id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050617.13 Rolnummer: C.04.0231.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-10-07 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-07-03 11:57 Versie(s): Vertaling FR Fiche De omstandigheid dat, indien een vordering in vrijwaring wordt afgewezen, zulks het patrimonium van de eiser in vrijwaring beïnvloedt en dat dit ook voor de rechten van de oorspronkelijke eiser negatieve gevolgen kan hebben, verleent laatstgenoemde geen belang om tegen die beslissing, die hem vreemd is, hem niet grieft en hem niet in de kosten veroordeelt, een cassatieberoep in te stellen. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Gemis aan belang of bestaansreden Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Gemis aan belang of bestaansreden Vordering in vrijwaring Afwijzing Cassatieberoep van oorspronkelijke eiser Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.17 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0231.N
- ZITMEUBELEN JORI, naamloze vennootschap, met zetel te 8940 Wervik, Hoogweg 52, ingeschreven in het handelsregister te Ieper, nummer 23.675,
- B.Y. eiseressen, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen DEXIA VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Kunstlaan 23, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. verweerster, en ten aanzien van J.J., tot bindendverklaring opgeroepen partij. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 januari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, gesloten op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna EVRM) ; het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft ; artikel 149 van de Grondwet ; de artikelen 11, 962 en 986 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep beoordeelt de vrijwaringsvordering van de heer J. tegen verweerster, de verzekeringsmaatschappij Dexia Verzekeringen, als volgt : "De eiser moet bewijzen, en dat geldt ook voor een eiser in regres. In casu moet J.J. (partij opgeroepen tot bindendverklaring) aantonen dat de voorwaarden vervuld zijn opdat NV Dexia Verzekeringen (verweerster) haar contractuele verplichting zou moeten vervullen tot het vrijwaren van haar verzekerde nu die met een eis op basis van artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek wordt geconfronteerd. Bij een verzekerd schadegeval op basis (van artikel) 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek is dergelijk bewijs soms moeilijk : het gaat meestal om plotse gebeurtenissen waarvan het positief bewijs achteraf vaak niet te leveren valt. De rechtspraak komt de verzekerden te hulp door in principe de ongevalsaangifte als waarachtig te aanvaarden, tenzij er indicaties bestaan van het tegendeel. Het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 28 januari 1993, dat gezag van gewijsde heeft ten opzichte van de partijen, heeft de weigering van NV Dexia Verzekeringen om dekking te verlenen begrijpelijk genoemd op basis van een reeks argumenten. Daarmee heeft het hof (van beroep) definitief uitgemaakt dat er indicaties bestaan die aan de waarachtigheid van de ongevalsaangifte doen twijfelen. Het is dus J.J. die, om te slagen in zijn vordering tot vrijwaring, voor de zware bewijslast staat dat het ongeval effectief is gebeurd zoals hij in de ongevalsaangifte schreef. Het hof (van beroep) oordeelde op 28 januari 1993 dat het onvoldoende ingelicht was om over de gegrondheid van de weigering te oordelen, en gaf aan Dr. V. als bijkomende opdracht advies te geven nopens het mogelijke oorzakelijk verband tussen het ongeval, zoals het aangegeven werd door het slachtoffer en de verzekerde van verweerster, en de opgelopen letsels. Daarmede gaf het hof (van beroep) aan zowel NV Dexia Verzekeringen als aan J.J. de kans om ten overstaan van Dr. V. de medische discussie te voeren nopens de waarachtigheid van de ongevalsaangifte. NV Jori Manufactory en Y.B.(de eiseressen) schuiven ten onrechte het verslag van Dr. V. opzij, stellende dat de eerste rechter dit verslag nietig zou hebben verklaard wegens schending van de rechten van de verdediging : zij hebben blijkbaar het bestreden vonnis slecht gelezen : het verslag van Dr. V. werd slechts nietig verklaard in de mate dat de elementen ter beoordeling van de schade erin worden behandeld. Het verslag van Dr. V. werd dus niet nietig verklaard voor zover die de bijkomende opdracht vervulde die het hof (van beroep) hem bij arrest van 28 januari 2003 heeft gegeven. De eerste rechter heeft onterecht gemeend dat het hof (van beroep) in zijn arrest van 28 januari 1993 zou hebben gesteld dat het bedrog enkel zou kunnen aanvaard worden wanneer Dr. V., die enkel kan oordelen op medische gronden, iedere andere mogelijkheid zou uitsluiten. Het door Dr. V. te verstrekken advies strekte ertoe de door de partijen bijgebrachte medische argumentatie op objectieve en tegensprekelijke wijze te toetsen. Dr. V. heeft op bladzijde 22 en 23 van zijn verslag ondubbelzinnig uiteengezet dat het letstel van Y.B. moeilijk kan verklaard worden door het relaas dat zij van het ongeval heeft gegeven. Dr. V. bevestigt anderzijds dat het letsel wel kan verklaard worden als het slachtoffer van een paard viel. De eerste rechter stelt ten onrechte dat Dr. V. enkel de mogelijkheid zou hebben aangenomen dat de schade kan opgelopen zijn door de val van een paard : uit medisch oogpunt kan de deskundige niet bepalen of het nu van een paard dan wel van een andere hoogte is geweest dat het slachtoffer is gevallen. Maar Dr. V. is wel formeel dat het verhaal van J.J. en Y.B. niet compatibel is met het letsel wegens de afwezigheid van een om het even welke andere contusionele plaats dan deze die uiteindelijk verantwoordelijk is geweest voor het vertebraal letsel. De eerste rechter hield ten onrechte rekening met een aantal eenzijdige medische attesten en verklaringen die de partijen NV Jori Manufactoy en Y.B. bijbrengen in het kader van hun argumentatie dat het letsel van Y.B. wel compatibel is met de genese van het ongeval zoals weergegeven in de ongevalsaangifte : dat betreft een medische discussie die NV Jori Manufactory en Y.B. moesten voeren en hebben gevoerd bij deskundige V. die precies daarom door het hof (van beroep) bij arrest van 28 januari 1993 werd aangesteld. Dr. V. stelt op medische gronden vast dat het letsel van Y.B. werd veroorzaakt door een val een lichamelijke impact ter hoogte van het zitvlak en dat terwijl de traumatische kracht in een praktisch vertikale as verliep. Dit gegeven komt bovenop de argumenten waarvan het hof (van beroep) reeds rekening hield toen het in het arrest van 28 januari 1993 de weigering van NV Dexia Verzekeringen als begrijpelijk bestempelde. Het hof (van beroep) is daardoor overtuigd dat Y.B. werd gekwetst toen zij van een bepaalde hoogte viel, bijvoorbeeld dat zij als ruiter van haar paard viel, en dus niet in de omstandigheden weergegeven in de ongevalsaangifte. Het is dus ten opzichte van NV Dexia Verzekeringen niet ten genoege van recht aangetoond dat de door Y.B. opgelopen lichamelijke schade het gevolg is van een zelfstandige gedraging van een dier waarvoor haar verzekerde J.J. op basis van artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek moet instaan. De vordering in vrijwaring van J.J. tegen NV Dexia Verzekeringen is derhalve ongegrond" (cf. pagina 4 en 5 van het arrest). Grieven
- Eerste onderdeel Schending van artikel 149 van de Grondwet. De eiseressen voerden in hun samenvattende beroepsconclusie met verwijzing naar de vaststellingen in het vonnis van de eerste rechter aan dat de gerechtelijke deskundige dokter V. aan mevrouw B. en haar raadslieden niet de mogelijkheid had geboden om opmerkingen te maken of vragen te stellen, dat de deskundige geen voorverslag aan de partijen of hun raadslieden had overhandigd doch onmiddellijk een definitief verslag had neergelegd, zodat de eiseressen slechts nadien met de hulp van de door hen geraadpleegde deskundigen hun opmerkingen bij de bevindingen van dokter V. hadden kunnen uiten (cf. pagina 8 en volgende van de conclusie). De rechtbank van eerste aanleg vernietigde dan ook het verslag van de deskundige "voor wat betreft de besluitvorming in het kader van de schadebegroting in hoofde van mevrouw B. " (cf. pagina 6, eerste alinea, van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 16 januari 1998). Het hof van beroep benadrukt in het bestreden arrest dat "het verslag van Dr. V. (...) slechts nietig (werd) verklaard in de mate dat de elementen ter beoordeling van de schade erin worden behandeld. Het verslag van Dr. V. werd dus niet nietig verklaard voor zover die de bijkomende opdracht vervulde die het hof (van beroep) hem bij arrest van 28 januari 2003 heeft gegeven" (cf. pagina 4, voorlaatste alinea, van het arrest) en oordeelt vervolgens dat "de eerste rechter (...) ten onrechte rekening (hield) met een aantal eenzijdige medische attesten en verklaringen die de partijen NV Jori Manufactory en Y.B. (de eiseressen) bijbrengen in het kader van hun argumentatie dat het letsel van Y.B.wel compatibel is met de genese van het ongeval zoals weergegeven in de ongevalsaangifte : dat betreft een medische discussie die NV Jori Manufactory en Y.B. moesten voeren en hebben gevoerd bij deskundige V. die precies daarom door het hof (van beroep) bij arrest van 28 januari 1993 werd aangesteld" (cf. pagina 5, eerste alinea, van het arrest). De vaststelling in het arrest dat de eiseressen de "medische discussie bij deskundige V. moesten voeren en hebben gevoerd" (cf. pagina 5, eerste alinea, in fine van het arrest) houdt geen antwoord in op eisers beroepsconclusie, in zover erin werd uiteengezet dat er tijdens de expertise geen tegensprekelijk debat had plaatsgevonden, dat de rechtbank van eerste aanleg om die reden het resultaat van de expertise vernietigd had en de bevindingen van de door de eiseressen geraadpleegde deskundigen in zijn beoordeling had betrokken. Het Hof van Beroep te Brussel geeft geen antwoord op dit middel uit de beroepsconclusie van de eiseressen, zodat het arrest niet regelmatig met redenen omkleed is en artikel 149 van de Grondwet schendt.
- Tweede onderdeel Schending van artikel 6.1 van het EVRM, van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft en van de artikelen 11, 962 en 986 van het Gerechtelijk Wetboek. Krachtens de artikelen 11 en 962 van het Gerechtelijk Wetboek verstrekt de door de rechter aangeduide deskundige technisch advies of doet hij vaststellingen. Het advies van de deskundige is overeenkomstig artikel 986 van het Gerechtelijk Wetboek niet bindend voor de rechter en kan door de gedingvoerende partijen voor de rechter worden aangevochten. Om die reden wordt ook aangenomen dat het recht van verdediging niet wordt geschonden door een niet-tegensprekelijk deskundigenonderzoek, indien het door de partijen voor de rechter kon worden tegengesproken. Zelfs indien een partij geen opmerkingen aan de deskundige heeft meegedeeld, heeft dit niet tot gevolg dat zij haar bezwaren tegen het deskundigenonderzoek niet meer aan de rechter kan voorleggen. De eiseressen behielden in voorliggend geval derhalve hoe dan ook het recht om de resultaten van het gerechtelijk deskundigenonderzoek voor de rechter te betwisten, met behulp van de deskundigen die zij raadpleegden en de informatie die hen door deze deskundigen werd meegedeeld. Aan dit recht kon door het hof van beroep geen afbreuk worden gedaan, ook niet op grond van de overweging dat de eiseressen de "medische discussie bij deskundige V. moesten voeren en hebben gevoerd" (cf. pagina 5, eerste alinea, van het arrest). Waar het arrest met hervorming van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg overweegt dat de "de eerste rechter (...) ten onrechte rekening (hield) met een aantal eenzijdige medische attesten en verklaringen die (de eiseressen) bijbrengen (...) : dat betreft een medische discussie die (de eiseressen) moesten voeren en hebben gevoerd bij deskundige V. die precies daarom door het hof (van beroep) bij arrest van 28 januari 1993 werd aangesteld" (cf. pagina 5, eerste alinea, van het arrest) miskent het eiseressen's recht om voor de rechter hun middelen ten aanzien van het resultaat van het deskundigenonderzoek te doen gelden en schendt het derhalve artikel 6.1 van het EVRM, het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft, alsook de artikelen 11, 962 en 986 van het Gerechtelijk Wetboek. IV. Beslissing van het Hof
- Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Over het door verweerster opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep : de eiseressen hebben geen belang om de beslissing aan te vechten omtrent de vordering in vrijwaring van J. tegen verweerster : Overwegende dat verweerster aanvoert dat de eiseressen geen belang hebben om de beslissing betreffende de vordering in vrijwaring van J. tegen haar aan te vechten daar zij door die beslissing niet worden gegriefd ; Dat verweerster aldus in wezen de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aanvecht ; Overwegende dat het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing van het arrest die de vordering in vrijwaring van J. tegen de NV Dexia Verzekeringen als ongegrond afwijst ; Dat die beslissing vreemd is aan de eiseressen en hen niet grieft ; Dat de eiseressen, die niet in de kosten werden veroordeeld, geen belang hebben om cassatieberoep in te stellen ; Dat de omstandigheid dat indien de vordering in vrijwaring wordt afgewezen, zulks het patrimonium van J. beïnvloedt en dit ook voor de rechten van de eiseressen negatieve gevolgen kan hebben, hieraan geen afbreuk doet ; Dat het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen ;
- Vordering tot bindendverklaring Overwegende dat de verwerping van het cassatieberoep alle belang ontneemt aan de vordering tot bindendverklaring die de eiseressen tegen J. hebben ingesteld ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring ; Veroordeelt de eiseressen in de kosten. De kosten begroot op de som van duizend driehonderd zesenveertig euro twaalf cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd vierenzestig euro tweeëndertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van zeventien juni tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050617.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div