id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050613.3 Rolnummer: C.03.0321.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2005-10-07 Raadplegingen: 189 - laatst gezien 2026-07-03 12:02 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de bepaling dat wanneer het auteursrecht onderveeld is, de uitoefening ervan bij overeenkomst wordt geregeld en dat bij gebreke van een overeenkomst, geen van de auteurs het recht afzonderlijk mag uitoefenen, behoudens rechterlijke beslissing in geval van onenigheid volgt niet dat de vordering tot afzonderlijke uitoefening van het auteursrecht moet uitgaan van één van de erfgenamen. Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Vrije woorden: AUTEURSRECHT Onverdeeld auteursrecht Onenigheid Erfgenamen Derden Rechterlijke toestemming tot exploitatie Regeling Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1994 - Art.4 Fiche 2 De rechter kan beslissen dat de machtiging tot afzonderlijke uitoefening van het auteursrecht uitwerking heeft vanaf een door hem te bepalen tijdstip, dat zich ook kan situeren op het moment van de overdracht door één van de mede-eigenaars van zijn onverdeeld aandeel. Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Vrije woorden: AUTEURSRECHT Onverdeeld auteursrecht Rechterlijke machtiging tot exploitatie Uitwerking Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1994 - Art.4,derdeli Tekst van de beslissing Nr. C.03.0321.N.-
(2)de vordering van eerste verweerster in die mate gegrond dat de eisers en eerste verweerster, met ingang van 26 september 1994, toestemming wordt verleend om het auteursrecht op het fopspeen met speen uit snoepgoed, bekend als "Sucette bonbon", afzonderlijk uit te oefenen en dit fopspeen bijgevolg te produceren, te verkopen en te commercialiseren, zelf of middels een vennootschap waarin zij, alleen of tezamen, ten minste over de helft van de aandelen beschikken. Verder wordt de vordering van eerste verweerster voor het overige ongegrond verklaard en worden de eisers veroordeeld tot de gerechtskosten. Het hof van beroep overweegt hiertoe als volgt : "13.1. In ondergeschikte orde voert (eerste verweerster) volgend verweer aan tegen het verwijt van inbreuk op het auteursrecht. (Tweede verweerster) is, als erfgename van haar vader V., titularis van een onverdeeld aandeel in het auteursrecht. Bij overeenkomst van 26 september 1994 heeft zij dat aandeel overgedragen aan (eerste verweerster). Die overeenkomst bepaalt daarenboven dat (eerste verweerster) toegestaan wordt de fopspenen aan te maken, te commercialiseren en te verkopen. (Eerste verweerster) stelt vast dat er onenigheid bestaat tussen de titularissen van het onverdeeld auteursrecht, aangezien (de eisers) er niet mee instemmen dat zij het auteursrecht uitoefent. Zij wenst dat de rechter haar toestaat het auteursrecht uit te oefenen, en vraagt de bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, die haar die toestemming heeft verleend, met als wijziging dat de toestemming geldt vanaf 26 september 1994, datum van de overdracht aan haar van het onverdeeld aandeel van (tweede verweerster), in de plaats van vanaf 15 september 1998, datum bepaald door de eerste rechter omdat op die dag de conclusie voor (eerste verweerster) werd ingediend waarin de toestemming voor het eerst werd gevraagd. (De eisers) vragen in hoofdorde dat die toestemming ongedaan zou worden gemaakt in hoger beroep. Hun stelling luidt dat de overdracht van het onverdeeld aandeel door (tweede verweerster) aan (eerste verweerster) hen niet kan worden tegengeworpen, en dat, mocht dat toch zo zijn, (eerste verweerster) geen toestemming kan worden verleend om het auteursrecht uit te oefenen. 13.2. Artikel 7 van de Auteurswet bepaalt dat de rechten bedoeld in artikel 1 na het overlijden van de auteur worden uitgeoefend door zijn erfgenamen of legatarissen. Artikel 7, derde lid, bepaalt dat bij onenigheid de regeling van artikel 4 geldt. Artikel 4 van de Auteurswet bepaalt : Wanneer het auteursrecht onverdeeld is, wordt de uitoefening ervan bij overeenkomst geregeld. Bij gebreke van een overeenkomst mag geen van de auteurs het recht afzonderlijk uitoefenen, behoudens rechterlijke beslissing in geval van onenigheid. Een erfgenaam, die een onverdeeld aandeel in het auteursrecht bezit, mag, al wordt tussen de erfgenamen of legatarissen geen overeenstemming bereikt, het auteursrecht dus afzonderlijk uitoefenen, indien de rechter hem daartoe machtigt. In de voorliggende zaak wenste één van de erfgenamen, (tweede verweerster), het auteursrecht niet zelf afzonderlijk uit te oefenen, maar te laten uitoefenen door (eerste verweerster). Toestemming verlenen aan (eerste verweerster) om het auteursrecht afzonderlijk uit te oefenen valt samen met het verlenen van toestemming aan (tweede verweerster) om het auteursrecht te laten uitoefenen door (eerste verweerster). Er bestaat onenigheid tussen de rechthebbenden van het auteursrecht nopens de vraag of (eerste verweerster) het auteursrecht alleen mag (laten) uitoefenen door suikergoeden fopspenen aan te maken en te verkopen. Blijkens de overeenkomst van 26 september 1994, en de vrijwillige tussenkomst van (tweede verweerster) voor de eerste rechter, waarbij zij de vordering wegens inbreuk op auteursrecht door (eerste verweerster) betwistte, gaat (tweede verweerster) akkoord. (De eisers) verzetten zich er echter tegen. Bij toepassing van artikel 4, eerste lid, van de Auteurswet komt het aan de rechter toe te beslissen. 13.3. Het beantwoordt aan de wil van één van de erfgenamen, (tweede verweerster), dat (eerste verweerster) toestemming bekomt om het auteursrecht op het fopspeen alleen uit te oefenen. In dit specifieke geval bestaat de uitoefening van het auteursrecht in het produceren en verdelen van fopspenen uit suikergoed. Het enige alternatief van de samenwerking van alle rechthebbenden is de afzonderlijke exploitatie door elke rechthebbende, al dan niet met samenwerking tussen die rechthebbenden die met elkaar wel een samenwerkingsovereenkomst hebben kunnen sluiten. Nu samenwerking tussen alle rechthebbenden niet mogelijk blijkt, is er geen reden om de voorkeur te geven aan (de eisers) boven (eerste verweerster). (De eisers) kunnen dan ook niet worden gevolgd in hun stelling dat het niet billijk zou zijn om (eerste verweerster) het recht op afzonderlijke exploitatie toe te kennen. Zijzelf hebben van de eerste rechter immers ook het recht bekomen om het auteursrecht zonder (tweede of eerste verweerster) uit te oefenen, en er is geen doorslaggevend motief om hen een voorkeursbehandeling te geven. (De eisers) doen gelden dat (eerste verweerster) in het verleden nooit fabrikant, doch slechts distributeur is geweest, dat zij nooit heeft geïnvesteerd om de exploitatie van het fopspeen te verbeteren, en dat haar producten niet de kwaliteitseisen bereiken die hun vader had gesteld. Indien deze feitelijke gegevens met de werkelijkheid overeenstemmen wegen zij echter niet op tegen de omstandigheid dat (eerste verweerster) haar recht verkregen heeft van (tweede verweerster), die een volwaardig lid van de familie R. is. Overigens kan de eventuele concurrentiële achterstand van (eerste verweerster) alleen in het voordeel van (de eisers) strekken. Ten slotte verwijzen (de eisers) nog naar de houding van (eerste verweerster) in de gerechtelijke procedures. Een moreel oordeel over de gespannen relatie tussen partijen zou echter geen gepast middel zijn om in billijkheid te oordelen over de uitoefening van het auteursrecht. 13.4. Dezelfde redenen die de beslissing staven partijen het recht te verlenen het auteursrecht afzonderlijk uit te oefenen, leiden ertoe (de eisers) geen vergoeding toe te kennen gelijk aan een gedeelte van de winst die door (eerste verweerster) op de exploitatie van de fopspenen wordt verwezenlijkt, zoals zij in uiterst ondergeschikte orde vorderen. 13.5. Uitspraak doende krachtens artikel 4, eerste lid, Auteurswet, heeft de eerste rechter als volgt beslist : 'Zegt voor recht dat elk van de mede-eigenaars van het onverdeeld auteursrecht op de 'Sucette bonbon' toelating heeft om deze auteursrechten uit te oefenen voor eigen rekening of via een vennootschap waarbij hij alleen of samen met andere medeëigenaars over de meerderheid van de aandelen beschikt, en dit vanaf 15 september 1998'. De beslissing van de eerste rechter, volgens dewelke (eerste verweerster) het auteursrecht mag uitoefenen, wordt in hoger beroep bevestigd doch niet in identieke bewoordingen. De eerste rechter maakte het onderscheid tussen de overdracht van het onverdeeld aandeel door (de tweede verweerster) aan (de eerste verweerster), waardoor (eerste verweerster) mede-eigenaar zou zijn geworden, enerzijds, en vervolgens de toestemming aan (de eerste verweerster) om het auteursrecht uit te oefenen, anderzijds. De uitdrukking 'mede-eigenaars' in het aangehaalde dispositief omvat dan ook (eerste verweerster). In dit arrest wordt de vraag of de overdracht van het onverdeeld aandeel aan (de eisers) kan worden tegengeworpen echter niet gescheiden behandeld, en sluit de toestemming aan (de eerste verweerster) tot uitoefening van het auteursrecht de goedkeuring in, eveneens bij toepassing van artikel 4, eerste lid, Auteurswet, van de overeenkomst van 26 september 1994, waarbij (tweede verweerster) toestemming tot exploitatie verleent aan (de eerste verweerster). De toestemming dient dan ook te worden geherformuleerd zoals hierna in het beschikkende gedeelte wordt weergegeven. 13.6. Er blijft dan nog de vraag vanaf welk ogenblik de rechterlijke toestemming geldt. De draagwijdte ervan hoeft niet beperkt te blijven tot de periode die aanvangt op het ogenblik waarop de toestemming werd gevraagd, namelijk bij de indiening van de conclusie voor (eerste verweerster) ter griffie van de eerste rechter op 15 september 1998. Zelfs indien zou worden aangenomen dat de toestemming niet kan gelden voor de periode die het instellen van de vordering voorafgaat, zou de aanvangsdatum 27 december 1996 zijn, datum waarop de gedinginleidende dagvaarding werd betekend. Het verzoek van (eerste verweerster) om toestemming is hier immers geen vordering, maar een verweermiddel tegen de vordering van onder meer (de eisers). De beslissing van de eerste rechter kan dus niet behouden blijven. Er is evenwel geen reden om de toestemming slechts te doen ingaan op de datum van inleiding van de gerechtelijke procedure. Artikel 4, eerste lid, van de Auteurswet kent de rechter een ruime discretionaire beoordelingsmacht toe om maatregelen te treffen inzake de uitoefening van het auteursrecht. In voorliggend geval wordt aan (de eerste verweerster) een recht verleend dat zij tevoren niet bezat, namelijk de afzonderlijke uitoefening van het auteursrecht. Die beslissing is constitutief en heeft uitwerking vanaf het ogenblik waarop de rechter het krachtens dezelfde discretionaire beoordelingsmacht wenselijk acht. Het motief dat de rechterlijke toestemming steunt is de instemming van (de tweede verweerster) om (de eerste verweerster) het fopspeen te laten exploiteren. Deze werd verleend bij het sluiten van de overeenkomst van 26 september 1994. Het zou dan ook ongerijmd zijn (eerste verweerster) het recht op exploitatie tussen 26 september 1994 en 27 december 1996 (of 15 september 1998) te ontzeggen. (Eerste verweerster) hoeft niet te worden gesanctioneerd voor het feit dat zij de toestemming niet voorafgaandelijk heeft gevraagd. Het enige gevolg daarvan behoort te zijn dat zij het risico heeft gelopen de rechterlijke toestemming niet te zullen bekomen. Het incidenteel beroep van (eerste verweerster) is op dit punt gegrond. De toestemming gaat in vanaf 26 september 1994. 14. De eerste rechter heeft de vordering van (de eisers) tot veroordeling van (eerste verweerster) tot betaling van een schadevergoeding gedeeltelijk, tot beloop van de som van 400.000 BEF (thans 9.915,74 euro) gegrond bevonden, op grond van de overweging dat zij inbreuk op hun auteursrecht had begaan tot 15 september 1998, datum waarop de eerste rechter zijn toestemming had doen aanvangen. Nu de toestemming ingaat op 26 september 1994, kan (eerste verweerster) geen inbreuk meer worden verweten, en moet de vordering van (de eisers) tot betaling van schadevergoeding worden verworpen. Het incidenteel beroep is op dit punt eveneens gegrond. Het hoofdberoep van (de eisers), dat ertoe strekte een hogere schadevergoeding te bekomen, is ongegrond. Hetzelfde geldt voor de door (de eisers) gevorderde maatregelen om inbreuk in de toekomst te horen verbieden. 15. (...). 16. De eerste rechter heeft (eerste verweerster) veroordeeld tot betaling aan onder meer (de eisers) van de kosten van het beslag inzake namaak, inclusief erelonen en kosten van de aangestelde deskundige. Ingevolge de beslissing van dit arrest kan (eerste verweerster) echter geen inbreuk op het auteursrecht verweten worden. Niet zij maar de beslagleggende partijen zijn dan ook tot betaling van die kosten en erelonen gehouden. De beslissing van de eerste rechter kan echter alleen jegens (de eisers) ongedaan gemaakt worden aangezien de andere partij jegens dewelke (eerste verweerster) tot betaling werd veroordeeld, namelijk de curator van het faillissement van Candyplast, oorspronkelijke vierde eiser, niet aanwezig is in de appèlprocedure". Grieven Het hof van beroep stelde vast dat in toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit nummer 91 van 29 januari 1935 houdende regeling van de maatregelen betreffende de bescherming van de nijverheidstekeningen en -modellen, de wet op het auteursrecht van toepassing was op onderhavige zaak. Artikel 7 van de Auteurswet van 30 juni 1994 bepaalt dat de rechten bedoeld in artikel 1, ,§ 1, van dezelfde wet na het overlijden van de auteur worden uitgeoefend door zijn erfgenamen of legatarissen (tenzij de auteur ze aan een bepaald persoon heeft toegekend, wat in dezen niet wordt vastgesteld) en dat bij onenigheid de regeling van artikel 4 geldt. Artikel 4, eerste lid, van de Auteurswet bepaalt dat wanneer het auteursrecht onverdeeld is, de uitoefening ervan bij overeenkomst wordt geregeld en dat bij gebreke van een overeenkomst geen van de auteurs het recht afzonderlijk mag uitoefenen, behoudens rechterlijke beslissing in geval van onenigheid. De uitoefening van onverdeelde auteursrechten (zoals de overdracht of exploitatie ervan) kan aldus in principe slechts geschieden op een unanieme basis, op welk principe artikel 4, eerste lid, van de Auteurswet één uitzondering voorziet, met name de tussenkomst van een rechterlijke beslissing in geval van onenigheid. Het is met andere woorden slechts wanneer tussen de partijen geen unanimiteit kan worden gevonden, in geval van onenigheid, dat de rechter beslist. Zoals door het hof van beroep beaamd, mag een erfgenaam, die een onverdeeld aandeel in het auteursrecht bezit, bijgevolg het auteursrecht afzonderlijk uitoefenen, indien de rechter hem daartoe machtigt, ook al wordt tussen de erfgenamen of legatarissen geen overeenstemming bereikt. In dezen moet worden aanvaard dat toestemming verlenen aan eerste verweerster om het auteursrecht afzonderlijk uit te oefenen samenvalt met het verlenen van toestemming aan de tweede verweerster om het auteursrecht te laten uitoefenen door eerste verweerster. Daaruit volgt dat (
- i)de rechterlijke machtiging dient aangevraagd te worden door de betrokken mede-erfgenaam (tweede verweerster) en niet door de derde begunstigde (eerste verweerster) omdat deze per hypothese voor de rechterlijke uitspraak nog niet over de vereiste toestemming kan beschikken en (
- ii)dat door de derde begunstigde, wiens exploitatierechten van de onverdeelde auteursrechten ten gevolge van een niet bij unanieme beslissing genomen overdracht ter discussie staat, moet gewacht worden tot aan de rechterlijke uitspraak om enige rechten te mogen uitoefenen. In casu dient vastgesteld dat alleen eerste verweerster om rechterlijke machtiging heeft gevraagd en niet tweede verweerster, die zich ertoe beperkt heeft bij verzoekschrift van 27 september 1997 vrijwillig tussen te komen om de vorderingen van de eisers ongegrond te horen verklaren. Niettemin verklaart het hof van beroep de vordering van de eerste verweerster in die mate gegrond dat de eisers en de eerste verweerster, met ingang van 26 september 1994, toestemming wordt verleend om het auteursrecht op het betrokken fopspeen afzonderlijk uit te oefenen en dit fopspeen bijgevolg te produceren, te verkopen en te commercialiseren, zelf of middels een vennootschap waarin zij, alleen of tezamen, ten minste over de helft van de aandelen beschikken. Uiteindelijk geven de appèlrechters derhalve, het weze impliciet doch onmiskenbaar, zowel aan de eisers als aan de tweede verweerster de mogelijkheid alleen op te treden, zodat, gelet op de overeenkomst van 26 september 1994 tussen tweede en eerste verweersters, toestemming wordt gegeven aan eerste verweerster om het auteursrecht afzonderlijk uit te oefenen. Uit de samenlezing van de artikelen 4 en 7 van de Auteurswet volgt echter dat artikel 4 van de Auteurswet enkel kan worden toegepast bij onenigheid tussen de "erfgenamen" inzake de uitoefening van de onverdeelde auteursrechten, en niet bij onenigheid tussen de "erfgenamen" en de partij aan wie desgevallend het onverdeelde aandeel wordt overgedragen (in casu eerste verweerster), zodat artikel 4 van de Auteurswet enkel kan worden toegepast op verzoek van één der erfgenamen en niet door de derde-begunstigde en via bovengenoemde (impliciete) tussenstap via de tweede verweerster. Aangezien er onenigheid werd vastgesteld tussen de rechthebbenden van het auteursrecht nopens de vraag of de eerste verweerster het auteursrecht alleen mag (laten) uitoefenen door suikergoeden fopspenen aan te maken en te verkopen, waarmede de tweede verweerster akkoord gaat doch waartegen de eisers zich verzetten, kwam het overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Auteurswet aan de rechter toe te beslissen. Niettegenstaande artikel 4, eerste lid, van de Auteurswet de rechter een ruime discretionaire beoordelingsmacht toekent om maatregelen te treffen inzake de uitoefening van het auteursrecht (zie bijvoorbeeld de in het derde lid van hetzelfde artikel niet-limitatief opgesomde mogelijkheden), moet, wanneer de in artikel 4 van de Auteurswet bedoelde rechterlijke beslissing in geval van onenigheid moet worden genomen, het verzoek tot zelfstandige exploitatie van het auteursrecht uitgaan van de erfgenamen zelve en niet van de hypothetische derde-begunstigde. Vervolgens moet worden gewacht op de beslissing die de uitoefening van de onverdeelde auteursrechten regelt om te kunnen afwijken van de in principe vereiste unanimiteit inzake onverdeelde auteursrechten. De oplossing van de rechter kan derhalve slechts genomen worden op verzoek van de betrokken erfgenaam die het auteursrecht afzonderlijk wenst te exploiteren en kan slechts gevolgen hebben vanaf de datum van zijn beslissing. Met andere woorden : aan de in artikel 4 van de Auteurswet voorziene "rechterlijke beslissing in geval van onenigheid" kan geen retroactieve werking worden toegekend. Bijgevolg kon de rechterlijke beslissing houdende machtiging aan de eerste verweerster tot afzonderlijke exploitatie van het onverdeeld auteursrecht niet verleend worden aangezien de tweede verweerster hierom nooit verzocht heeft. En zelfs indien dergelijke beslissing op rechtsgeldige wijze kon verleend worden zonder uitdrukkelijk verzoek daartoe vanwege de tweede verweerster, kon enkel vanaf de rechterlijke beslissing aan de eisers en de tweede verweerster de mogelijkheid worden gegeven alleen op te treden met betrekking tot de betrokken onverdeelde auteursrechten, waarna de tweede verweerster deze rechten eventueel kan overdragen aan de eerste verweerster. In het andere geval zou het, wat in casu uiteindelijk het resultaat van het bestreden arrest is, mogelijk zijn dat onverdeelde erfgenamen zonder medeweten van de andere erfgenamen hun rechten verkopen, welke handeling dan achteraf zou kunnen worden bekrachtigd op vraag van een partij waarvan nu precies betwist wordt dat zij op rechtsgeldige wijze auteursrechten verkreeg. Dit is in strijd zowel met de letter als met de geest van artikel 4 van de Auteurswet dat specifiek bedoeld is om geschillen tussen mede-erfgenamen te regelen. Artikel 4 kan niet tot gevolg hebben dat derden gebruik maken van deze mogelijkheid en zodoende de onwetende erfgenamen met een voldongen feit confronteren. Hierbij weze bemerkt dat ofschoon de rechter over een ruime discretionaire beoordelingsmacht beschikt wat betreft de maatregelen die hij kan nemen, er geen dergelijke ruime discretionaire beoordelingsmacht bestaat met betrekking tot de persoon die om dergelijke maatregelen kan vragen alsmede het moment waarop hij deze maatregelen kan laten ingaan. Door slechts op verzoek van de eerste verweerster en bij afwezigheid van dergelijk verzoek door de tweede verweerster te oordelen dat de afzonderlijke uitoefening van het auteursrecht uitwerking heeft vanaf het ogenblik waarop de rechter het krachtens zijn discretionaire beoordelingsmacht wenselijk acht, in onderhavige zaak inzonderheid de bij het sluiten van de overeenkomst van 26 september 1994 verleende instemming van tweede verweerster om eerste verweerster het fopspeen te laten exploiteren, waarna de vordering van de eerste verweerster in die mate gegrond wordt verklaard dat aan de eisers en de eerste verweerster, met ingang van 26 september 1994, toestemming wordt verleend om het auteursrecht op het fopspeen met speen uit snoepgoed, bekend als "Sucette bonbon", afzonderlijk uit te oefenen en dit fopspeen bijgevolg te produceren, te verkopen en te commercialiseren, zelf of middels een vennootschap waarin zij, alleen of tezamen, ten minste over de helft van de aandelen beschikken, zodat aan de in artikel 4 van de auteurswet voorziene "rechterlijke beslissing in geval van onenigheid" een retroactieve werking wordt toegekend, is de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg aldus niet wettig verantwoord. Minstens kan de rechterlijke beslissing slechts van toepassing worden verklaard vanaf het ogenblik dat werd gevorderd maatregelen te treffen inzake de uitoefening van het auteursrecht, in casu het moment waarop de toestemming werd gevraagd bij de indiening van de conclusie voor de eerste verweerster op 15 september 1998, in ondergeschikte orde op de datum van inleiding van de gerechtelijke procedure, doch alleszins niet vanaf 26 september 1994. Het hof (van beroep) schendt aldus alle in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen, enerzijds door artikel 4 van de Auteurswet toe te passen op verzoek van een derde-begunstigde (de eerste verweerster), terwijl de tweede verweerster geen dergelijk verzoek had gedaan, en anderzijds door aan de in artikel 4 van de Auteurswet voorziene "gerechtelijke beslissing in geval van onenigheid" een retroactieve werking toe te kennen. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat het middel in zoverre het niet aangeeft hoe en waardoor het arrest artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 januari 1935 houdende regeling van de maatregelen betreffende de bescherming van de nijverheids-tekeningen en -modellen schendt, niet ontvankelijk is ; Overwegende voorts dat overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, na het overlijden van de auteur, de rechten bedoeld in artikel 1, ,§ 1, van die wet, tijdens de duur van de bescherming van het auteursrecht, worden uitgeoefend door zijn erfgenamen of legatarissen, tenzij de auteur ze aan een bepaald persoon heeft toegekend, met inachtneming van het wettelijk voorbehouden erfdeel dat aan de erfgenamen toekomt ; Dat overeenkomstig artikel 7, derde lid, van dezelfde wet, bij onenig-heid de regeling van artikel 4 geldt ; Overwegende dat artikel 4, eerste lid, van voormelde wet bepaalt dat wanneer het auteursrecht onverdeeld is, de uitoefening ervan bij overeenkomst wordt geregeld en dat, bij gebreke van een overeenkomst, geen van de auteurs het recht afzonderlijk mag uitoefenen, behoudens rechterlijke beslissing in geval van onenigheid ; Dat uit deze bepaling niet volgt dat de vordering tot afzonderlijke uitoefening van het auteursrecht moet uitgaan van één van de erfgenamen ; Dat het middel in zoverre faalt naar recht ; Overwegende verder dat artikel 4, derde lid, van de Auteurswet bepaalt dat een rechter ten allen tijde de machtiging tot publicatie van het werk afhankelijk kan stellen van de maatregelen die hij nuttig acht en dat hij, op verzoek van de auteur die zich tegen de publicatie verzet, kan beslissen dat deze niet zal delen in de kosten en baten van de exploitatie of dat zijn naam niet op het werk zal voorkomen ; Dat uit deze niet-limitatieve opsomming en uit de wetsgeschiedenis van die bepaling blijkt dat de rechter die beslist over de machtiging tot exploitatie van het werk, beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid aangaande de draagwijdte, de modaliteiten en de voorwaarden van de exploitatie van de auteursrechten ; Dat hieruit volgt dat de rechter kan beslissen dat de machtiging tot afzonderlijke uitoefening van het auteursrecht uitwerking heeft vanaf een door hem te bepalen tijdstip, dat zich ook kan situeren op het moment van de overdracht door één van de mede-eigenaren van zijn onverdeeld aandeel ; Dat het middel in zoverre faalt naar recht ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van zeshonderd tweeënzeventig euro negenenzeventig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeënzestig euro negen cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van dertien juni tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050613.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div