id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050621.6 Rolnummer: P.05.0601.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2005-10-07 Raadplegingen: 168 - laatst gezien 2026-07-04 14:44 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het nultarief, ingevoerd door artikel 2 van het decreet van 7 december 2001 van de Vlaamse Gemeenschap, houdende wijziging van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, samengeordend op 3 april 1953, is enkel toepasselijk op de belasting die verschuldigd wordt vanaf 1 januari 2002 en niet op de belasting die voordien verschuldigd was, ook al was ze op 1 januari 2002 nog niet betaald. Thesaurus CAS: GEESTRIJKE DRANKEN Vrije woorden: GEESTRIJKE DRANKEN K.B. van 3 april 1953 inzake slijterijen van gegiste dranken Decreet Vl. Gem. van 7 december 2001 Invoering van het nultarief voor de aanslagvoeten Toepassingsgebied Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Werking in de tijd K.B. van 3 april 1953 inzake slijterijen van gegiste dranken Decreet Vl. Gem. van 7 december 2001 Invoering van het nultarief voor de aanslagvoeten Toepassingsgebied Fiche 3 De door artikel 35 van het koninklijk besluit van 3 april 1953 tot samenordening van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken bepaalde boete van "tweemaal de in 't spel zijnde belasting" wordt berekend op de belasting die verschuldigd was op het ogenblik dat de aangifte en de betaling moesten gebeuren, niet op de belasting die al of niet verschuldigd is op de dag van de uitspraak. Thesaurus CAS: GEESTRIJKE DRANKEN Vrije woorden: GEESTRIJKE DRANKEN K.B. van 3 april 1953 inzake slijterijen van gegiste dranken Houden van een slijterij zonder aangifte bij de ontvanger der accijnzen Niet-betaling van de verschuldigde openingsbelasting Boete van tweemaal de in 't spel zijnde belasting Grondslag voor de berekening Fiche 4 Krachtens de artikelen 281, 282 en 283 A.W.D.A. en artikel 42 van het koninklijk besluit van 3 april 1953 tot samenordening van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken is de burgerlijke rechtsvordering van de vervolgende partij tot betaling van accijnzen afhankelijk van de strafvordering die de vervolgende partij bij de strafrechter aanhangig maakt teneinde te worden geïnstrueerd en berecht overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering; het voorschrift van artikel 183 Wetboek van Strafvordering, dat de burgerlijke partij bij de akte van dagvaarding woonplaats kiest in de stad waar de rechtbank zitting houdt, vindt derhalve ter zake geen toepassing. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Federale Overheidsdienst Financiën Vordering tot betaling van accijnzen Artikel 183, Sv. Toepasselijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.05.0601.N
- J J A M,
- C A M,
- J P L M, eisers, beklaagden, met als raadslieden Mr. Rudi L. Beeken en Mr. Heide Janssens, advocaten bij de balie te Leuven, ter terechtzitting bijgestaan door Mr. Wim Goossens, advocaat bij de balie te Leuven, tegen FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, met kabinet te Brussel, Wetstraat 14, op vervolging en vordering van de directeur-generaal en de directeur der douane en accijnzen, met kantoor te Brussel, Rijksadministratief Centrum, Financietoren, bus 37, en Zuidlaan 33, verweerder, vervolgende partij, I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 22 maart 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers stellen in een memorie drie grieven voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat ingevolge het overlijden van (de derde eiser), zijn cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft; A. Onderzoek van de grieven
- Eerste grief Overwegende dat het arrest onaantastbaar oordeelt: "dat niet is aangetoond dat de formaliteiten bepaald in artikel 44 Gerechtelijk Wetboek (...) niet werden nageleefd"; dat de grief die opkomt tegen de overtollige redenen, "waarvan de niet-naleving overigens niet tot nietigheid van het exploot kunnen leiden", niet tot cassatie kan leiden; Overwegende dat de eisers geen belang hebben bij de grief betreffende de betekening van de dagvaarding aan de burgerrechtelijke en hoofdelijk aansprakelijke partij die bovendien niet in het cassatiegeding betrokken is; Overwegende dat de rechter onaantastbaar oordeelt of een verschrijving in de voornamen van de gedaagde, zoals te deze "Annick" daar waar het "Annik" was, diens belangen heeft geschaad; Dat de grief in geen van zijn aanvoeringen ontvankelijk is;
- Tweede grief Overwegende dat de eisers werden veroordeeld om te Aarschot, gerechtelijk arrondissement Leuven, op 10 april 1997, een slijterij van gegiste dranken te hebben gehouden, zonder daarvoor, ten minste vijftien dagen op voorhand de vereiste aangifte te hebben ingediend bij de ontvanger der accijnzen over het gebied en zonder daarvoor voorafgaandelijk de verschuldigde openingsbelasting van 24.653,01 euro te betalen; Overwegende dat, anders dan de grief aanvoert, het nultarief ingevoerd door artikel 2 van het decreet van 7 december 2001 van de Vlaamse Gemeenschap houdende wijziging van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, samengeordend op 3 april 1953 (hierna respectievelijk genoemd: het decreet en het koninklijk besluit), enkel toepasselijk is op de belasting die verschuldigd wordt vanaf 1 januari 2002, niet op de belasting die voordien verschuldigd was ook al was ze op 1 januari 2002 nog niet betaald; Dat de grief in zoverre faalt naar recht; Overwegende dat de eisers niet veroordeeld werden in verband met vijfjarige belasting verschuldigd voor sommige slijterijen van gegiste dranken, zodat de grief in zoverre niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is; Overwegende dat het decreet de strafbaarstelling en bestraffing van de inbreuken van het koninklijk besluit niet heeft opgeheven of gewijzigd, zodat de grief in zoverre die schending aanvoert van artikel 2 Strafwetboek feitelijke grondslag mist; Overwegende dat het arrest oordeelt: "Dat er geen aanleiding bestaat tot het stellen van de door de (eisers) voorgestelde prejudiciële vraag aan het Arbitragehof nu het antwoord hierop niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen; dat immers de aangevoerde ongelijkheid geen betrekking heeft op de aanvullende openingsbelasting die op het ogenblik waarop de vervolgde feiten werden gepleegd verschuldigd was en dat deze belasting, ook na de wetswijziging bij decreet van 7 december 2001, verschuldigd bleef ongeacht de onderwerping aan de jaarlijkse dan wel de vijfjaarlijkse belasting"; Dat het arrest op deze grond wettig vermocht, bij toepassing van artikel 26, ,§ 1, 3°, en ,§ 2, Bijzondere Wet Arbitragehof, het stellen van de opgeworpen prejudiciële vragen te weigeren; Dat de grief in zoverre niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de door artikel 35 van het koninklijk besluit bepaalde boete "van tweemaal de in 't spel zijnde belasting" berekend wordt op de belasting die verschuldigd was op het ogenblik dat de aangifte en de betaling moesten gebeuren, niet op de belasting die al of niet verschuldigd is op de dag van de uitspraak; Dat de grief die nogmaals schending aanvoert van artikel 2 Strafwetboek, berust op een verkeerde rechtsopvatting, in zoverre faalt naar recht;
- Derde grief Overwegende dat krachtens de artikelen 281, 282 en 283 AWDA het ter zake toepasselijke artikel 42 van het koninklijk besluit van 3 april 1953 tot samenordening van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, de burgerlijke rechtsvordering van de vervolgende partij tot betaling van accijnzen afhankelijk is van de strafvordering die de vervolgende partij bij de strafrechter aanhangig maakt teneinde te worden geïnstrueerd en berecht overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering; dat derhalve het voorschrift van artikel 183 Wetboek van Strafvordering dat de burgerlijke partij bij de akte van dagvaarding woonplaats kiest in de stad waar de rechtbank zitting houdt, ter zake geen toepassing vindt; Dat de grief faalt naar recht; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van zestig euro zesentwintig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van eenentwintig juni tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050621.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div