id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050614.7 Rolnummer: P.05.0123.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2005-10-19 Raadplegingen: 633 - laatst gezien 2026-07-04 14:39 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 232, eerste lid, Douane en Accijnzenwet houdt in dat hij die ingevolge een overtreding ten onrechte aanspraak op toekenning maakt, wettelijk vermoed wordt door het feit zelf de overtreding wetens en willens te hebben gepleegd; hij moet dan alleen niet schuldig worden geacht wanneer hij op grond van feitelijke gegevens aantoont, minstens niet ongeloofwaardig aanvoert dat hij die overtreding heeft gepleegd ingevolge dwaling of overmacht
(1).
(1)Cass., 7 dec. 2004, AR P.04.1154.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041207.6, nr ... Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Moreel bestanddeel Douane en accijnzen Overtreding van artikel 232, eerste lid, Douane en Accijnzenwet Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Overtreding van artikel 232, eerste lid, Douane en Accijnzenwet Moreel bestanddeel van het misdrijf Fiche 3 Artikel 232, tweede lid, Douane en Accijnzenwet verplicht de strafrechter die regelmatig is geadieerd van een strafvervolging wegens een inbreuk op artikel 232, eerste lid, Douane en Accijnzenwet om, los van de strafvordering, ten laste van de in artikel 232, tweede lid, vermelde personen, die regelmatig bij de strafzaak betrokken zijn, de bij dat tweede lid bepaalde veroordeling tot betaling van de boete en tot terugbetaling van de ten onrechte verkregen bedragen uit te spreken. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Artikel 232, tweede lid, Douane en Accijnzenwet Betaling van boete en terugbetaling van ten onrechte verkregen bedragen Solidaire veroordeling Toepassing Fiches 4 - 5 De bevoegdheid van de strafrechter om te oordelen over een burgerlijke rechtsvordering in betaling van rechten en accijnzen veronderstelt enkel dat, enerzijds, hij regelmatig geadieerd is van overtredingen, fraudes, misdrijven of misdaden, bedoeld in de artikelen 281 en 282, Douane en Accijnzenwet, anderzijds, dat de belastingschuldige regelmatig bij het proces is betrokken
(1).
(1)Zie Cass., 29 april 2003, AR P.02.1461.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.9, nr
- Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Douane en accijnzen Betaling van rechten en accijnzen Bevoegdheid van de strafrechter Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Burgerlijke rechtsvordering in betaling van rechten en accijnzen Bevoegdheid van de strafrechter Fiche 6 De vordering tot terugbetaling van de rechten bedoeld in artikel 1, 4°bis, Douane en Accijnzenwet welke ten onrechte werden toegekend tengevolge van de aangifte ten uitvoer onder een verkeerde tariefen restitutiecode, is een burgerlijke rechtsvordering naar aanleiding van de misdrijven bedoeld in artikelen 281 en 282, Douane en Accijnzenwet, waarover de strafrechter bevoegd is om te oordelen. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Rechten bedoeld in artikel 1, 4°bis, Douane en Accijnzenwet Vordering tot terugbetaling Burgerlijke rechtsvordering Tekst van de beslissing Nr. P.05.0123.N I. FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, met kantoor te Brussel, Wetstraat 14, op vervolging en vordering van de directeur der douane en accijnzen te Gent, met kantoor te Gent, Administratief Centrum "Ter Plaeten", Sint-Lievenslaan 27, eiser, vervolgende partij, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. II. BELGISCHE RESTITUTIE- EN INTERVENTIEBUREAU (BIRB), met zetel te Brussel, Trierstraat 82, eiser, burgerlijke partij, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. beide eisers tegen
- B H T A, beklaagde,
- B H A H, beklaagde,
- V M G, beklaagde,
- V K A J M, strafrechtelijk aansprakelijke,
- V A J K, beklaagde,
- V K F J J M, beklaagde,
- THEO BAUWENS nv, met zetel te Zele, Heikensstraat 5, hoofdelijk en burgerlijk aansprakelijke,
- INTERFREIGHT ANTWERP nv, met zetel te Antwerpen, Noorderlaan 157, Haven 190, hoofdelijk en burgerlijk aansprakelijke, verweerders. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 16 december 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer; II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers stellen in een gemeenschappelijke memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Eerste middel
- Tweede onderdeel Overwegende dat artikel 232, eerste lid, AWDA bepaalt: "Onverminderd alle andere strafbepalingen bepaald door de wetten inzake douane en accijnzen, wordt elke overtreding bij invoer, uitvoer of doorvoer van goederen waardoor ten onrechte aanspraak wordt gemaakt op de toekenning van de in artikel 1, 4°bis, bedoelde bedragen, bestraft met de verbeurdverklaring van de goederen en een boete gelijk aan tweemaal de toe te kennen bedragen waarop ten onrechte aanspraak wordt gemaakt"; Overwegende dat deze bepaling inhoudt dat hij die ingevolge een overtreding ten onrechte aanspraak op toekenning maakt, wettelijk vermoed wordt door het feit zelf de overtreding wetens en willens te hebben gepleegd; dat hij dan alleen niet schuldig moet worden geacht wanneer hij op grond van feitelijke gegevens aantoont, minstens niet ongeloofwaardig aanvoert dat hij die overtreding heeft gepleegd ingevolge dwaling of overmacht; Overwegende dat de rechters, afgezien van het feit dat ze het beroepen vonnis ter zake verkeerd lezen, op grond van hun eigen redengeving oordelen dat aan de vervolgde personen slechts een straf kan worden opgelegd zo deze schuldig worden bevonden aan een inbreuk op artikel 232 AWDA, met name wanneer wordt aangetoond dat zij "op één of andere wijze bewust, met kennis en opzet, volitief en cognitief" (versta: wetens en willens) de feiten hebben gepleegd; Dat de rechters met deze motivering hun uitspraak over de afwezigheid van schuld in hoofde van de eerste tot en met de zesde beklaagde niet naar recht verantwoorden; Dat het onderdeel gegrond is;
- Derde onderdeel Overwegende dat artikel 232, tweede lid, AWDA bepaalt: "De aangever, de invoerder, de uitvoerder en elke andere persoon die op die bedragen aanspraak maakt, zijn solidair gehouden tot betaling van die boete en tot terugbetaling van de ten onrechte verkregen bedragen"; Overwegende dat deze wetsbepaling de strafrechter, die regelmatig is geadieerd van een strafvervolging wegens een inbreuk op artikel 232, eerste lid, AWDA verplicht, om, los van de strafvordering, ten laste van de in artikel 232, tweede lid, AWDA vermelde personen, die regelmatig bij de strafzaak betrokken zijn, de bij dat tweede lid bepaalde veroordeling uit te spreken; Dat het onderdeel gegrond is;
- Eerste onderdeel Overwegende dat, gelet op de beslissing over het tweede en het derde onderdeel, het onderdeel geen antwoord meer behoeft; B. Tweede middel
- Eerste onderdeel Overwegende dat artikel 232 AWDA luidt zoals in het antwoord op het tweede en derde onderdeel van het eerste middel is aangehaald; Overwegende dat artikel 283 AWDA bepaalt: "Wanneer de overtredingen, fraudes, misdrijven of misdaden, in de artikelen 281 en 282 bedoeld, onverminderd de strafvordering, tevens tot betaling van rechten of accijnzen, en alzo tot een civiele actie aanleiding geven, zal de kennisgeving en berechting daarvan in beide opzichten tot de bevoegde criminele of correctionele rechter behoren"; Overwegende dat de bevoegdheid van de strafrechter om te oordelen over een burgerlijke rechtsvordering in betaling van rechten en accijnzen enkel veronderstelt dat, enerzijds, hij regelmatig geadieerd is van overtredingen, fraudes, misdrijven of misdaden, bedoeld in de artikelen 281 en 282 AWDA, anderzijds, dat de belastingschuldige regelmatig bij het proces is betrokken; Overwegende dat de vordering tot terugbetaling van de rechten bedoeld in artikel 1, 4°bis, AWDA welke ten onrechte werden toegekend tengevolge van de aangifte ten uitvoer onder een verkeerde tarief- en restitutiecode, evenzeer een burgerlijke rechtsvordering is naar aanleiding van de misdrijven bedoeld in de artikelen 281 en 282 AWDA; Overwegende dat de rechters die zich de bevoegdheid ontzeggen om over de door de tweede eiser tegen de eerste tot de achtste verweerder ingestelde burgerlijke rechtsvordering uitspraak te doen om reden dat artikel 283 AWDA geen grondslag bevat voor de strafrechter om uitspraak te doen over de rechtsvordering tot terugbetaling van de in artikel 1, 4°bis, bedoelde bedragen die geen "rechten of accijnzen" zijn in de zin van artikel 283 AWDA, de artikelen 232 en 283 AWDA schenden; Dat het onderdeel gegrond is;
- Tweede, derde en vierde onderdeel Overwegende dat, gelet op de beslissing over het eerste onderdeel, de onderdelen geen antwoord meer behoeven; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest; Veroordeelt de verweerders elk in een achtste van de kosten; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van honderd vierendertig euro dertig cent, waarvan
- op het cassatieberoep van de federale overheidsdienst financiën: zevenendertig euro vijftien cent verschuldigd en dertig euro door eiser betaald en
- op het cassatieberoep van het Belgisch restitutie- en interventiebureau: zevenendertig euro vijftien cent verschuldigd en dertig euro door eiser betaald. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door raadsheer Ghislain Dhaeyer, waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van veertien juni tweeduizend en vijf, door raadsheer Ghislain Dhaeyer, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050614.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.121 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.114 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.020 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.081 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.9 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041207.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131008.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181016.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div