id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050617.14 Rolnummer: C.04.0274.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2006-05-19 Raadplegingen: 584 - laatst gezien 2026-07-04 07:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche In de regel kan de stakingsrechter het bestaan van een inbreuk op de eerlijke handelspraktijken niet vaststellen zonder vervolgens de staking ervan te bevelen; dit sluit niet uit dat hij vaststelt dat een daad een dergelijke inbreuk vormt en vervolgens de daad als zodanig niet verbiedt omdat ze door het verloop van de tijd volledig voltrokken is, maar de staking beveelt van de onrechtmatige praktijken die eraan ten grondslag liggen, dit ten einde herhaling te voorkomen
(1).
(1)Zie Cass., 20 okt. 1972, A.C., 1973, 180; zie ook J. STUYCK, Beginselen van Belgisch privaatrecht, Handels-economisch recht, Handelspraktijken, 2e uitg., Story-Scientia, 2004, nr 109. Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Vrije woorden: HANDELSPRAKTIJKEN Stakingsrechter Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1991 - Art.95 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0274.N CONEVEX, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1070 Brussel, Joseph Wybranlaan 40, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 652.765, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen LIFE EVENTS, naamloze vennootschap, met zetel 1082 Sint-Agatha-Berchem, Basilieklaan 2, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 maart 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 95 van de Wet van 14 juli 1991 betreffende de Handelspraktijken en de Voorlichting en Bescherming van de Consument (hierna de "WHPC"). Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest van 9 maart 2004 verklaart het hoger beroep van verweerster ontvankelijk en gegrond, verklaart de oorspronkelijke vordering van verweerster zoals geherformuleerd in graad van beroep grotendeels gegrond en stelt onder meer vast dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan een schending van de eerlijke handelsgebruiken door haar vakbeurs "EMIF" te organiseren op 27 en 28 maart 2002 en hierbij aan te haken aan de organisatie van de vakbeurs "Meeting & Weltra (-Bugi)" die door verweerster wordt georganiseerd, op grond van de volgende motieven : "(...) Boven is evenwel beslist dat de grieven van (verweerster) grotendeels gegrond zijn. Zij is gerechtigd om te doen vaststellen dat eiseres' beurs voor 2002 georganiseerd werd met schending van de eerlijke handelsgebruiken. Daarenboven strekt haar vordering er ook met reden toe om voor de toekomst herhaling van de inbreuken te voorkomen" (bestreden arrest, p. 16, bovenaan). Grieven Naar luid van artikel 95 van de WHPC stelt de voorzitter van de rechtbank van koophandel het bestaan vast en beveelt de staking van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk op de bepalingen van deze wet uitmaakt. De tweeledige opbouw van artikel 95 van de WHPC brengt met zich dat de stakingsrechter slechts het bestaan van een inbreuk op de WHPC kan vaststellen in het kader van een vordering waarbij ook de staking van deze inbreuk op de WHPC wordt gevorderd. In casu vorderde verweerster inderdaad geen stakingsbevel meer met betrekking tot de organisatie door eiseres van de vakbeurs "EMIF" op 27 en 28 maart 2002, hetgeen verweerster wel deed tijdens de procedure in eerste aanleg voor de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brussel. De stringente bepaling van artikel 95 van de WHPC houdt bovendien in dat, wanneer er om één of andere reden geen aanleiding meer bestaat tot het uitspreken van een stakingsbevel (zoals wanneer de vordering tot het horen uitspreken van een stakingsbevel zonder voorwerp is geworden), de stakingsrechter evenmin nog geroepen is het bestaan van een inbreuk op de WHPC vast te stellen. In casu had eiseres inderdaad in haar vijfde samenvattende en vierde aanvullende conclusie in hoger beroep (p. 23, randnummer 70) geargumenteerd dat de vordering van verweerster, voor zover deze betrekking had op de organisatie van de vakbeurs "EMIF" op 27 en 28 maart 2002, geen voorwerp meer had, aangezien zij enkel betrekking had op een vakbeurs die reeds had plaatsgehad. De appèlrechters hebben zodoende ten onrechte vastgesteld dat eiseres zich heeft schuldig gemaakt aan een schending van de eerlijke handelsgebruiken door haar vakbeurs "EMIF" te organiseren op 27 en 28 maart 2002 en hierbij aan te haken aan de organisatie van de vakbeurs "Meeting & Weltra (-Bugi)" die door verweerster wordt georganiseerd. De appèlrechters hebben derhalve artikel 95 van de WHPC geschonden door de onrechtmatigheid van een aangeklaagde daad vast te stellen zonder dat de staking ervan werd gevorderd. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 95 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, de voorzitter van de rechtbank van koophandel het bestaan vaststelt en de staking beveelt van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk op de bepalingen van die wet uitmaakt ; Dat die wettelijke bepaling voor gevolg heeft dat de stakingsrechter in de regel het bestaan van een inbreuk niet kan vaststellen zonder vervolgens de staking ervan te bevelen ; Dat die wettelijke bepaling echter niet uitsluit dat de stakingsrechter vaststelt dat een bepaalde daad een inbreuk vormt op de eerlijke handelspraktijken en vervolgens niet de daad als dusdanig verbiedt omdat zij door het verloop van de tijd volledig voltrokken is, maar de staking beveelt van de onrechtmatige praktijken die er aan ten grondslag liggen, dit teneinde herhaling te voorkomen ; Overwegende dat de appèlrechters aannemen dat de door eiseres in maart 2002 georganiseerde beurs strijdig is met de eerlijke handelsgebruiken omdat zij tot stand is gekomen ingevolge een aantal onrechtmatige praktijken en vervolgens een verbod van dergelijke praktijken opleggen zodanig dat in de toekomst eiseres niet opnieuw een gelijkaardige met de eerlijke handelsgebruiken strijdige beurs zou inrichten ; Dat door aldus te oordelen de appèlrechters artikel 95 Wet Handelspraktijken niet schenden ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van zeshonderd eenenveertig euro achtennegentig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd vierenzestig euro tweeëndertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van zeventien juni tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050617.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260417.1F.5 ECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230904.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070302.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090529.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div