id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050624.6 Rolnummer: C.03.0446.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-07-13 Raadplegingen: 258 - laatst gezien 2026-07-03 11:50 Versie(s): Vertaling FR Fiche Thesaurus CAS: BESLAG - ALGEMEEN Tekst van de beslissing Nr. C.03.0446.N INTERNATIONAL TECHNOLOGY SERVICES AND TELECOMMUNICATION, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1000 Brussel, Stalingradlaan 14, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 649.151, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- HURECA, naamloze vennootschap, met zetel gevestigd te 2140 Borgerhout, Turnhoutsebaan 105,
- B.A., verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 29 april 2003 gewezen door het Hof Van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 15 en 149 van de gecoördineerde Grondwet ; de artikelen 1389 en 1503 van het Gerechtelijk Wetboek ; artikel 2, ,§4, van het Wetboek van Vennootschappen (oud artikel 2, lid 2, van het Wetboek van Koophandel, Titel IX Handelsvennootschappen) ; artikel 8 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei
- Aangevochten beslissingen
- Het bestreden arrest verklaart, bij bevestiging van de beschikking van 23 oktober 2001 van de Beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, de "vordering van (eiseres) tot nietigheid van het bewarend beslag op roerende goederen op 26.06.2001 door het ambt van (tweede verweerder) in opdracht van (eerste verweerster) ten laste van de BVBA Belgameubel, gelegd op het adres Diepestraat 138 te Antwerpen ontvankelijk doch ongegrond en wijzen haar ervan af" en veroordeelt eiseres tot de kosten. Anders dan de beschikking a quo, verklaart het arrest de oorspronkelijke tegeneisen tot het bekomen van een schadevergoeding en de tegeneisen wegens tergend en roekeloos hoger beroep gedeeltelijk gegrond en veroordeelt het eiseres tot het betalen van een schadevergoeding van 850 euro en 1.000 euro, hetzij in totaal 1.850 euro aan ieder van de beide verweerders.
- Bij zijn beoordeling sluit het hof van beroep zich aan bij de "oordeelkundige motivering van de eerste rechter" en maakt "deze tot de zijne, zodat deze redengeving hierbij als herhaald moet worden beschouwd". De eerste rechter steunde op volgende motieven : "(...) dat zo conform artikel 1503 Gerechtelijk Wetboek de voorafgaande toelating van de beslagrechter vereist is om bewarend beslag te leggen buiten de woonplaats de miskenning van dit voorschrift de openbare orde niet raakt en als dusdanig niet de nietigheid van het beslag tot gevolg kan hebben ; (...) dat zo eisende partij zou kunnen aantonen dat het beslag ex artikel 1503 Gerechtelijk Wetboek ten onrechte werd gelegd dit zulks hoogstens kan leiden tot een schadevergoeding voor eisende partij ; (...) dat verwerende partij en de vrijwillig tussenkomende partij aan de hand van door hen voorgebrachte elementen als de vaststelling gedaan door de gerechtsdeurwaarder in zijn proces-verbaal van beslag dd. 26.6.2001 dat de vrachtwagen geparkeerd voor de winkel aan de Diepestraat ingeschreven stond op de naam van de beslagene en de foto's waaruit blijkt dat op die vrachtwagen het adres van de winkel aldaar vermeld staat, genoegzaam aantonen dat het aldaar ten laste van de BVBA Belgameubel gelegde bewarend beslag gerechtvaardigd was ; (...) dat eisende partij geen andere relevante argumenten aanbrengt ter ondersteuning van haar vordering tot nietigheid van het door gerechtsdeurwaarder op 26.6.2001 gelegde bewarend beslag op roerende goederen buiten woonplaats".
- Het bestreden arrest steunt daarenboven op volgende, eigen motieven : "(...)dat in feite moet worden benadrukt dat uit de volgende overgelegde stukken blijkt dat : - eerste (verweerster) kennelijk een vordering had (heeft) op de BVBA Belgameubel, handel in meubilair, uit een handelshuurovereenkomst betreffende een pand aan de Turnhoutsebaan 105 te Borgerhout, en waarvoor zij ter terechtzitting van 31 mei 2001 een vonnis bekwam van de Vrederechter te Borgerhout voor een provisie van 991,57 euro (40.000 BEF) ; - de BVBA Belgameubel, met aanvankelijk dezelfde maatschappelijke zetel als huidige (eiseres) namelijk aan de Stalingradlaan 14 te 1000 Brussel, was opgericht op 15 januari 1996 door R.A., de echtgenote van de zaakvoerder van huidige (eiseres), N.D.Y.; - voornoemde Y. per 28 november 2000 ook aandeelhouder werd van de BVBA Belgameubel ; - dat de BVBA Belgameubel haar maatschappelijke zetel overdroeg naar de Turnhoutsebaan 105 te Borgerhout vanaf 15 mei 2001 (zie de overgelegde publicaties in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad), hetzij twee maanden vooraleer zij op 28 augustus 2001 op bekentenis zou worden failliet verklaard ; - het pand aan de Turnhoutsebaan 105 te Borgerhout echter reeds sinds 10 januari 1996 als haar exploitatiezetel fungeerde (HRA 341.579) ; - (eiseres) werd opgericht onder de benaming SPRL Royal Meubel op 27 november 1998 met als maatschappelijk doel onder meer de verkoop van meubelen ; - Royal Meubel per 16 juli 1999 haar maatschappelijke benaming veranderde in I.T.S.T. en haar maatschappelijk doel in allerhande bezigheden in de telecommunicatie/teleboetiek en soortgelijken, terwijl per 1 januari 2001 N.D.Y. hoofdaandeelhouder werd ; - Per 5 april 2001 het maatschappelijk doel van ITST werd uitgebreid naar kleinhandel in meubelen, en met exploitatiezetel aan de Diepestraat 138 te Antwerpen (HRA 343.821) en met als handelsbenaming Meubelen Royal ; - Uit het beslagexploot van 26 juni 2001 blijkt dat ook nog in de Diepestraat een bestelwagen Renault met nummerplaat FJV 136 werd in beslag genomen, voertuig dat was ingeschreven op naam van Belgameubel, terwijl blijkens de overgelegde foto's het opschrift op het voertuig vermeldde "Meubelen Royal, Diepestraat, 2060 Antwerpen' ; (...) dat hier inderdaad een bewarend roerend 'beslag bij een derde' werd gelegd, namelijk een beslag op een andere plaats dan die waar de schuldenaar officieel blijkens het handelsregister is ingeschreven ; (...) dat hier enkel moet worden benadrukt dat het eigenmachtig optreden van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder, ttz. zonder voorafgaande machtiging van de beslagrechter, te dezen gerechtvaardigd is doordat de schuldenaar van eerste (verweerder), de BVBA Belgameubel, kennelijk meubelen 'verhuisde' naar een andere winkel aan het beslagadres, nadat zij haar betalingsbeloften niet nakwam ; Dat Belgameubel failliet werd verklaard op 28 augustus 2001 ; Dat aldus, wanneer, zoals blijkt uit wat voorafgaat, (eiseres) en Belgameubel zelf het onderscheid in hun rechtspersoonlijkheid niet respecteren en hun goederen feitelijk vermengen, derden die onderscheiden rechtspersoonlijkheid ook niet te respecteren hebben ; (...) dat bijgevolg rechtmatig en regelmatig bewarend beslag werd gelegd, zodat de onderscheiden vorderingen in hoger beroep, met inbegrip van de vordering tot schadeloosstelling, als ongegrond moeten worden afgewezen". Grieven
- Eerste onderdeel Schending van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 1389 van het Gerechtelijk Wetboek. 1.
- In haar verzoekschrift tot hoger beroep en in haar beroepsconclusie riep eiseres de nietigheid in van het beslagexploot in zover daarin als "beslagene" de BVBA Belgameubel met zetel te Antwerpen, Diepestraat nummer 138 werd vermeld terwijl uit de door eiseres ingeroepen stukken bleek dat de BVBA Belgameubel geen zetel had op het vermelde adres dat het adres was van een exploitatiezetel van eiseres. Eiseres besloot dat gezien de verkeerde aanduiding in het beslagexploot, deze akte, krachtens artikel 1389 van het Gerechtelijk Wetboek, door nietigheid was aangetast. Eiseres voerde tot staving van de op artikel 1389 van het Gerechtelijk Wetboek gesteunde nietigheidsgrond ook aan dat het exploot "in voorkomend geval" een "verkeerde persoon" (Belgameubel) als "beslagene" vermeldde "nu duidelijk was dat (eiseres) de reële "beslagene" (was). Het zijn immers de goederen van (eiseres) die zich op haar eigen zetel bevonden die in beslag werden genomen en het zijn immers haar goederen die werden gemobiliseerd". Eiseres onderstreepte tot staving van de ingeroepen nietigheidsakte dat haar "belangen" door de verkeerde vermeldingen in het beslagexploot "in elk geval gekrenkt" waren "omdat zij door deze foutieve vermeldingen in het beslagexploot, dan wel door het niet naleven van de wettelijke voorschriften inzake beslag bij derden, dan wel door een ongeoorloofde omkering van de bewijslast" (zij) niet de mogelijkheid wordt gegeven om haar verweer op een normale manier te voeren. 1.
- Noch door eigen motieven noch door de overgenomen redenen van de beschikking a quo, antwoordt het arrest op dit door eiseres op omstandige wijze ingeroepen middel van nietigheid van het exploot wegens verkeerde aanduidingen. De loutere verwijzing naar de vermeldingen zoals die voorkomen in het beslagexploot maakt geen antwoord uit nu precies, aan de hand van stukken, was aangeduid waarom die vermeldingen verkeerd waren. 1.
- Het arrest is derhalve, bij gebrek aan antwoord op de conclusie, niet regelmatig gemotiveerd waardoor het artikel 149 van de Grondwet schendt. 1.
- In zover het arrest -met verwijzing naar het beslagexploot- er blijkbaar van uit gaat dat de "beslagene" (BVBA Belgameubel) haar "winkel" had te 2060 Antwerpen, Diepestraat 138, is het aangetast door tegenstrijdigheid in de motivering nu het zelf vaststelt dat "uit de overgelegde stukken blijkt" dat bedoeld adres het adres is van de exploitatiezetel van eiseres. Gezien deze tegenstrijdigheid, is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de Grondwet. 1.5 In zover impliciet zou geoordeeld zijn dat de ingeroepen verkeerde vermeldingen de nietigheid van het beslagexploot niet konden meebrengen, schendt het arrest het door eiseres voor het appèlgerecht ingeroepen artikel 1389, in het bijzonder 1389, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek dat "op straffe van nietigheid" de aanduiding in het beslagexploot, van de naam en woonplaats van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, oplegt. 1.
- Nu het arrest, in deze hypothese, geenszins motiveert waarom de nietigheidssanctie ex artikel 1389 van het Gerechtelijk Wetboek, in casu niet toepasselijk was, plaatst het het Hof in de onmogelijkheid op dit punt zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en is het derhalve ook om die reden aangetast door een motiveringsgebrek waardoor artikel 149 van de Grondwet is geschonden.
- Tweede onderdeel Schending van de artikelen 149 van de Grondwet, 8 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 en 1503 van het Gerechtelijk Wetboek. 2.
- Voor het hof van beroep had eiseres de nietigheid van het gelegde beslag ingeroepen wegens het niet eerbiedigen van de procedure, voorgeschreven in artikel 1503 van het Gerechtelijk Wetboek, namelijk de in casu niet vervulde vereiste van de voorafgaande toestemming van de beslagrechter voor een "beslag bij derden". Deze miskenning van de door artikel gestelde vereiste leidde volgens eiseres tot "absolute nietigheid" van het beslag wegens schending van "woonst", derhalve van artikel 15 van de Grondwet en "internationale verdragen" die de onschendbaarheid van woonst waarborgen. 2.
- Het arrest overweegt dat "hier kennelijk een bewarend roerend 'beslag bij een derde' in de zin van artikel 1503 van het Gerechtelijk Wetboek gelegd werd, en hier zonder voorafgaandelijke rechterlijke machtiging". De beschikking a quo stelt dat "de miskenning" van het voorschrift van artikel 1503 van het Gerechtelijk Wetboek "de openbare orde niet raakt en als dusdanig niet de nietigheid van het beslag tot gevolg kan hebben (...)". 2.
- Noch door eigen motieven noch door de motieven van de beschikking a quo antwoordt het bestreden arrest op het door eiseres ingeroepen middel dat de miskenning van hetgeen door artikel 1503 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven is, namelijk de toelating van de beslagrechter, de absolute nietigheid van het beslag meebrengt wegens de "schending van woonst", derhalve wegens de aantasting van de door de Grondwet (artikel 15) en internationale verdragen gewaarborgde onschendbaarheid van woonst. 2.
- Bij gebrek aan antwoord op dit middel uit de conclusie van eiseres, is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het derhalve artikel 149 van de Grondwet. 2.
- In zover het arrest impliciet heeft geoordeeld dat artikel 15 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens, die de onschendbaarheid van de woning bekrachtigen, niet beletten dat beslag wordt gelegd bij een "derde" zonder voorafgaandelijke rechterlijke toelating en dat dergelijk beslag geldig is, schendt het genoemde verdragsbepalingen die de openbare orde raken. Gezien deze verdragsrechtelijke bescherming van de "onschendbaarheid van woonst" die ten grondslag ligt aan de vereiste van artikel 1503 Gerechtelijk Wetboek de voorafgaande toelating door de rechter dient aangenomen te worden dat, in strijd met de door het arrest (de beschikking a quo) verdedigde stelling, de miskenning van dit voorschrift wel degelijk de openbare orde raakt en derhalve de nietigheid van het beslag tot gevolg moet hebben. Door dit te ontkennen schendt het bestreden arrest zowel artikel 1503 van het Gerechtelijk Wetboek als de ingeroepen verdragsrechtelijke bepalingen.
- Derde onderdeel Schending van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 2, ,§4, van het Wetboek van Vennootschappen. 3.
- Het bestreden arrest oordeelt dat het beslag "rechtmatig en regelmatig" werd gelegd. Het steunt dit besluit op de overweging dat het "eigenmachtig optreden" van de gerechtsdeurwaarder, "t.t.z. zonder voorafgaande machtiging van de beslagrechter, te dezen gerechtvaardigd is doordat de schuldenaar van eerste (verweerster), de BVBA Belgameubel, kennelijk meubelen 'verhuisde' naar een andere winkel aan het beslagadres, nadat zij haar betalingsbeloften niet nakwam" en dat "aldus, wanneer, zoals blijkt uit wat voorafgaat, (eiseres) en Belgameubel zelf het onderscheid in hun rechtspersoonlijkheid niet respecteren en hun goederen feitelijk vermengen, derden die onderscheiden rechtspersoonlijkheid ook niet te respecteren hebben". De beschikking a quo (pagina 4, alinea 6) oordeelt anderzijds eveneens dat de verweerders "genoegzaam aantonen dat het aldaar (d.i. de winkel aan de Diepestraat) ten laste van de BVBA Belgameubel gelegde bewarend beslag gerechtvaardigd was". Volgens de beschikking hadden de verweerders dit "genoegzaam aangetoond aan de hand van door hen voorgebrachte elementen als de vaststelling gedaan door de gerechtsdeurwaarder in zijn proces-verbaal van beslag van 26 juni 2001 dat de vrachtwagen geparkeerd voor de winkel aan de Diepestraat ingeschreven stond op de naam van de beslagene en de foto's waaruit blijkt dat op die vrachtwagen het adres van de winkel aldaar vermeld staat". 3.
- Het oordeel van het hof van beroep dat de onderscheiden rechtspersoonlijkheid van eiseres door de verweerders niet diende erkend te worden nu eiseres en Belgameubel zelf dit onderscheid niet respecteerden en hun goederen feitelijk vermengden, kon niet wettig worden afgeleid uit de in het arrest (en de beschikking a quo) vermelde feiten : de eigen rechtspersoonlijkheid die krachtens het door eiseres in beroepsconclusies ingeroepen artikel 2, ,§4, van het Wetboek van Vennootschappen (artikel 2, lid 2, van het (oud) Wetboek van Koophandel, Titel IX Handelsvennootschappen) aan eiseres was toegekend, kon door het arrest op grond van vermelde elementen niet wettig, dit is zonder schending van bedoeld artikel 2, ,§4, van het Wetboek van de Vennootschappen (oud artikel 2, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel, Titel IX Handelsvennootschappen) worden terzijde gesteld. 3.3 Minstens is het arrest op dit punt niet regelmatig gemotiveerd bij gebrek aan antwoord op de conclusie waarin was aangevoerd waarom er geen reden was om de "rechtspersoonlijkheid te doorbreken" en aan te nemen dat er een vermenging van goederen zou zijn tussen Belgameubel en eiseres. Eiseres liet in dit verband o.m. gelden : - dat het "afzonderlijke rechtspersonen" (betrof) "die geen enkele juridisch relevante band hebben met elkaar, noch via aandeelhoudersstructuren, noch via hun organen van bestuur" ; - dat de bewering van het louter "verplaatsen" van goederen van Belgameubel in het arrest voorgesteld als een "kennelijk verhuizen van meubelen" "naar een andere winkel" een "gratuite bewering" was die geenszins beantwoordde aan de realiteit zoals uitvoerig beschreven in de beroepsconclusie ; - het louter feit dat een wagen met opschrift Meubelen Royal ingeschreven was op naam van Belgameubel en gebruikt werd door eiseres geenszins het besluit van vermenging van boedels toeliet ; - uit de door eiseres overgelegde boekhoudkundige en commerciële stukken bleek dat zij effectief eigenaar was van de goederen waarop beslag werd gelegd en die immers door haar werden besteld, aan haar werden geleverd en dienden voor de exploitatie van haar handelsactiviteit ; - dat eiseres zich in die omstandigheden terecht kon beroepen op het vermoeden van artikel 2279 B.W. zodat het aan verweerders toekwam te bewijzen dat de BVBA Belgameubel eigenaar was van de goederen. Het arrest dat aldus het gerechtvaardigd karakter van het beslag steunt op een beweerde "vermenging van boedels" en het feit dat Belgameubel de kwestieuze goederen louter zou verplaatst ("verhuisd") hebben naar een andere winkel, zonder te antwoorden op de bovenvermelde omstandige kritiek op deze stelling en op de middelen tot staving van de door eiseres verdedigde eigen rechtspersoonlijkheid, zonder boedelvermenging, en haar, door verweerders niet weerlegd, eigendomsrecht op de in beslag genomen goederen, is niet regelmatig gemotiveerd en schendt derhalve artikel 149 van de Grondwet. In zover de beschikking a quo (waarvan de motivering door het arrest wordt overgenomen) het beslag gerechtvaardigd acht op grond van de "door (verweerders) voorgebrachte elementen (...)"is het arrest door een bijkomend motiveringsgebrek aangetast (schending van artikel 149 van de Grondwet) nu deze overweging dermate vaag is dat zij het Hof niet toelaat zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ; artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart met bevestiging van de beschikking van 23 oktober 2001 van de Beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, de "vordering van eiseres tot nietigheid van het bewarend beslag op roerende goederen op 26.06.2001 door het ambt van (tweede verweerder) in opdracht van (eerste verweerder) ten laste van de BVBA Belgameubel, gelegd op het adres Diepestraat 138 te Antwerpen ontvankelijk doch ongegrond en wijzen haar ervan af" en veroordeelt eiseres tot de kosten. Grieven
- Zoals blijkt uit hetgeen hierboven is vermeld beperkt het arrest zich tot het ongegrond verklaren van de vordering tot nietigverklaring van het beslag zonder specifiek uitspraak te doen over de "in bijkomende orde" gevorderde opheffing van het beslag. Deze vordering tot opheffing werd ook afzonderlijk gemotiveerd op grond o.m. van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek met verwijzing naar rechtspraak en rechtsleer.
- Door geen uitspraak te doen over dit afzonderlijk punt van de vordering schendt het bestreden arrest artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek krachtens hetwelk de rechter uitspraak moet doen over elk punt van de vordering.
- In zover het bestreden arrest overweegt dat de "onderscheiden vorderingen in hoger beroep (...) als ongegrond moeten worden afgewezen" doch zich in het dispositief, door bevestiging van de bestreden beslissing, beperkt tot het ongegrond verklaren van de vordering tot nietigverklaring, is het arrest aangetast door tegenstrijdigheid, minstens onduidelijkheid waardoor het niet regelmatig gemotiveerd is (schending van artikel 149 van de Grondwet).
- Minstens is het bestreden arrest niet regelmatig gemotiveerd bij gebrek aan antwoord op eiseres' conclusie waarin de vordering tot opheffing uitdrukkelijk werd geformuleerd en gemotiveerd (zie boven nummer 1). Ook om die reden schendt het arrest artikel 149 van de Grondwet.
- Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de Grondwet ; de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ; de artikelen 1072 bis en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ; het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen (beschikkingsbeginsel) ; het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van de verdediging. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart de oorspronkelijke tegeneisen tot het bekomen van een schadevergoeding en de tegeneisen wegens tergend en roekeloos hoger beroep gegrond en veroordeelt eiseres tot het betalen van een schadevergoeding van 850,00 euro en 1.000,00 euro, hetzij in totaal 1.850,00 euro aan ieder van de beide verweerders. Dit oordeel wordt in het arrest gemotiveerd door de overweging dat eiseres "niet ernstig kon menen enig succes te kunnen behalen met haar 'verzet' respectievelijk 'beroep'". Daaruit wordt het "foutief" en "kennelijk dilatoir" karakter van het proceshandelen van eiseres afgeleid. Grieven In conclusie had eiseres onderstreept dat de vordering noch het beroep tergend en roekeloos waren en dat zij gesteund waren op "valabele en rechtens verantwoordde gronden die niet lichtzinnig en manifest roekeloos zijn ingeroepen". Als "bewijs" hiervan verwees eiseres naar de uitvoerige argumenten in feite en in rechte die (de verweerders) aanvoeren om toch maar het "rechtmatig karakter" van het beslag te rechtvaardigen, hetgeen daarom nog niet de handhaving ervan rechtvaardigt. In haar conclusies had verweerster zich beperkt tot het inroepen van het tergend en roekeloos karakter van het verzet en het hoger beroep van eiseres. Verweerder anderzijds achtte "het betrekken in het geding van de gerechtsdeurwaarder" eveneens tergend en roekeloos zonder enige nadere motivering. De verweerders lieten nergens gelden dat eiseres, zoals in het arrest wordt beweerd, "niet ernstig kon menen enig succes te kunnen behalen met haar 'verzet' respectievelijk 'beroep' zodat die als "kennelijk dilatoir en foutief" dienen te worden gekwalificeerd (zie het arrest pagina 8, lid 4 en 5). Door de veroordeling van eiseres wegens een beweerd "foutief proceshandelen" te steunen op dergelijke ambtshalve ingeroepen grond, heeft het arrest het beschikkingsbeginsel en artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek dat dit beginsel bekrachtigt, geschonden. Door eiseres niet in de gelegenheid te stellen zich op die ambtshalve ingeroepen grond te verdedigen, heeft het arrest ook de rechten van de verdediging geschonden. Minstens heeft het arrest niet geantwoord op de conclusie van eiseres waarin deze, zoals hierboven aangeduid, liet gelden waarom er geen sprake was van "tergend en roekeloos procederen". Bij gebrek aan antwoord op de conclusie, is het arrest derhalve niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet). Op grond van deze bovenvermelde redenen kon het arrest eiseres niet wettig tot schadevergoeding veroordelen wegens beweerd "tergend en roekeloos" d.i. "foutief" proceshandelen. Dit kon het doen noch op basis van de algemene bepalingen inzake niet contractuele aansprakelijkheid (de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek) noch op basis van artikel 1072bis Gerechtelijk Wetboek inzake "tergend en roekeloos" hoger beroep). Deze wetsbepalingen zijn derhalve door het arrest geschonden. IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Derde onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 1503, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, het beslag op roerend goed kan gedaan worden, met toelating van de rechter, buiten de woonplaats van de schuldenaar en bij een derde ; Dat een beslag gelegd op de plaats waarover de schuldenaar vrij beschikt doordat die plaats in het bezit is van een rechtspersoon die wettelijk niet onderscheiden kan worden van de schuldenaar niet geldt als een beslag buiten de woonplaats van de schuldenaar en bij een derde, in de zin van voormelde wetsbepaling ; Dat de omstandigheid dat een schuldenaar en degene bij wie formeel het beslag plaats grijpt hun boedels vermengen en geen respect hebben voor de wederzijdse rechtspersoonlijkheid, niet volstaat om de afzonderlijke rechtspersoonlijkheid van degene bij wie effectief beslag werd gelegd te negeren ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat het beslag gelegd werd niet bij de debiteur, de BVBA Belgameubel, maar wel bij eiseres, en dat aldus formeel bij een derde beslag gelegd werd ; Dat zij evenwel oordelen dat een formele machtiging om bij de derde beslag te leggen niet vereist was omdat eiseres en de BVBA Belgameubel het onderscheid in hun rechtspersoonlijkheid niet respecteren en hun goederen feitelijk vermengen ; Dat hun oordeel dat geen rechterlijke toelating vereist was voor het beslag ten huize van eiseres noodzakelijk hierop rust ; Overwegende dat de appèlrechters niet zonder schending van de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen van de vennootschapswet vermochten te beslissen dat de vermenging van de boedels tot gevolg had dat het beslag gelegd in de Diepestraat in Antwerpen geen toelating behoefde om reden dat met de rechtspersoonlijkheid van eiseres geen rekening moest worden gehouden ; Dat het onderdeel in zoverre gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050624.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div