← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.13 Rolnummer: C.02.0624.N Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2005-11-30 Raadplegingen: 664 - laatst gezien 2026-07-04 13:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer het Hof uitspraak doet over een cassatieberoep tegen een arrest waarbij de afdeling administratie van de Raad van State oordeelt over een exceptie van onbevoegdheid, toetst het de redenen op grond waarvan de Raad op die exceptie afwijzend heeft beschikt of geweigerd heeft van de zaak kennis te nemen

(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE Vrije woorden: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE Raad van State Exceptie van onbevoegdheid Arrest Cassatieberoep Bevoegdheid van het Hof Wettelijke bepalingen: Wet - 12-01-1973 - Art.33 Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE Vrije woorden: RAAD VAN STATE Afdeling administratie Exceptie van onbevoegdheid Arrest Cassatieberoep Bevoegdheid van het Hof Wettelijke bepalingen: Wet - 12-01-1973 - Art.33 Fiche 3 Het middel dat een arrest van de Raad van State verwijt onregelmatig te zijn gemotiveerd is niet ontvankelijk indien artikel 33, Wet Raad van State niet is vermeld als geschonden wettelijke bepaling. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Vereiste vermeldingen Vrije woorden: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Vereiste vermeldingen Arrest van Raad van State Motivering Geen vermelding van artikel 28, Wet Raad van State Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1080 Fiches 4 - 6 Concl. adv.-gen. BRESSELEERS, Cass., 10 juni 2005, AR C.02.0624.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE Vrije woorden: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE Raad van State Exceptie van onbevoegdheid Arrest Cassatieberoep Bevoegdheid van het Hof Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE Vrije woorden: RAAD VAN STATE Afdeling administratie Exceptie van onbevoegdheid Arrest Cassatieberoep Bevoegdheid van het Hof Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Geen pertinent antwoord Nota: C.02.0624.N Conclusie van advocaat-generaal BRESSELEERS Inleiding De eiser is in 1986 verzocht een proces-verbaal van vaststelling op te maken in het kader van een echtscheidingsprocedure. Hij werd ervan verdacht daarbij valsheid in geschrifte te hebben gepleegd, maar werd buiten vervolging gesteld. In 1990 heeft de procureur des Konings het strafdossier overgezonden aan de Raad van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders te Mechelen, teneinde de zaak tuchtrechtelijk te onderzoeken. Die raad legde de eiser een tuchtstraf op van niet-toelating tot de raad van de kamer gedurende drie jaar. Tegen die beslissing heeft de eiser op 11 januari 1991 een beroep tot vernietiging ingesteld bij de Raad van State, die zich bij arrest van 7 juni 1999 onbevoegd heeft verklaard, en het Arbitragehof een prejudiciële vraag heeft gesteld. Het Arbitragehof oordeelde echter dat de vraag niet diende te worden beantwoord omdat niet werd aangegeven met welke categorie van personen de gerechtsdeurwaarders op tuchtrechtelijk gebied werden vergeleken (arrest van 17 mei 2000). Bij arrest van 16 oktober 2000 heeft de Raad van State de volgende, nieuwe prejudiciële vragen aan het Arbitragehof gesteld:
  1. "Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden door artikel 531 zoals geformuleerd vóór de wijziging ervan bij artikel 12 van de wet van 6 april 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het statuut van de gerechtsdeurwaarders, artikel 610 van het Gerechtelijk Wetboek samengelezen met artikel 1088 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 14, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in zoverre voormelde artikelen geïnterpreteerd worden in de zin dat ze de gerechtsdeurwaarder aan wie de raad van de arrondissementskamer een in artikel 531 van het Gerechtelijk Wetboek voorziene tuchtstraf oplegt, niet toestaan tegen die tuchtbeslissing een vernietigingsberoep in te stellen bij de Raad van State, die in tegenstelling tot de meeste andere overheidsambtenaren die het voorwerp uitmaken van een gelijkaardige tuchtmaatregel en op grond van voormeld artikel 14 wel beschikken over de mogelijkheid hiertegen een vernietigingsberoep bij de Raad van State in te leiden?
  2. Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden door artikel 531 zoals geformuleerd vóór de wijziging ervan bij artikel 12 van de wet van 6 april 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het statuut van de gerechtsdeurwaarders, artikel 610 van het Gerechtelijk Wetboek samengelezen met artikel 1088 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 14, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in zoverre voormelde artikelen geïnterpreteerd worden in de zin dat ze de gerechtsdeurwaarder aan wie de raad van de arrondissementskamer een in artikel 531 van het Gerechtelijk Wetboek voorziene tuchtstraf oplegt, niet toestaan tegen die beslissing een vernietigingsberoep in te stellen bij de Raad van State, dit in tegenstelling tot de meeste andere beoefenaars van gereglementeerde vrije beroepen die op grond van dit artikel 14 wel over een vernietigingsberoep beschikken tegen de eenzijdige overheidsbeslissingen die hun belangen ongunstig raken?" Bij arrest van 9 januari 2002 zegt het Arbitragehof voor recht: "Artikel 531 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging door de wet van 6 april 1992, en artikel 610 van hetzelfde Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging door de wetten van 4 en 25 mei 1999, in samenhang gelezen met artikel 1088 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging door de wet van 4 mei 1999, in die zin geïnterpreteerd dat alleen de procureur-generaal bij het Hof van cassatie, op voorschrift van de minister van Justitie, een vordering tot nietigverklaring bij het Hof van cassatie kon instellen tegen een door de raad van de arrondissementskamer aan een gerechtsdeurwaarder opgelegde tuchtstraf, schenden de artikel 10 en 11 van de Grondwet." Het thans bestreden arrest van de Raad van State, gewezen op 4 november 2002, oordeelt dat de Raad van State niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. De eiser voert hiertegen een middel aan. Het eerste onderdeel werpt op dat het arrest de artikelen 160 Grondwet, 28 Bijzondere Wet Arbitragehof en 7, 14 en 28 Wet Raad van State schendt; het betoogt, samengevat, dat de Raad van State de artikelen 610 en 1088 Gerechtelijk Wetboek buiten beschouwing had moeten laten, en zich bevoegd had moeten verklaren op grond van artikel 14 Wet Raad van State. Het tweede onderdeel voert de schending aan van artikel 149 Grondwet en 28 Wet Raad van State, op grond dat, samengevat, de Raad van State niet geantwoord heeft op het middel dat de bepalingen die de bevoegdheid van de Raad van State op grond van voormeld artikel 14 konden uitsluiten buiten toepassing moesten worden gelaten zodat niets de bevoegdheid van de Raad in de weg stond; minstens zijn de overwegingen zo vaag en onduidelijk dat het Hof niet in staat is de wettigheid van de beslissing te beoordelen. Het arrest van het Arbitragehof. Het arrest dat het Hof zal wijzen op het cassatieberoep tegen het arrest van de Raad van State is een uitspraak in dezelfde zaak in de zin van artikel 28 Bijzondere Wet Arbitragehof. Voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de Raad van State de prejudiciële vragen heeft gesteld, moet het Hof zich voegen naar het arrest van het Arbitragehof. Wat is echter de precieze draagwijdte van dit voorschrift? Onbetwist is dat het antwoord op de prejudiciële vraag bindend is. Maar wat indien het Arbitragehof naast of buiten de vraag geantwoord heeft, en een mening heeft te kennen gegeven over een niet gestelde vraag
(1)? In deze zaak heeft de Raad van State telkens de vraag gesteld of de artikelen 10 en 11 Grondwet worden geschonden door de omstandigheid dat artikelen 610 iuncto 1088 Gerechtelijk Wetboek en 14, eerste lid, Wet Raad van State de gerechtsdeurwaarder aan wie overeenkomstig artikel 531 Gerechtelijk Wetboek een tuchtstraf is opgelegd niet toestaat tegen die tuchtbeslissing een vernietigingsberoep in de stellen bij de Raad van State, terwijl op grond van artikel 14 Wet Raad van State een vernietigingsberoep openstaat voor vergelijkbare categorieën van personen? Het arrest van het Arbitragehof geeft geen expliciet en rechtstreeks antwoord op deze vraag. Het behandelt een ruimer probleem, dat van de rechtsbescherming van de gerechtsdeurwaarder aan wie een lichte
(2)tuchtstraf is opgelegd. Het oordeelt dat, aangezien de gerechtsdeurwaarder niet de mogelijkheid had de hem opgelegde tuchtstraf te laten toetsen, op discriminatoire wijze afbreuk werd gedaan aan de rechten van betrokkene omdat gerechtsdeurwaarders, zonder redelijke verantwoording, verschillend werden behandeld ten aanzien van het merendeel van de overheidsambtenaren en van de beoefenaars van vrije beroepen die over een jurisdictioneel beroep beschikken tegen straffen die hun worden opgelegd (rechtsoverweging B7). Op die overweging berust het dictum van het arrest dat voor recht zegt dat de destijds geldende artikelen 531 en 610 Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1088 Gerechtelijk Wetboek zoals destijds van kracht, de artikelen 10 en 11 Grondwet schenden. Op de door de Raad van State gestelde prejudiciële vraag is dat echter geen (pertinent) antwoord. In het arrest van het Arbitragehof komt de bevoegdheid van de Raad op grond van artikel 14 niet ter sprake. Die eventuele bevoegdheid was nochtans het terechte uitgangspunt van de Raad van State bij het stellen van de prejudiciële vragen. Het had inderdaad geen zin het Arbitragehof uit te nodigen zich te buigen over een vraag die per hypothese niet kon bijdragen tot de oplossing van het geschil dat bij de Raad van State aanhangig was. Het Arbitragehof heeft echter, afwijkend van de eigen rechtspraak
(3), ambtshalve een dergelijke vraag beantwoord. De Raad van State moest dan ook geen rekening houden met het formele antwoord op de niet-gestelde vraag
(4), en ook voor het Hof is dat antwoord niet bindend. Het arrest van de Raad van State. De Raad van State heeft zich echter voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de prejudiciële vragen zijn gesteld, toch gevoegd naar het arrest van het Arbitragehof
(5). Het Arbitragehof sluit zich immers aan bij de rechtspraak van de Raad van State over zijn onbevoegdheid ten aanzien van de betrokken tuchtregeling (rechtsoverweging B.8.4). Naar de kern beschouwd stelt het Arbitragehof vast dat er een leemte is in de wetgeving omdat die de gerechtsdeurwaarder niet de mogelijkheid biedt lichte tuchtstraffen te laten toetsen door een eigen beroepsorgaan of de rechterlijke macht. Dit impliceert noodzakelijkerwijze dat de omstandigheid dat de gerechtsdeurwaarder tegen een tuchtstraf bij de Raad van State geen vernietigingsberoep kan instellen, naar het oordeel van het Arbitragehof irrelevant is; het is niet omdat hij bij de Raad van State geen vernietigingsberoep kan instellen dat hij gediscrimineerd wordt. De bevoegdheid van de Raad van State om op grond van artikel 14 Wet Raad van State uitspraak te doen is steeds subsidiair. Terecht verwijst de Raad in dat verband naar het inzicht van de wetgever om alles wat het ambt van de gerechtsdeurwaarder aangaat binnen de sfeer van de rechterlijke macht te houden, wat zijn vernietigingsbevoegdheid ten aanzien van de aangevochten tuchtmaatregel uitsluit. De beslissingen van de Raad van State dat hij zich onbevoegd acht (arrest van 7 juni 1999 waartegen geen cassatieberoep is ingesteld) en niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen (bestreden arrest van 4 november 2002) zijn naar recht verantwoord en voldoende met redenen omkleed om op hun wettigheid beoordeeld te worden. Geen van de grieven kan slagen. Conclusie: verwerping. ___________________________
(1)Zie P. Popelier, "De beoordeling door het Arbitragehof van het ontbreken van een wettelijke regeling", R.W. 1996-1997,
(1249)nr 9.
(2)Schorsing, afzetting en veroordeling tot geldboeten worden ten verzoeke van de procureur des Konings tegen de gerechtsdeurwaarder uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg, en tegen deze vonnissen staat hoger beroep open (artikel 532, Gerechtelijk Wetboek).
(3)De arresten 3/89 en 18/89 van 2 februari en 29 juni 1989. Zie M. Van Damme, "Het stellen van prejudiciële vragen aan het Arbitragehof door het Hof van cassatie en de Raad van State" in Imperat Lex. Liber amicorum Pierre Marchal, Larcier 2003, 147, voetnoot 19; J. Velaers, Van Arbitragehof tot Gondwettelijk Hof, Maklu, nr 473.
(4)M. Van Damme, o.c., 145.
(5)Een arrest van het Arbitragehof kan ook buiten het beschikkend gedeelte beslissingen bevatten. J. van Compernolle en M. Verdussen, "La guerre des juges aura-t-elle lieu? À propos de l'autorité des arrêts préjudiciels de la Cour d'Arbitrage" in J.T., 2000,
(297)
  1. Tekst van de beslissing Nr. C.02.0624.N W. G., eiser, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Sint-Gillis, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ARRONDISSEMENTSKAMER VAN GERECHTSDEURWAARDERS TE MECHELEN, met zetel ten kantore van haar syndicus, mr. Guido Discart, te 2830 Willebroek, Nieuwstraat 8, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden uitspraak Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 november 2002 gewezen door de Raad van State, afdeling administratie. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Feiten De feiten kunnen blijkens het arrest als volgt worden samengevat : De eiser is in 1986 verzocht een proces?verbaal van vaststelling op te maken in het kader van een echtscheidingsprocedure. Hij werd ervan verdacht daarbij valsheid in geschrifte te hebben gepleegd, maar werd buiten vervolging gesteld. In 1990 heeft de procureur des Konings het strafdossier overgezonden aan de Raad van de Arrondissementskamer van Gerechtsdeurwaarders te Mechelen, teneinde de zaak tuchtrechtelijk te onderzoeken. Die raad legde op 22 october 1990 de eiser een tuchtstraf op van niet?toelating tot de raad van de kamer gedurende drie jaar. Tegen die beslissing heeft de eiser op 11 januari 1991 een beroep tot vernietiging ingesteld bij de Raad van State, die bij arrest van 7 juni 1999 aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag heeft gesteld. Het Arbitragehof oordeelde echter dat de vraag niet diende te worden beantwoord omdat niet werd aangegeven met welke categorie van personen de gerechtsdeurwaarders op tuchtrechtelijk gebied werden vergeleken (arrest van 17 mei 2000). Bij arrest van 16 oktober 2000 heeft de Raad van State de volgende, nieuwe prejudiciële vragen aan het Arbitragehof gesteld : "
  2. Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden door artikel 531 zoals geformuleerd vóór de wijziging ervan bij artikel 12 van de wet van 6 april 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het statuut van de gerechtsdeurwaarders, artikel 610 van het Gerechtelijk Wetboek samengelezen met artikel 1088 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 14, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in zoverre voormelde artikelen geïnterpreteerd worden in de zin dat ze de gerechtsdeurwaarder aan wie de raad van de arrondissementskamer een in artikel 531 van het Gerechtelijk Wetboek voorziene tuchtstraf oplegt, niet toestaan tegen die tuchtbeslissing een vernietigingsberoep in te stellen bij de Raad van State, dit in tegenstelling tot de meeste andere overheidsambtenaren die het voorwerp uitmaken van een gelijkaardige tuchtmaatregel en op grond van voormeld artikel 14 wel beschikken over de mogelijkheid hiertegen een vernietigingsberoep bij de Raad van State in te leiden ?
  3. Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden door artikel 531 zoals geformuleerd vóór de wijziging ervan bij artikel 12 van de wet van 6 april 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het statuut van de gerechtsdeurwaarders, artikel 610 van het Gerechtelijk Wetboek samengelezen met artikel 1088 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 14, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in zoverre voormelde artikelen geïnterpreteerd worden in de zin dat ze de gerechtsdeurwaarder aan wie de raad van de arrondissementskamer een in artikel 531 van het Gerechtelijk Wetboek voorziene tuchtstraf oplegt, niet toestaan tegen die beslissing, een vernietigingsberoep in te stellen bij de Raad van State, dit in tegenstelling tot de meeste andere beoefenaars van gereglementeerde vrije beroepen die op grond van dit artikel 14 wel over een vernietigingsberoep beschikken tegen de eenzijdige overheidsbeslissingen die hun belangen ongunstig raken ?" In het arrest van 9 januari 2002 oordeelt het Arbitragehof dat de artikelen 531 en 610 van het Gerechtelijk Wetboek (oud), in samenhang gelezen met artikel 1088 van het Gerechtelijk Wetboek zoals destijds van kracht, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden. Het thans bestreden arrest van de Raad van State, gewezen op 4 november 2002, oordeelt dat de Raad niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. IV. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan : Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 149 en 160 van de Grondwet ; - artikel 28 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof ; - de artikelen 7, 14 en 28 van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verwerpt het verzoek tot vernietiging en verklaart de Raad van State onbevoegd om van dit verzoek kennis te nemen op basis van de volgende redenen : "Overwegende dat moet worden vastgesteld dat de wetgever het gebrek aan rechtsbescherming dat verzoeker aanklaagt inmiddels heeft verholpen, zij het zonder terugwerkende kracht ; dat de wet van 6 april 1992 de mogelijkheid van een beroep heeft ingesteld bij de raad van beroep voor gerechtsdeurwaarders ; dat, mede gelet op wat zowel de Raad van State als het Arbitragehof reeds hebben opgemerkt aangaande het duidelijk inzicht van de wetgever om alles wat het ambt van gerechtsdeurwaarder aangaat binnen de sfeer van de rechterlijke macht te houden en op de vaststelling dat hij met de wetswijziging van 6 april 1992 van dat inzicht niet is afgeweken, het de Raad van State niet toekomt een leemte in de wet op te vullen ; dat de Raad van State niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen". Grieven
  4. Eerste onderdeel De Raad van State miskent de verplichting die voortvloeit uit artikel 28 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof om wettelijke bepalingen die het Arbitragehof strijdig heeft bevonden met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel in de zaak waarin de prejudiciële vraag is gesteld niet toe te passen en verwerpt ten onrechte de bevoegdheid die de Raad van State toekomt overeenkomstig de artikelen 160 van de Grondwet en 7, 14, ,§ 1, en 28 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
  5. Tweede onderdeel Schending van de artikelen 149 van de Grondwet en 28 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De Raad van State miskent in het bestreden arrest de motiveringsplicht vervat in artikel 149 van de Grondwet door niet te motiveren waarom de bepalingen die het Arbitragehof in zijn arrest van 9 juni 2002 strijdig heeft bevonden met de Grondwet niet buiten toepassing moesten worden verklaard en door niet te antwoorden op de door eiser voor de Raad van State ingeroepen artikelen. Artikel 149 van de Grondwet legt elke rechter de verplichting op om zijn uitspraak met redenen te omkleden (Cass., 9 oktober 1959, A.C., 1960, 115). Krachtens artikel 28 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient elk arrest met redenen te zijn omkleed. Specifiek voor wat betwistingen ter zake de bevoegdheid van een rechtscollege betreft, veronderstelt die motiveringsplicht dat de rechter die zijn bevoegdheid afwijst, antwoordt op de middelen die door de eisende of verzoekende partij werden aangevoerd om de bevoegdheid van die rechter te bepleiten. In casu werd door eiser in de laatste memorie voor de Raad van State (pp. 2 en 3) uitgebreid geargumenteerd waarom de Raad van State zich in deze zaak op grond van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bevoegd moest verklaren. Ter zake werd met name gewezen op het feit dat de wettelijke bepalingen die deze bevoegdheid konden uitsluiten ingevolge het arrest van het Arbitragehof van 9 januari 2002 buiten toepassing moesten worden gelaten en derhalve niets aan de bevoegdheid van de Raad van State in de weg stond. In het bestreden arrest heeft de Raad van State op geen enkele wijze op die middelen geantwoord. Het is derhalve niet regelmatig gemotiveerd (schending van de ingeroepen wetsbepaling). Minstens zijn de overwegingen van voormeld arrest van de Raad van State dermate vaag en onduidelijk dat ze het Hof niet in staat stellen de redenen van de beslissing te bepalen en de wettigheid ervan te beoordelen. Het bestreden arrest is derhalve niet regelmatig gemotiveerd (Cass., 7 december 2001, C.99.0442.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011207.5). V. Beslissing van het Hof
  6. Eerste onderdeel Overwegende dat, luidens artikel 28 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof, het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de in artikel 26 bedoelde vragen zijn gesteld, zich moeten voegen naar het arrest van het Arbitragehof ; Overwegende dat dit inhoudt dat het rechtscollege, dat in dezelfde zaak uitspraak doet, de betrokken artikelen buiten toepassing laat in de interpretatie waarin zij strijdig werden bevonden met de artikelen vernoemd in artikel 26, ,§ 1, van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof ; Overwegende dat het Arbitragehof overweegt dat :
  7. het ook constateert dat de tuchtregeling van de gerechtsdeurwaarders deel uitmaakt van een bredere regeling in het Gerechtelijk Wetboek inzake de rechterlijke macht, waarbij de tuchtregeling ofwel aan een eigen beroepsorgaan ofwel aan de rechterlijke macht is opgedragen ;
  8. de wet van 6 april 1992 het gebrek aan beroepsmogelijkheid overigens heeft verholpen door de invoeging van een nieuwe regeling in het Gerechtelijk Wetboek waarbij eigen beroepsorganen werden opgericht ;
  9. dat niet blijkt dat het tot een andere lezing van de betrokken bepalingen zou kunnen komen dan die welke aangegeven is in de verwijzingsbeslissing ; Dat het Arbitragehof vervolgens zegt voor recht dat artikel 531 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wijziging door de wet van 6 april 1992, en artikel 610 van hetzelfde wetboek, zoals van toepassing voor de wijziging door de wetten van 4 en 25 mei 1999, in samenhang gelezen met artikel 1088 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wijziging door de wet van 4 mei 1999, in die zin geïnterpreteerd dat alleen de procureur?generaal bij het Hof van Cassatie, op voorschrift van de Minister van Justitie, een vordering tot nietigverklaring bij het Hof van Cassatie kon instellen tegen een door de raad van de arrondissementskamer aan een gerechtsdeurwaarder opgelegde tuchtstraf, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden ; Overwegende dat de Raad van State heeft geoordeeld dat mede gelet op wat zowel de Raad van State als het Arbitragehof reeds hebben opgemerkt aangaande het duidelijk inzicht van de wetgever om alles wat het ambt van gerechtsdeurwaarder aangaat binnen de sfeer van de rechterlijke macht te houden en op de vaststelling dat hij met de wetswijziging van 6 april 1992 van dat inzicht niet is afgeweken, het de Raad van State niet toekomt een leemte in de wet op de vullen en dat de Raad niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen ; Dat, door zodoende te oordelen, de Raad van State aan deze bepalingen geen toepassing heeft gegeven die ingaat tegen de motieven en het dictum van het arrest van het Arbitragehof van 9 januari 2002 en zodoende zich heeft gevoegd naar dit arrest ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
  10. Tweede onderdeel Overwegende, enerzijds, dat artikel 149 van de Grondwet niet toepasselijk is op de arresten van de Raad van State ; Overwegende anderzijds dat wanneer het Hof, krachtens artikel 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 609, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, uitspraak doet over een voorziening in cassatie tegen een arrest waarbij de afdeling administratie van de Raad van State oordeelt over een exceptie van onbevoegdheid het de redenen toetst op grond waarvan de Raad op die exceptie afwijzend heeft beschikt of geweigerd heeft van de zaak kennis te nemen ; Dat de motivering van het bestreden arrest van de Raad van State het Hof moet toelaten de controle uit te oefenen die voormeld artikel 33 opdraagt ; dat, gelet op de beperkte bevoegdheid van het Hof in het kader van dit artikel, zijn toezicht zich niettemin niet uitstrekt tot de regelmatige toepassing van artikel 28 van de voormelde gecoördineerde wetten ; Overwegende dat het onderdeel, dat het arrest verwijt onregelmatig te zijn gemotiveerd, in dit verband uitsluitend schending aanvoert van de artikelen 149 van de Grondwet en 28 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, maar niet van artikel 33 van deze wetten ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de voorziening ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van zeshonderd en twee euro elf cent jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd negenentwintig euro drieënveertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitters Claude Parmentier, Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Christian Storck, Frédéric Close, Ghislain Londers, Eric Dirix, Didier Batselé en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van tien juni tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van hoofdgriffier Etienne Sluys. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.13 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011207.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081103.4 ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.112.229 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.