← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050624.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050624.8 Rolnummer: C.02.0433.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2005-10-19 Raadplegingen: 516 - laatst gezien 2026-07-04 14:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche De gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een belastingverhoging door de minister van Financiën is een gunstmaatregel waardoor het fiscaal bestuur afziet van de uitvoering van de opgelegde belastingverhoging en van de erop verschuldigde intresten, die evenwel niet leidt tot een vermindering van de verschuldigde inkomstenbelasting en van de erop betrekking hebbende interest. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Sancties. Verhogingen. Administratieve boeten. Straffen Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Sancties. Verhogingen. Administratieve boeten. Straffen Belastingverhoging Kwijtschelding door de minister van Financiën Wettelijke bepalingen: Wet - 12-06-1992 - Art.415,§1,e Tekst van de beslissing Nr. C.02.0433.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen te Sint-Truiden, Cicindriawijk, Abdijstraat 6, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. P.R., en zijn echtgenote, 2. O.C., verweerders. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 december 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Feiten De feiten kunnen op grond van de stukken waarop het hof vermag acht te slaan, als volgt worden samengevat : 1) de verweerders werden in 1991 belast voor een bedrag van 4.162.132 BEF voor het aanslagjaar 1989 (artikelnummer : 1730841) ; 2) aan de verweerders werden, in toepassing van artikel 415, eerste lid, sub 3, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen

(1992), met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 1990 nalatigheidintresten ten bedrage van 1.048.896 BEF aangerekend op de belastingen verschuldigd voor aanslagjaar 1989 ; 3) de bedoelde intresten werden onder meer aangerekend ingevolge de toegepaste belastingverhoging ; 4) de gewestelijke directeur deed op 10 maart 1994 uitspraak over een bezwaarschrift tegen de aanslag waarbij de betwiste aanslag gedeeltelijk werd ontheven ten belope van 519.727 BEF en de belastingverhoging herleid ; 5) bij beslissing van de minister van Financiën van 12 mei 1995, getroffen in toepassing van artikel 9 van het besluit van de Regent van 18 maart 1831, werd kwijtschelding verleend van de opgelegde belastingverhoging ten bedrage van 50 pct. ; 6) bij beslissing van de gewestelijke directeur te Hasselt van 13 september 1995, getroffen in uitvoering van de ministeriële beslissing van 12 mei 1995, werd de ontheffing van de aanslag met artikelnummer 173084 bevolen ten bedrage van de som van 733.043 BEF, zijnde de aangerekende belastingverhoging, die reeds bij directoriale beslissing van 10 maart 1994 ten bedrage van 86.647 BEF werd ontheven ; De verweerders vorderen de volledig betaalde interest terug. IV. Middel Eiser stelt in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen het besluit van de minister van Financiën, van 12 mei 1995, waarbij aan de verweerders kwijtschelding wordt verleend van de belastingverhoging, ten bedrage van 50 pct., opgenomen in de aanslag artikel 1730841, aanslagjaar 1989, te Sint-Truiden ; artikel 415, ,§1, aanhef, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), in de tekst zoals gewijzigd bij de wet van 28 december 1992 ; de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest, wijzigende de uitspraak van de eerste rechter en opnieuw recht doende, verklaart de vordering van de verweerders gegrond en veroordeelt eiser aan de verweerders te betalen de som van 1.048.896 BEF, te vermeerderen met gerechtelijke intresten en kosten, na ten gronde het volgende te hebben overwogen : "(...) dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de kwestieuze intresten, in toepassing van art. 415, ,§1, WIB 92, werden in rekening gebracht, ingevolge de ten name van (de verweerders) gevestigde aanslag artikel 1730841 ; Dat deze aanslag wat de aangerekende belastingverhoging van 50 pct. betreft zijnde 733.403 BEF bij directoriale beslissing d.d. 13 september 1995 werd tenietgedaan en ontheven ten bedrage van voornoemd bedrag ; dat deze beslissing werd getroffen door de gewestelijke directeur ingevolge het ministerieel besluit d.d. 12 mei 1995 ; (...) dat dan ook ingevolge de directoriale beslissing d.d. 13 september 1995 de betwiste aanslag artikel 1730841 werd tenietgedaan in de mate dat een belastingverhoging ten bedrage van 50 pct. werd opgelegd ; Dat derhalve met (de verweerders) dient vastgesteld dat ingevolge de voornoemde beslissing, de administratie over geen titel meer beschikt om de kwestieuze verhogingen op te vorderen, en dat zij evenmin enig recht bezit om de nalatigheidintresten ten bedrage van 1.048.896 BEF op te vorderen ; Dat ingevolge de voornoemde beslissing de opgelegde belastingverhoging onbestaande is geworden en in genendele de toepassing van art. 415, ,§1, WIB
(92)verantwoordt ; Dat de verwijzing door (eiser) naar de bepalingen met betrekking tot het genaderecht van de Koning in verband met opgelegde straffen te dezen geheel geen toepassing vindt ; dat inderdaad zoals (de verweerders) terecht betogen het genaderecht van de Koning betrekking heeft op de uitvoering van de opgelegde straf, terwijl in casu ontegensprekelijk uit de bewoordingen van de directoriale beslissing blijkt dat de beweerde strafmaatregel zijnde de belastingverhoging integraal werd tenietgedaan en dat dienvolgens de kwestieuze 'straf' onbestaande is geworden ; Dat dan ook te dezen geenszins sprake kan zijn van een gunstmaatregel met betrekking tot de uitvoering van de straf, doch integendeel duidelijk blijkt dat de 'opgelegde strafmaatregel' ongedaan werd gemaakt door de Ministeriële en Directoriale beslissing ; (...) dat dienvolgens, ingevolge de voornoemde beslissingen, in casu de titel inhoudende de aanrekening van de belastingverhoging ten bedrage van 50 pct. onbestaande is geworden ; Dat dan ook te dezen geen aanleiding meer bestaat tot toepassing van art. 415, ,§1, WIB '92, en de aangerekende intresten aan de eisers dienen terugbetaald". Grieven Belastingverhogingen zijn repressieve maatregelen, ingevoerd om de juiste heffing van de belastingen te verzekeren. Deze repressieve maatregelen kunnen krachtens artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831, het voorwerp uitmaken van een maatregel van kwijtschelding vanwege de minister van Financiën. In tegenstelling tot directoriale beslissingen, getroffen in toepassing van artikel 366 en volgende, WIB 1992, waarbij geoordeeld wordt over de wettelijkheid van een toegepaste belastingverhoging, is het ministerieel besluit houdende kwijtschelding van een belastingverhoging een loutere gunstmaatregel, waarbij de tenuitvoerlegging van de strafmaatregel wordt opgeheven, zonder evenwel aan het principe van de sanctie zelf te tornen. Zulk besluit kan aldus gelijkgesteld worden met een in andere aangelegenheden door de Koning verleend genadebesluit. De draagwijdte van een gunstmaatregel kan niet verder reiken dan uit de gebruikte termen blijkt. Zij heeft uitwerking op de datum waarop zij getroffen wordt. Zij ontneemt niets aan het feit dat deze strafmaatregel bestaan heeft, maar stelt de betrokken persoon vrij van de uitvoering ervan in de toekomst. Behoudens wanneer dit uitdrukkelijk zou toegestaan worden, heeft zij derhalve geen retroactieve werking. Dit is dan ook het geval voor het terzake besproken ministerieel besluit van 12 mei 1995. Ten opzichte van de nalatigheidsintresten, die krachtens artikel 415, WIB 1992, op ingekohierde belastingverhogingen verschuldigd zijn, heeft de gunstmaatregel wel tot gevolg dat op de kwijtgescholden belastingverhoging geen intrest meer voor de toekomst kan gevorderd worden, maar ontneemt niets aan het feit dat nalatigheidintresten voordien wel verschuldigd waren. Het ministerieel besluit van 12 mei 1995, waarbij de besproken kwijtschelding verleend werd, bevat geen enkele vermelding die zou wijzen op een retroactieve werking van de toegestane gunstmaatregel. Deze intresten blijven dus wel verschuldigd voor de periode die de kwijtschelding voorafgaat. Uit deze ontleding blijkt ook dat de uitvoering van het besluit tot kwijtschelding, welke met name gebeurde door het ontheffingsbericht van 13 september 1995, evenmin retroactieve kwijtschelding kan verlenen voor de intresten verschuldigd uit hoofde van de periode die de kwijtschelding voorafging. Dit bericht kan niet aangemerkt worden als een directoriale beslissing van ontheffing in de zin van artikel 375, WIB 1992 (in de tekst zoals van kracht in 1995), nu er terzake geen bezwaarschrift bestond, de directeur in deze verrichting geen eigen bevoegdheid tot beslissing uitoefende, en enkel overging tot de materiële uitvoering van de reeds toegestane kwijtschelding. Het houdt niet in dat de vermelde aanslag zou tenietgedaan zijn in de mate dat een belastingverhoging werd opgelegd, en spreekt geen retroactieve nietigheid uit van de vermelde aanslag. Besluit Hieruit volgt dat door de draagwijdte van de bij ministerieel besluit van 12 mei 1995 toegestane kwijtschelding van belastingverhoging uit te breiden tot de voor die datum verschuldigde intresten op die belastingverhoging , het arrest dit ministerieel besluit en tevens artikel 415, ,§1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, in de tekst zoals in voege na de wijziging van dit artikel bij de wet van 28 december 1992, geschonden heeft, Of, indien dit ministerieel besluit geen wet is in de zin van artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek, heeft het arrest de bewijskracht van dit ministerieel besluit geschonden door eraan een retroactieve werking toe te kennen, die in de tekst niet is voorzien (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek), Hieruit volgt tevens dat, door aan het bericht van ontheffing door de directeur op 13 september 1995 aan verweerders gestuurd, de kenmerken toe te kennen van een directoriale beslissing zoals bedoeld in artikel 375, WIB 1992, en te zeggen dat door deze beslissing de opgelegde belastingverhoging onbestaande is geworden, het arrest aan dit bericht een inhoud toekent die met termen ervan onverenigbaar is (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek), en rechtsgevolgen toeschrijft die zulk bericht niet kan hebben (schending van de overige in de aanhef van het middel aangeduide wetsbepalingen). V. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 415, ,§1, eerste lid, sub 3, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, nalatigheidsintrest verschuldigd is vanaf 1 juli van het tweede jaar van het aanslagjaar op alle sommen, andere dan de onroerende, roerende en bedrijfsvoorheffingen, opgenomen in kohieren die uitvoerbaar werden verklaard na 30 juni van hetzelfde jaar, wanneer de aanslag werd ingekohierd met een belastingverhoging waarvan het toe te passen percentage, overeenkomstig de in uitvoering van artikel 444, eerste lid, van het voornoemd Wetboek vastgestelde schaal minstens 50 procent bedraagt ; Dat die maatregel, die tot gevolg heeft dat de verschuldigde belasting reeds rente draagt voor het tijdstip van inkohiering, wil tegengaan dat de nalatige of onwillige belastingplichtigen, aan wie een belastingverhoging van die omvang werd opgelegd, een financieel voordeel verwerven uit de omstandigheid dat het fiscaal bestuur moet gebruik maken van de bijzondere aanslagtermijnen om de belasting of de aanvullende belasting in verband met de niet aangegeven inkomsten te vestigen ; Overwegende dat artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 aan de minister van Financiën de bevoegdheid toekent om kwijtschelding te verlenen van fiscale boeten en belastingverhogingen ; Overwegende dat het ministerieel besluit dat bij toepassing van artikel 9 van dit Regentsbesluit een kwijtschelding of vermindering van de belastingverhoging toestaat, een gunstmaatregel is waardoor het fiscaal bestuur afziet van de uitvoering van de opgelegde belastingverhoging en van de erop verschuldigde intresten ; Dat de gehele of gedeeltelijke kwijtschelding door de minister van Financiën van een belastingverhoging evenwel niet leidt tot een vermindering van de verschuldigde inkomstenbelasting en van de erop betrekking hebbende interest ; Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat "ingevolge de ministeriële en directoriale beslissing duidelijk blijkt dat de opgelegde strafmaatregel ongedaan werd gemaakt en dat dienvolgens de titel inhoudende aanrekening van de belastingverhoging ten bedrage van 50 procent onbestaande is geworden" en hieruit afleiden dat "er te dezen geen aanleiding meer bestaat tot toepassing van artikel 415, eerste lid, sub 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en dat bijgevolg de aangerekende intresten (op de verschuldigde belasting en op de opgelegde belastingverhoging) aan (verweerders) moeten terugbetaald worden" ; dat zij op die gronden eiser veroordelen om de nalatigheidsintresten ten bedrage van 1.048.896 BEF, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten, terug te betalen aan verweerders ; Dat zij aldus artikel 415, ,§1, eerste lid, sub 3, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 schenden ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit de voorziening ontvankelijk verklaart ; Beveelt dat van dit arrest melding zal gemaakt worden op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Luc Huybrechts, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns en in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050624.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.