id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.12 Rolnummer: D.02.0029.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2005-10-07 Raadplegingen: 571 - laatst gezien 2026-07-04 10:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Laattijdig is het cassatieberoep dat de eiser op 24 december 2004 heeft ingesteld tegen de op 22 oktober 1990 door de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders gewezen tuchtrechtelijke beslissing waarvan hem op 12 november 1990 is kennis gegeven
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie, inz. nr.
- Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - TUCHTZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - TUCHTZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening Gerechtsdeurwaarder Tuchtrechtelijke beslissing van de arrondissementskamer Termijn van cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1073 Fiches 2 - 4 Concl. adv.-gen. BRESSELEERS, Cass., 10 juni 2005, AR D.02.0029.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - TUCHTZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - TUCHTZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening Gerechtsdeurwaarder Tuchtrechtelijke beslissing van de arrondissementskamer Termijn van cassatieberoep Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Wetten op de bevoegdheid en de rechtspleging Rechtsmiddelen Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Vaststelling van leemte in de wettelijke regeling Discriminatie Wijze om hieraan te verhelpen Nota: D.02.0029.N Conclusie van het openbaar ministerie Inleiding
- De eiser is in 1986 verzocht een proces-verbaal van vaststelling op te maken in het kader van een echtscheidingsprocedure. Hij werd ervan verdacht daarbij valsheid in geschrifte te hebben gepleegd, maar werd buiten vervolging gesteld. In 1990 heeft de procureur des Konings het strafdossier overgezonden aan de raad van de Arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders te Mechelen, teneinde de zaak tuchtrechtelijk te onderzoeken. Bij beslissing van 22 oktober 1990 legde die raad de eiser een tuchtstraf op van niet-toelating tot de raad van de kamer gedurende drie jaar. Bij aangetekend schrijven van 12 november 1990 werd deze beslissing door de secretaris van de raad aan de eiser betekend
(1). Op 24 december 2002 heeft de eiser op de griffie van het Hof het voorliggende cassatieberoep ingediend.
- Tegen de beslissing van de raad van de Arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders te Mechelen dd. 22 oktober 1990 had de eiser reeds op 11 januari 1991 een beroep tot vernietiging ingesteld bij de Raad van State, die zich bij arrest van 4 november 2002 onbevoegd heeft verklaard om van het beroep kennis te nemen. Voor de verenigde kamers van het Hof wordt op 10 juni 2005 het cassatieberoep behandeld dat de eiser heeft ingesteld tegen het arrest van de Raad van State (AR C.02.0624.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.13). Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Bij brieven van 9 mei 2005 aan de advocaten van de partijen heb ik met toepassing van artikel 1097 van het Gerechtelijk Wetboek kennis gegeven dat ik een grond van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep opwerp. Er staat namelijk geen cassatieberoep open voor de gerechtsdeurwaarder tegen wie de raad van de arrondissementskamer op 22 oktober 1990 met toepassing van artikel 531 Gerechtelijk Wetboek een tuchtstraf heeft uitgesproken.
- De wet die van kracht is op de dag van de uitspraak bepaalt de rechts-middelen die tegen deze uitspraak openstaan. Behoudens andersluidende bepaling geldt deze regel ook indien de wetgeving betreffende de rechts-middelen gewijzigd is
(2). Vóór de wet van 6 april 1992 had de aan de raad van de arrondissements-kamer van de gerechtsdeurwaarders toegekende tuchtregeling het karakter van een inwendig en huishoudelijk reglement; die raad was geen rechter en zijn beslissingen en beraadslagingen waren geen vonnissen. De gerechts-deurwaarder aan wie een van de in artikel 531 Gerechtelijk Wetboek genoemde (lichte) tuchtstraffen was opgelegd mocht bijaldien geen vordering tot cassatie instellen
(3). Het arrest nr. 3.2002 van het Arbitragehof
- Het Arbitragehof heeft dit arrest op 9 januari 2002 gewezen in de procedure die de eiser had ingesteld voor de Raad van State. Procedurieel gaat het dus om een andere zaak dan de voorliggende. Uw Hof hoeft zich niet te voegen naar de uitspraak van het Arbitragehof. Kennis nemen van het arrest is niettemin nuttig. In die andere zaak heb ik trouwens uiteengezet dat het Arbitragehof geen antwoord heeft gegeven op de werkelijk door de Raad van State gestelde prejudiciële vraag. Het Arbitragehof heeft zich bevoegd geacht om meer in het algemeen te oordelen dat door de gerechtsdeurwaarder niet de mogelijkheid te bieden de hem opgelegde lichte tuchtstraf te laten toetsen, op discriminatoire wijze afbreuk gedaan werd aan de rechten van betrokkene. Ook al is het arrest niet bindend, de wetsbepalingen in de versie die het Arbitragehof vaststelt, in de interpretatie die het vermeldt en waarvan het beslist dat zij de artikelen 10 en 11 Grondwet schenden , kunnen gevoeglijk buiten toepassing worden gelaten. Een rechtsmiddel dat de eiser kan aanwenden wordt daardoor niet gecreëerd.
- De uitspraak van het Arbitragehof kan niet de betekenis hebben dat aan de gerechtsdeurwaarder de enige rechtsbescherming ontnomen wordt waarvan hij kon genieten in geval van machtsoverschrijding bij de toepassing tegen hem van het destijds geldende artikel 531 Gerechtelijk Wetboek. Het zogeheten monopolie van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie strekt ook ten voordele van de tuchtrechtelijk veroordeelde
(4). De bestaande wetgevende norm is in se niet ongrondwettig
(5). De discriminatie ligt immers niet in de bevoegdheid die de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie door artikel 1088 Gerechtelijk Wetboek is opgedragen om, uitsluitend op voorschrift van de minister van Justitie, de aldaar omschreven handelingen wegens machtsoverschrijding bij het Hof aan te brengen, maar in het feit dat voor andere overheidsambtenaren en beoefenaars van vrije beroepen specifieke regelingen bestaan
(6). Dezen beschikken immers wel over een jurisdictioneel beroep tegen tucht-straffen die hun worden opgelegd terwijl er geen redelijke verantwoording bestaat voor de verschillende behandeling van de gerechtsdeurwaarders. 7. Het Arbitragehof heeft aldus het ontbreken van een wettelijke regeling vastgesteld. Deze leemte in de wet kan echter niet door het Hof van Cassatie opgevuld worden. De grondwet vereist niet dat de eiser een volkomen recht zou hebben om voor het Hof van Cassatie de nietigheid te vorderen van de uitgesproken tuchtstraf. De wijze waarop de leemte verholpen wordt moet door de wetgever worden vastgesteld
(7). Ik betwijfel of het verstandig zou zijn dat uw Hof meestapt in het extensieve discours van het Arbitragehof door met terugwerkende kracht een specifiek rechtsmiddel ineen te knutselen. De rechter die zich in de plaats stelt van de wetgever ontneemt hem de verantwoordelijkheid de taak uit te voeren die de grondwet hem opdraagt en beknot op politiek vlak de noodzaak van het wetgevend werk. Dat uw Hof zou aannemen dat rechtstreeks cassatieberoep mogelijk is, dat slechts een beperkte toetsing inhoudt, ligt trouwens niet voor de hand. En welke termijnen en procedureregels zullen gelden? Met betrekking tot het tuchtprocesrecht zijn ze allesbehalve eenvormig. De wetgever behoudt de vrije keuze om aan de ongrondwettige discriminatie een einde te stellen.
- In verband met de termijnen mag niet uit het oog worden verloren dat de bestreden, op tegenspraak gewezen beslissing reeds op 12 november 1990 bij aangetekend schrijven door de secretaris van de raad aan de eiser betekend werd, in uitvoering van de beschikking waarvan het dictum luidde: "beslist de raad (...) als tuchtstraf aan (de eiser) op te leggen (...) de niet toelating tot de raad van de kamer gedurende drie jaar te rekenen vanaf de betekening van deze beslissing, bij aangetekend schrijven door de secretaris". Welke termijn ook toepasselijk zou geacht worden om een (destijds niet toepasselijk) rechtsmiddel aan te wenden, het besluit is dat het cassatie-beroep, zoals de verweerster doet opmerken, te laat is ingesteld. Volledigheidshalve verwijs ik naar het nieuwe artikel 531ter Gerechtelijk Wetboek dat de beroepstermijn doet ingaan op de dag van de uitspraak indien ze op tegenspraak is gewezen.
- Er kan tenslotte niet worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de wet van 6 april 1992 het gebrek aan beroepsmogelijkheden reeds verholpen had door de invoeging van een nieuwe regeling in het Gerechtelijk Wetboek waarbij eigen beroepsorganen werden opgericht. De wetgever heeft aan de artikelen 531bis tot 531quinquies Gerechtelijk Wetboek echter geen terug-werkende kracht verleend.
- Indien het Hof zich zou laten leiden door de procedureregels die de wetgever alzo heeft uitgevaardigd om aan de thans ongrondwettig bevonden regeling te verhelpen, dient te worden vastgesteld dat er, ook onder de gelding van de nieuwe wet, voor de betrokken gerechtsdeurwaarder geen cassatieberoep openstaat tegen een door de raad van de arrondissements-kamer uitgesproken tuchtstraf; het is immers geen beslissing in laatste aanleg gewezen. Het is zelfs niet zeker of er tegen de beslissing in hoger beroep cassatie-beroep mogelijk is: bij de bespreking van artikel 531bis besliste de senaats-commissie voor de Justitie om cassatieberoep te voorzien
(8), maar de wet van 6 april 1992 heeft artikel 614 Gerechtelijk Wetboek niet gewijzigd. Het wetgevend optreden had trouwens als strekking dat alle juridische en feitelijke vragen die betrekking hebben op een overeenkomstig artikel 531 Gerechtelijk Wetboek gewezen beslissing aan de raad van beroep kunnen voorgelegd worden. Dergelijke toetsing overstijgt de taak die aan het Hof als cassatierechter in tuchtzaken is opgedragen. 11. Ik ben bijgevolg van mening dat het door de eiser ingestelde cassatie-beroep niet ontvankelijk is. Elke rechtsbescherming is hem daarom echter niet ontzegd nu hij op grond van de vastgestelde leemte in de wetgeving een vordering tot pecuniaire schadevergoeding kan instellen
(9). Conclusie: verwerping. ___________________________
(1)zie infra, nr. 8
(2)Cass. 6 okt. 1999, nr. 512; 24 jan. 1983, nr. 300; conclusie van eerste advocaat-generaal Mahaux bij cass. 10 febr. 1972, Bull. en Pas. I, 1972, 533
(3)Cass. 12 juni 1975, A.C. 1975, 1084, met noot R.D.
(4)zie cass.28 april 1988, A.R. 8060, nr. 525
(5)A. Alen, "Ongrondwettige lacunes in de wetgeving volgens de rechtspraak van het Arbitragehof" in Liber amicorum Roger Blanpain, Die keure 1998,
(655)660, 668
(6)P. Popelier, "De beoordeling door het Arbitragehof van het ontbreken van een wettelijke regeling" R.W. 1996-1997
(1249)nr. 7-8
(7)Zie P. Popelier, "Lacunes in verordenend optreden", (noot onder cass. 15 dec. 2003), R.W. 2004-2005, 979, nr. 5 tot 7; R. Ergec "La responsabilité du fait de la carence législative" in Mélanges Philippe Gérard, Bruylant 2002,
(287)nr. 24
(8)Verslag, Senaat 1988-1989, 489-2, 32
(9)R. Ergec, l.c., nr. 24-25 Tekst van de beslissing Nr. D.02.0029.N W.G., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ARRONDISSEMENTSKAMER VAN GERECHTSDEURWAARDERS TE MECHELEN, vertegenwoordigd door haar syndicus G.D., met zetel te 2830 Willebroek, Nieuwstraat 8, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een tuchtrechtelijke beslissing, op 22 oktober 1990 gewezen door de Arrondissementskamer van Gerechtsdeurwaarders te Mechelen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. IV. Beslissing van het Hof Over de door verweerster opgeroepen grond van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep : het cassatieberoep is te laat ingesteld : Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat van de beslissing van 22 oktober 1990 aan eiser kennis is gegeven op 12 november 1990 ; Dat het cassatieberoep op 24 december 2002 is ingesteld ; Dat het cassatieberoep dat buiten de termijn bepaald bij artikel 1073 van het Gerechtelijk Wetboek is ingesteld, laattijdig is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van zeshonderd en twee euro elf cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en zes euro drieënzestig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van tien juni tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.4 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081103.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170203.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div