← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050624.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050624.7 Rolnummer: S.04.0150.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-10-19 Raadplegingen: 705 - laatst gezien 2026-07-04 16:35 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Hoger beroep tegen het vonnis waarbij de rechter zich bevoegd of onbevoegd verklaart is slechts mogelijk nadat de rechter die zich bevoegd heeft verklaard of de als bevoegd aangewezen rechter een eindvonnis heeft gewezen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid

(1). De rechter die de vordering ontvankelijk verklaart maar zich vervolgens onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar een andere rechter beperkt zich niet tot een beslissing over zijn bevoegdheid.
(1)Cass., 13 feb. 2003, AR C.00.0411.N, nr 103. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Beslissing inzake bevoegdheid Hoger beroep Ontvankelijkheid Hoger beroep tegen eindvonnis Fiche 2 De artikelen 200 juncto 216, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bieden de mogelijkheid om openstaande plaatsen van werkend of plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken voorlopig te bezetten, en dit, gebeurlijk zonder inachtneming van de bijzondere samenstelling van de kamers, zoals bepaald in artikel 104 van hetzelfde wetboek. Aldus is het mogelijk een raadsheer in sociale zaken benoemd als zelfstandige aan te wijzen om zitting te houden in de plaats van een raadsheer in sociale zaken benoemd als werkgever
(1).
(1)Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, was het openbaar ministerie van oordeel dat de rechter die de vordering zonder meer "ontvangt" doch geen enkele beslissing neemt behoudens de onbevoegdheidverklaring en de verwijzing naar de als bevoegd aangewezen rechter, zich wel beperkt tot een beslissing over zijn bevoegdheid. De rechter die zich onbevoegd verklaart kan immers bezwaarlijk enige andere beslissing nemen, ook niet over de ontvankelijkheid van de vordering. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociale zaken (bijzondere regels) Vrije woorden: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociale zaken (bijzondere regels) Arbeidshof Vervanging van werkende of plaatsvervangende raadsheren Afwijking van de regels betreffende de samenstelling van de kamers Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.81,101,t Tekst van de beslissing Nr. S.04.0150.N.- STOCKPLASTICS-VORMSPUITWERK, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met vennootschapszetel te 8750 Zwevezele, Schoolstraat 54, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen B.Y., verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 april 2004 gewezen door het Arbeidshof te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
  1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1050, tweede lid, 1055 en 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing In het bestreden arrest verklaart het arbeidshof, recht sprekende over de vordering van verweerder, het hoger beroep van verweerder ontvankelijk op grond van de volgende motieven : "
  2. Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het is ontvankelijk" (blz. 1, laatste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof beslist eveneens dat, aangezien verweerder door een arbeidsovereenkomst verbonden was met eiseres, de arbeidsgerechten wel degelijk bevoegd zijn (blz. 12, tweede alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof trekt de zaak aan zich "voor wat betreft de vordering van (verweerder) met betrekking tot de opzeggingsvergoeding, het achterstallig loon voor juli 2000, de kostenvergoeding, het saldo groepsverzekering, het vakantiegeld 1999 en 2001-2002, de pro rata bonus 2001" (blz. 13, midden, en blz. 12, derde alinea, van het bestreden arrest). Grieven 1.1 Eerste onderdeel
  3. Krachtens artikel 1050, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan in alle zaken hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis. Artikel 1050, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt evenwel dat tegen een beslissing inzake bevoegdheid slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis. Overeenkomstig artikel 1055 van het Gerechtelijk Wetboek kan tegen ieder vonnis alvorens recht te doen of tegen ieder vonnis inzake bevoegdheid, zelfs al is het zonder voorbehoud ten uitvoer gelegd, hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd als tegen het eindvonnis. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 3 augustus 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij in voormeld artikel 1050 een tweede lid werd ingevoegd en voormeld artikel 1055 werd gewijzigd, blijkt dat een eindvonnis in de zin van die wetsbepalingen een vonnis is inzake de ontvankelijkheid of de gegrondheid, uitgesproken door de rechter die zich bevoegd heeft verklaard, dan wel door de als bevoegd aangewezen rechter. Er staat dan ook niet onmiddellijk hoger beroep open tegen het vonnis waarbij de aangesproken rechter zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de volgens hem bevoegde rechter. Dergelijk hoger beroep is slechts mogelijk nadat de als bevoegd aangewezen rechter een eindvonnis heeft gewezen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid.
  4. De beslissing waarmee de Arbeidsrechtbank te Brugge zich in zijn in eerste aanleg gewezen vonnis van 3 december 2001 onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vordering en de zaak verwijst naar de volgens haar bevoegde rechtbank, zijnde de Rechtbank van Koophandel te Brugge, is een beslissing inzake bevoegdheid. Verweerder tekende bij verzoekschrift dat hij op 6 februari 2002 neerlegde ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, hoger beroep aan tegen het voornoemde vonnis. Uit de stukken waarop uw Hof acht mag slaan, blijkt niet en het arbeidshof stelt in het bestreden arrest niet vast dat de Rechtbank van Koophandel te Brugge, die als bevoegde rechter werd aangewezen, een vonnis wees over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering van de verweerder en in ieder geval is het hoger beroep van verweerder maar aangetekend tegen één vonnis, met name het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brugge van 3 december 2001 waarin die rechtbank zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van de vordering. Aangezien de Rechtbank van Koophandel te Brugge, zijnde de als bevoegd aangewezen rechtbank, op 6 februari 2002 geen eindvonnis in de zin van artikel 1050, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek had gewezen, kon verweerder op dat ogenblik geen ontvankelijk hoger beroep instellen tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brugge van 3 december 2001 waarin die rechtbank zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van de vordering. Door het hoger beroep van verweerder tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brugge van 3 december 2001 waarbij die rechtbank zich onbevoegd verklaarde en de zaak verwees naar de Rechtbank van Koophandel te Brugge, ontvankelijk te verklaren, schendt het arbeidshof de artikelen 1050, tweede lid, en 1055 van het Gerechtelijk Wetboek. Het arbeidshof beslist niet wettig dat het hoger beroep van verweerder tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brugge van 3 december 2001 waarbij die rechtbank zich onbevoegd verklaarde en de zaak verwees naar de Rechtbank van Koophandel te Brugge, ontvankelijk is (schending van de artikelen 1050, tweede lid, en 1055 van het Gerechtelijk Wetboek). 1.2 Tweede onderdeel Het arbeidshof trekt de zaak aan zich "voor wat betreft de vordering van (verweerder) met betrekking tot de opzeggingsvergoeding, het achterstallig loon voor juli 2000, de kostenvergoeding, het saldo groepsverzekering, het vakantiegeld 1999 en 2001-2002, de pro rata bonus 2001" (blz. 13, midden en blz. 12, derde alinea, van het bestreden arrest). Artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep. Enkel een ontvankelijk hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen maakt evenwel het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep. Aangezien het arbeidshof, zoals uiteengezet in het eerste onderdeel, niet wettig het hoger beroep van verweerder ontvankelijk verklaart, kan het ook niet wettig de zaak aan zich trekken. Door dit toch te doen, schendt het arbeidshof dan ook artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het arbeidshof trekt niet wettig de zaak aan zich (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen).
  5. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 104, eerste en tweede lid, 200 en 216, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek ; voor zoveel als nodig, de artikelen 81, 578, 1°, 607, 779, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest van 27 april 2004 werd gewezen door de zevende kamer van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, samengesteld uit : "E.D., raadsheer in het Arbeidshof, voorzitter ; A.D., raadsheer in sociale zaken, benoemd als zelfstandige (artikel 200 van het Gerechtelijk Wetboek) ; G.D., raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-bediende" (blz. 13, laatste alinea, van het bestreden arrest). Grieven 1 . De arbeidsrechtbank neemt overeenkomstig artikel 578, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek kennis van geschillen inzake arbeidsovereenkomsten met inbegrip van die welke betrekking hebben op schending van het fabrieksgeheim gedurende die overeenkomst. Overeenkomstig artikel 607 van het Gerechtelijk Wetboek neemt het arbeidshof kennis van het hoger beroep tegen beslissingen in eerste aanleg van de arbeidsrechtbanken. Krachtens artikel 779, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat in beroep toepasselijk is ingevolge artikel 1042 van hetzelfde wetboek, kan het vonnis enkel gewezen worden door het voorgeschreven aantal rechters. Het arbeidshof bestaat, krachtens artikel 104, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, uit kamers die zitting houden met een raadsheer in het arbeidshof en, naar gelang van het geval, met twee of vier raadsheren in sociale zaken. Artikel 104, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de kamers van het arbeidshof die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1°, 2°, 3° en 7°, buiten de voorzitter, uit een raadsheer in sociale zaken benoemd als werkgever en een raadsheer in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider of als werknemer-bediende, naar gelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer, bestaan. Krachtens artikel 216, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek is artikel 200 van het voornoemde wetboek van toepassing op de werkende en de plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken. Artikel 200 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer openstaande plaatsen van werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken niet tijdig zijn kunnen begeven worden en wanneer de voorzitter van de arbeidsrechtbank vaststelt dat die vertraging de normale loop van het gerecht in het gedrang brengt, hij dit dan meedeelt aan de eerste voorzitter van het arbeidshof die, na het advies van de procureur-generaal te hebben ingewonnen, onder de werkende of plaatsvervangende rechters in sociale zaken die respectievelijk door de representatieve organisaties van werkgevers, van werknemers en van zelfstandigen werden voorgedragen, diegenen aanwijst die voorlopig de openstaande plaatsen zullen bezetten. Die aanwijzing gebeurt zonder inachtneming van de bijzondere samenstelling van de kamers, bedoeld in artikel
  6. Op grond van artikel 200 van het Gerechtelijk Wetboek kan derhalve, wanneer openstaande plaatsen voor raadsheer in sociale zaken niet tijdig begeven zijn kunnen worden, een andere raadsheer in sociale zaken aangewezen worden om voorlopig de openstaande plaatsen te bezetten. Artikel 200 van het Gerechtelijk Wetboek biedt evenwel niet de mogelijkheid om bij niet-tijdige bezetting van openstaande plaatsen af te wijken van de samenstelling voorgeschreven door artikel 104, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en een raadsheer in sociale zaken benoemd als zelfstandige aan te wijzen om zitting te houden in de plaats van een raadsheer in sociale zaken benoemd als werkgever.
  7. Aangezien het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brugge van drie december 2001, waartegen verweerder hoger beroep instelde bij het Arbeidshof te Gent, een vonnis uitmaakt betreffende aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek (en verweerder zich als een bediende beschouwde), diende de kamer van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, die kennis nam van het geschil, krachtens artikel 104, tweede lid, van het voornoemde wetboek samengesteld te zijn uit een voorzitter, een raadsheer in sociale zaken benoemd als werkgever en een raadsheer in sociale zaken benoemd als werknemer (-bediende). De zevende kamer van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, diende aldus in deze zaak samengesteld te zijn met een raadsheer in sociale zaken benoemd als werkgever en niet met een raadsheer in sociale zaken benoemd als zelfstandige. Uit het dossier van de rechtspleging en de vermeldingen van het bestreden arrest blijkt dat de zaak werd behandeld en het arrest werd gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, samengesteld uit E.D., raadsheer in het Arbeidshof, voorzitter, A.D., raadsheer in sociale zaken, benoemd als zelfstandige en G.D., raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-bediende (blz. 13, laatste alinea, van het bestreden arrest). Mevrouw A.D. werd inderdaad bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 oktober 2002 houdende benoeming van raadsheren en rechters in sociale zaken, als zelfstandige, bij de arbeidshoven en -rechtbanken, voor een termijn van vijf jaar, met ingang van 1 november 2002, tot raadsheer in sociale zaken, "als zelfstandige" bij het Arbeidshof te Gent benoemd. Het bestreden arrest werd gewezen door een kamer van het arbeidshof die onregelmatig was samengesteld en het is dan ook nietig. Het arbeidshof kon in die samenstelling niet wettig oordelen over deze zaak (schending van de artikelen 104, eerste en tweede lid, 200 en 216, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 81, 578, 1°, 607, 779, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof
  8. Eerste middel 1.
  9. Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 1050, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek in alle zaken hoger beroep kan worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken zelfs al is dit een vonnis alvorens recht te doen of een verstekvonnis ; Dat evenwel, krachtens het tweede lid van hetzelfde artikel, tegen een beslissing inzake bevoegdheid slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis ; Dat, overeenkomstig artikel 1055 van ditzelfde wetboek, tegen ieder vonnis alvorens recht te doen of tegen ieder vonnis inzake bevoegdheid, zelfs al is het zonder voorbehoud ten uitvoer gelegd, hoger beroep kan worden ingesteld tegelijkertijd als tegen het eindvonnis ; Overwegende dat uit de wetsgeschiedenis van de wet van 3 augustus 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij voormeld artikel 1050, tweede lid, werd ingevoegd en voormeld artikel 1055 werd gewijzigd, blijkt dat een eindvonnis in de zin van deze wetsbepalingen een vonnis inzake de ontvankelijkheid of de gegrondheid, uitgesproken door de rechter die zich bevoegd heeft verklaard dan wel door de als bevoegd aangewezen rechter ; Dat hieruit volgt dat niet onmiddellijk hoger beroep open staat tegen het vonnis waarbij de rechter zich bevoegd of onbevoegd verklaart en dergelijk hoger beroep slechts mogelijk is nadat de rechter die zich bevoegd heeft verklaard of de als bevoegd aangewezen rechter een eindvonnis heeft gewezen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brugge van 3 december 2001 de vordering van verweerder ontvankelijk heeft verklaard en de rechter vaststelde dat de zaak niet tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoort en de zaak verzond naar de Rechtbank van Koophandel te Brugge ; Dat de eerste rechter zich aldus niet beperkt heeft tot een beslissing over zijn bevoegdheid maar zich ook heeft uitgesproken over de ontvankelijkheid van de vordering ; Dat het arrest dat het hoger beroep van verweerder ontvankelijk verklaart, geen van de aangewezen wetsbepalingen schendt ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 1.
  10. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel geen zelfstandige grief bevat maar is afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde schending van de artikelen 1050 en 1055 van het Gerechtelijk Wetboek ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ;
  11. Tweede middel Overwegende dat, krachtens artikel 104, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de kamers die kennis nemen van het hoger beroep tegen een vonnis betreffende aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1°, buiten de voorzitter, bestaan uit een raadsheer in sociale zaken benoemd als werkgever en een raadsheer in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider of als werknemer-bediende, naargelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer ; Dat, krachtens artikel 200 van ditzelfde wetboek, wanneer openstaande plaatsen van werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken niet tijdig kunnen begeven worden en wanneer de voorzitter van de arbeidsrechtbank vaststelt dat die vertraging de normale loop van het gerecht in het gedrang brengt, de voorzitter dit meedeelt aan de eerste voorzitter van het arbeidshof die, na advies van de procureur-generaal te hebben ingewonnen, onder de werkende of plaatsvervangende rechters in sociale zaken die respectievelijk door de representatieve organisaties van werkgevers, van werknemers en van zelfstandigen werden voorgedragen, diegenen aanwijst die voorlopig de openstaande plaatsen zullen bezetten ; dat die aanwijzing gebeurt zonder inachtneming van de bijzondere samenstelling van de kamers, bedoeld in artikel 81 ; Dat dit artikel, krachtens artikel 216 van het Gerechtelijk Wetboek, overeenkomstig van toepassing is op de werkende en plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken ; Dat dit artikel aldus niet alleen de mogelijkheid biedt af te wijken van de regels betreffende de samenstelling van de kamers zoals in artikel 81 voor de arbeidsrechtbanken is bepaald, maar ook voor de arbeidshoven, zoals is bepaald in artikel 104 ; Dat het middel faalt naar recht ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van zesenzeventig euro vierendertig cent jegens de eisende partij en op de som van driehonderd achttien euro drieënveertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050624.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090120.16 ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090330.1 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141003.2 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151008.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171005.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250210.3F.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060306.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100315.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.