie kan worden opgelegd. Het verweer van (eiser) bestaat er o.m. in te stellen dat de bepalingen van de wet van 5 augustus 1991 er aan in de weg zouden staan dat de Raad van beroep de regelmatigheid van de gewraakte praktijken zou kunnen nagaan en/of sanctionerend zou kunnen optreden. In het licht van en conform de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie is deze Raad van beroep van oordeel : - dat, krachtens artikel 1 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, voor de toepassing van de wet als ondernemingen dienen te worden verstaan alle natuurlijke of rechtspersonen die op een duurzame wijze een economisch doel nastreven ; - dat het begrip onderneming, in het kader van het mededingingsrecht elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd ; - dat onder economische activiteit moet worden verstaan, iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt ; - dat geneesheren, ook al zijn zij geen kooplieden in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel en ook al hebben zij een maatschappelijke functie, een activiteit uitoefenen die gericht is op de uitwisseling van diensten ; dat zij op een duurzame wijze een economisch doel nastreven en derhalve ondernemingen zijn in de zin van artikel 1 van de Mededingingswet ; - dat geneesheren immers in hun hoedanigheid van zelfstandige deelnemers aan het economisch verkeer, diensten verrichten op een markt, die van de gespecialiseerde medische diensten ; dat zij voor de ten behoeve van hun patiënten verrichte diensten van hen een beloning ontvangen en dat zij de aan hun beroepsuitoefening verbonden financiële risico's dragen ; - dat, krachtens artikel 2 van die wet, alle besluiten van ondernemingsverenigingen verboden zijn die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Belgische markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst ; - dat (verweerster) een beroepsvereniging is waarbij alle beroepsbeoefenaars wettelijk moeten aansluiten ; - dat de overheid aan de Orde bepaalde taken heeft opgedragen inzonderheid te waken over het naleven van de regels van de medische plichtenleer en over de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van haar leden ; dat de Orde hierbij geen economisch doel nastreeft maar een wettelijke taak vervult waardoor zij een regulerende bevoegdheid heeft gekregen ; - dat dit evenwel niet belet dat zij een ondernemingsvereniging is in de zin van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet, wanneer zij beslissingen neemt die tot strekking hebben het marktgedrag van de artsen te beoordelen of te reguleren en haar besluiten, in zoverre zij ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging wordt aangetast, door de tuchtorganen van de Orde aan de eisen van de Mededingingswet getoetst worden ; - dat een besluit van een orgaan van de Orde dat aan een of meer van zijn leden beperkingen oplegt in de mededinging die niet vereist zijn om de fundamentele regels van het beroep te handhaven maar dat in werkelijkheid ertoe strekt bepaalde materiële belangen van geneesheren te begunstigen of een economisch stelsel te installeren of in stand te houden, een besluit kan zijn van een ondernemingsvereniging waarvan de nietigheid door de Raad van beroep kan worden vastgesteld. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat door geneesheren gevoerde reclame met inherent daaraan verbonden de werving van patiënten, die overigens het voornaamste doel is van reclamevoering, niet mag worden verboden, tenzij daardoor de medische plichtenleer wordt geschonden (cf. supra). Deze Raad is van oordeel dat (eiser) door zijn uitspraken en gedragingen in de pers en audiovisuele media in ruime mate de aanvaardbare grens heeft overschreven, namelijk de eer, de bescheidenheid en de waardigheid van het geneeskundig beroep heeft geschonden, zodat deze Raad, ondanks de Mededingingswet, sanctionerend kan optreden. Het komt overbodig voor, alle gepubliceerde of vertoonde media optredens van (eiser) nader te onderzoeken omdat zij allemaal dezelfde tendensen vertonen. Ten exemplatieve titel zal de Raad zich dan ook beperken tot bespreking van de uitzending 'Flanders Boulevard' op VT4 en tot het interview van (eiser) in het publiciteitsmagazine 'Imago' : A.- uitzending 'Flanders Boulevard' op VT4 : In deze uitzending waarin (eiser) ontegensprekelijk reclame maakt voor zichzelf en voor de Wellness-kliniek, zijn volgende elementen op zichzelf en in hun onderling verband, in strijd met de eer, de bescheidenheid en de waardigheid van het geneeskundig beroep, die elke geneesheer dient te respecteren. - het interview met (eiser) over de plastische chirurgie, terwijl deze naakt en al fluitend in een luxueus bad ligt ; - de scène waarin hij met naakt bovenlijf voor de spiegel staat, terwijl hij beweert bezig te zijn met het uittesten van schoonheidsproducten op zijn persoon alvorens deze, naar hij voorhoudt, aan zijn patiënten toe te dienen ; - het vermelden van zijn prijzen voor het uitvoeren van plastische chirurgie, zoals 130.000 BEF voor een borstvergroting, 160.000 BEF voor een borstverkleining en 250.000 BEF voor ingrepen in het aangezicht. B.- publiciteitsmagazine 'Imago' herfst 1999 : - het lachend poseren met zijn medewerkers op de operatietafel, terwijl een medische ingreep toch geen 'show' is en ook niet als zodanig mag voorgesteld worden ; - het kenbaar maken van richtprijzen voor esthetische chirurgie met de vermelding 'vanaf', zoals bijvoorbeeld in een garage voor de verkoop van nieuwe wagens ; (Eiser) beweert ook nog dat een reclameverbod, eventueel afgedwongen door tuchtsancties, in strijd is met de personele grondrechten (recht op informatie en recht op vrije meningsuiting). Het recht op informatie is evenmin als het recht op vrije meningsuiting onbeperkt, het misbruik van deze rechten kan gesanctioneerd worden o.m. zoals in casu, in het geval ene een onduldbare weerslag op de regels van de eer, de waardigheid en de bescheidenheid van het medisch beroep. Gelet op alles wat voorafgaat is de schuld van (eiser) aan de te vermengen feiten van de tenlasteleggingen 2 en 3 bewezen en wordt een tuchtstraf opgelegd van één maand schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen". (bestreden beslissing, blz. 6 tot 9). Grieven Krachtens artikel 1 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging dienen voor de toepassing van de wet als ondernemingen te worden verstaan alle natuurlijke of rechtspersonen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven. Het begrip onderneming omvat in het kader van het mededingingsrecht elke eenheid die een economische activiteit uitoefent ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Onder economische activiteit moet worden verstaan iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt. Ook al zijn zij geen kooplieden in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel en ook al hebben zij een maatschappelijke functie, oefenen geneesheren een activiteit uit die gericht is op de uitwisseling van diensten. Zij streven op een duurzame wijze een economisch doel na en zijn derhalve in de regel ondernemingen in de zin van artikel 1 van de Mededingingswet. Immers, in hun hoedanigheid van zelfstandige deelnemers aan het economisch verkeer verrichten geneesheren diensten op een markt namelijk deze van de gespecialiseerde medische diensten. Voor de ten behoeve van hun patiënten verrichte diensten ontvangen zij van hen een beloning en tevens dragen zij de aan hun beroepsuitoefening verbonden financiële risico's. Krachtens artikel 2 van de Mededingingswet zijn alle besluiten van ondernemingsverenigingen verboden die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Belgische markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst. De Orde der geneesheren is een beroepsvereniging waarbij alle beroepsbeoefenaars wettelijk moeten aansluiten. De overheid heeft aan de Orde der geneesheren bepaalde taken opgedragen inzonderheid te waken over het naleven van de regels van de medische plichtenleer en over de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van haar leden. De Orde streeft hierbij geen economisch doel na maar vervult een wettelijke taak waardoor zij een gereguleerde bevoegdheid heeft gekregen. Dit belet evenwel niet dat zij een ondernemingsvereniging is in de zin van artikel 1, ,§2, van de Mededingingswet wanneer zij beslissingen neemt die tot strekking hebben het marktgedrag van de artsen te beoordelen of te reguleren en haar besluiten in zoverre zij toe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging wordt aangetast, moeten door de tuchtorganen van de Orde getoetst worden aan de eisen van de Mededingingswet. Een besluit van een orgaan van de Orde dat aan één of meer van zijn leden beperkingen oplegt in de mededinging die niet vereist zijn om de fundamentele regels van het beroep te handhaven maar dat in werkelijkheid ertoe strekt bepaalde materiële belangen van geneesheren te begunstigen of een economisch stelsel te installeren of in stand te houden kan een besluit zijn van een ondernemingsvereniging waarvan de nietigheid door de Raad van beroep kan worden vastgesteld. Artikel 8, ,§1, van de Patiëntenrechtenwet van 26 september 2002 bepaalt dat de patiënt het recht heeft om geïnformeerd voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar en artikel 8, ,§2, van dezelfde wet bepaalt dat de inlichtingen die aan de patiënt verstrekt worden met het oog op het verlenen van diens toestemming onder meer betrekking moeten hebben op de financiële gevolgen verbonden aan een tussenkomst. Hieruit vloeit voort dat een geneesheer niet enkel het recht, maar de verplichting heeft om informatie te verstrekken over de kostprijs van zijn tussenkomsten. Te dezen neemt de Raad van beroep de toepasselijkheid van de Mededingingswet aan en aanvaardt tevens dat reclamevoering niet mag worden verboden tenzij daardoor de medische plichtenleer wordt geschonden. Vervolgens is de Raad evenwel van oordeel dat eiser door zijn uitspraken en gedragingen in de pers en audiovisuele media in ruime mate de aanvaardbare grens heeft overschreden namelijk de eer, de bescheidenheid en de waardigheid van het geneeskundig beroep heeft geschonden zodat de Raad sanctionerend kan optreden. Vervolgens beperkt de Raad van beroep zich ertoe "ten exemplatieve titel" de uitzending "Flanders Boulevard" op VT4 en het interview van eiser in het publiciteitsmagazine "Imago" te bespreken en als volgt te beoordelen : "A.- uitzending 'Flanders Boulevard' op VT4 : In deze uitzending waarin (eiser) ontegensprekelijk reclame maakt voor zichzelf en voor de Wellness-kliniek, zijn volgende elementen op zichzelf en in hun onderling verband, in strijd met de eer, de bescheidenheid en de waardigheid van het geneeskundig beroep, die elke geneesheer dient te respecteren. - het interview met (eiser) over de plastische chirurgie, terwijl deze naakt en al fluitend in een luxueus bad lift ; - de scène waarin hij met naakt bovenlijf voor de spiegel staat, terwijl hij beweert bezig te zijn met het uittesten van schoonheidsproducten op zijn persoon alvorens deze, naar hij voorhoudt, aan zijn patiënten toe te dienen ; - het vermelden van zijn prijzen voor het uitvoeren van plastische chirurgie, zoals 130.000 BEF voor een borstvergroting, 160.000 BEF voor een borstverkleining en 250.000 BEF voor ingrepen in het aangezicht. B.- publiciteitsmagazine 'Imago' herfst 1999 : - het lachend poseren met zijn medewerkers op de operatietafel, terwijl een medische ingreep toch geen 'show' is en ook niet als zodanig mag voorgesteld worden ; - het kenbaar maken van richtprijzen voor esthetische chirurgie met de vermelding 'vanaf', zoals bijvoorbeeld in een garage voor de verkoop van nieuwe wagens ; (Eiser) beweert ook nog dat een reclameverbod, eventueel afgedwongen door tuchtsancties, in strijd is met de personele grondrechten (recht op informatie en recht op vrije meningsuiting). Het recht op informatie is evenmin als het recht op vrije meningsuiting onbeperkt, het misbruik van deze rechten kan gesanctioneerd worden o.m. zoals in casu, in het geval ene een onduldbare weerslag op de regels van de eer, de waardigheid en de bescheidenheid van het medisch beroep. Gelet op alles wat voorafgaat is de schuld van (eiser) aan de te vermengen feiten van de tenlasteleggingen 2 en 3 bewezen en wordt een tuchtstraf opgelegd van één maand schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen". (bestreden beslissing, blz. 8 onderaan en 9). Op grond van deze enkele vaststellingen verantwoordt de Raad van beroep zijn beslissing dat de tenlasteleggingen 2 en 3 zijn bewezen niet naar recht. Immers, het vermelden van zijn prijzen voor het uitvoeren van plastische chirurgie en het kenbaar maken van richtprijzen voor esthetische chirurgie is niet alleen toegelaten en noodzakelijk om mededinging te kunnen voeren ook op het vlak van de kostprijs, maar is bovendien een inlichting waarop de patiënt overeenkomstig artikel 8, ,§1, en ,§2, van de Patiëntenrechtenwet recht heeft om geïnformeerd zijn toestemming te kunnen geven met iedere tussenkomst van de geneesheer. Door het verbieden van het publiceren van de prijzen schendt de Raad van beroep de aangeduide bepalingen van de Mededingingswet en de Patiëntenrechtenwet. De andere vaststellingen, met name dat eiser een interview heeft toegestaan over plastische chirurgie terwijl hij naakt en al fluitend in een luxueus bad lag, de scène waarin hij met naakt bovenlijf voor de spiegel staat terwijl hij beweert bezig te zijn met het uittesten van schoonheidsproducten op zijn persoon alvorens deze naar hij voorhoudt aan zijn patiënten toe te dienen en het lachend poseren met zijn medewerkers op de operatietafel terwijl een medische ingreep geen show is en ook niet als dusdanig mag worden voorgesteld, houden geen verband met de fundamentele regels van het beroep en evenmin stellen de appèlrechters vast dat aldus afbreuk wordt gedaan aan de eisen van de volksgezondheid. De appèlrechters laten na in concreto te onderzoeken of de beperkingen op de vrijheid van mededinging verantwoord zijn door de eisen van de volksgezondheid en de fundamentele regels van het beroep. Aldus verantwoorden de appèlrechters hun beslissing dat de tenlasteleggingen 2 en 3 bewezen zijn en dat eiser veroordeeld moet worden tot een tuchtstraf van één maand schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen niet naar recht en schenden zij alle in de aanhef van het middel aangeduide wetsbepalingen. IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat, krachtens artikel 1082, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek indien het bestreden arrest of vonnis verscheidene punten bevat, het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft tegen welke punten de voorziening is gericht ; Dat krachtens artikel 1095 van hetzelfde wetboek het Hof alleen kennis kan nemen van de punten van de beslissing die in het inleidende verzoekschrift zijn aangewezen ; Dat krachtens artikel 1110 van hetzelfde wetboek, ingeval cassatie wordt uitgesproken met verwijzing, deze plaats heeft naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing heeft gewezen ; Overwegende dat aldus ingeval van vernietiging deze in de regel beperkt is tot de punten van de beslissing waartegen het cassatieberoep is gericht ; Dat de raad van beroep door opnieuw te beslissen over de tenlastelegging 1 waarvan de beoordeling niet aan de raad van beroep werd onderworpen, haar rechtsmacht overschrijdt om kennis te nemen van het geschil binnen de grenzen waarin dit aan het verwijzingsgerecht werd onderworpen ; Dat het middel gegrond is ; Tweede middel Overwegende dat de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt nog niet van toepassing was op het ogenblik van de ten laste van eiser gelegde feiten ; Dat in zoverre schending van artikel 8 van die wet wordt aangevoerd, het middel niet ontvankelijk is ; Overwegende dat de bestreden beslissing de toepasselijkheid van de Mededingingswet aanneemt ; Dat een tuchtoverheid aan een arts geen tuchtsanctie kan opleggen als daardoor zijn vrijheid van mededinging wordt beperkt, tenzij de tuchtoverheid vaststelt dat de beperking op de vrijheid van mededinging wordt verantwoord door de eisen van de volksgezondheid en de fundamentele regels van het beroep ; Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, de bestreden beslissing niet het publiceren van prijzen voor het uitvoeren van plastische chirurgie verbiedt ; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist ; Overwegende dat de bestreden beslissing oordeelt dat door geneesheren gevoerde reclame met de inherent daaraan verbonden werving van patiënten niet mag worden verboden, tenzij de medische plichtenleer wordt geschonden ; Dat de bestreden beslissing in overweging neemt :
  12. in de uitzending "Flanders Boulevard" op VT4 : het interview met eiser over de plastische chirurgie, terwijl hij naakt en fluitend in een luxueus bad ligt en de scène waarin hij met naakt bovenlijf voor de spiegel staat, terwijl hij beweert bezig te zijn met het uittesten van schoonheidsproducten op zijn persoon alvorens deze aan zijn patiënten toe te dienen ;
  13. in het publiciteitsmagazine "Imago" herfst 1999 : het lachend poseren met zijn medewerkers op de operatietafel, terwijl een medische ingreep toch geen "show" is en ook als zodanig niet mag voorgesteld worden : het kenbaar maken van richtprijzen voor esthetische chirurgie met de vermelding "vanaf", zoals bijvoorbeeld in een garage voor de verkoop van nieuwe wagens ; Overwegende dat de bestreden beslissing op grond van deze redenen zijn beslissing naar recht verantwoordt ; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen ;
  14. Verwijzing Overwegende dat de anders samengestelde raad van beroep waarnaar de zaak zou moeten worden verwezen, zich zou moeten voegen naar dit arrest wat de rechtsvraag betreft waarover het Hof uitspraak heeft gedaan ; Dat de uitgesproken cassatie niets meer te vonnissen overlaat ; Dat er geen grond is tot verwijzing ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt de bestreden beslissing in zoverre zij uitspraak doet over de tenlastelegging 1 ; Verwerpt het cassatieberoep voor het overige ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde beslissing ; Veroordeelt verweerster in de kosten. De kosten begroot op de som van driehonderd tweeënvijftig euro vijftig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en negen euro zevenenzestig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van drie juni tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050603.31 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080905.1 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140306.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030327.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.