id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050627.3 Rolnummer: S.04.0187.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-02-03 Raadplegingen: 729 - laatst gezien 2026-07-04 14:48 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De arbeidsrechtbank oefent een toezicht met volle rechtsmacht uit op de beslissing van het Openbaar Centrum van Maatschappelijk Welzijn, hetgeen hem toelaat in de beoordeling van de feiten te treden en uitspraak te doen over het recht op het bestaansminimum en de maatschappelijke dienstverlening
(1).
(1)Zie Cass., 18 juni 2001, AR S.90.0170.F, nr 370. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociale zaken (bijzondere regels) Vrije woorden: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociale zaken (bijzondere regels) Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn Recht op maatschappelijke dienstverlening Geschil Arbeidsrechtbank Verplichting van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - Art.62bis Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Vrije woorden: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Maatschappelijke dienstverlening Beslissing Geschil Arbeidsrechtbank Verplichting van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - Art.62bis Fiches 3 - 4 De vaststelling door de rechter van de nietigheid van de beslissing van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn wegens niet-naleving van de formele motiveringsplicht, doet niet af aan zijn bevoegdheid uitspraak te doen over de rechten die voor de aanvrager voortvloeien uit de wettelijke bepalingen inzake het bestaansminimum en de maatschappelijke dienstverlening; de rechter mag het recht op bestaansminimum of maatschappelijke dienstverlening slechts erkennen, indien hij oordeelt dat de aanvrager aan alle wettelijke vereisten voldoet om daarop recht te hebben
(1).
(1)Zie Cass., 12 nov. 2001, AR S.01.0023.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011112.11, n° 612; zie ook Cass., 17 dec. 2001, AR S.00.0012.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011217.8, n° 707, met concl. eerste adv.-gen. LECLERCQ in Pas. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociale zaken (bijzondere regels) Vrije woorden: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociale zaken (bijzondere regels) Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn Maatschappelijke dienstverlening Administratieve beslissing Nietigheid Gebrek aan motivering Geschil Arbeidsrechtbank Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - Artt.1,2en3 Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Vrije woorden: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Maatschappelijke dienstverlening Administratieve beslissing Nietigheid Gebrek aan motivering Arbeidsrechtbank Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - Artt.1,2en3 Tekst van de beslissing Nr. S.04.0187.N.- D.R. eiser, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van 14 december 2004, nr. G.04.0135.N, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN TE ANTWERPEN, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 32, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 september 2004 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukke-lijke motivering van de bestuurshandelingen ; - artikel 62bis van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van eiser, het hoger beroep van eiser ontvankelijk doch ongegrond. Het arbeidshof bevestigt het vonnis van 15 december 2003 waarin de door eiser bestreden beslissingen van het bijzonder comité voor sociale bijstand van verweerder van 20 augustus 2003 werden bevestigd. Het arbeidshof beslist dat op grond van de volgende motieven : "
- Ten gronde : 4.
- afschaffing van financiële steun, waarborg verpleging en huur- en verwarmingstoelage met ingang van 1 september 2003 De betwisting blijft beperkt tot de periode van 1 september 2003 tot en met 29 oktober
- Artikel 60, ,§ 1, van de OCMW-wet van 8 juli 1976 bepaalt : 'De tussenkomst van het centrum is, zo nodig, voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen voorstelt om daarin te voorzien. De betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend. Het verslag van het sociaal onderzoek opgesteld door een maat-schappelijk werker bedoeld in artikel 44 geldt tot bewijs van het tegendeel wat betreft de feitelijke vaststellingen die daarin op tegensprekelijke wijze zijn opgetekend (...)'. Een sociaal onderzoek werd ingesteld. Zo'n sociaal onderzoek heeft tot doel na te gaan of de aanvrager van maatschappelijke dienstverlening voldoet aan de wettelijke voorwaarden om er aanspraak op te maken. Te dien einde moet een duidelijk inzicht in de bestaansmiddelen waarover de aanvrager beschikt worden verkregen. De aanvrager heeft de plicht om hieraan voluit mee te werken en volledige en juiste informatie te verschaffen, die vervolgens ook controleerbaar moet kunnen zijn door het OCMW. Uit de hierboven weergegeven feiten blijkt dat (eiser) niet bereikbaar was in de betwiste periode en dat hij naliet de noodzakelijke inlichtingen te verschaffen. Er wordt niet aangetoond dat hij daadwerkelijk in Antwerpen verbleef. Vermoed werd dat hij in Luik vertoefde. De eerste rechter besliste terecht dat (eiser) in die omstandigheden geen aanspraken kon maken op het gevorderde. Het hoger beroep is ongegrond". Grieven
- Krachtens de artikelen 1 en 57, ,§ 1, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, hieronder afgekort als OCMW-wet, heeft elke persoon recht op maatschappelijke dienstverlening en heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak aan de personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is. Krachtens artikel 62bis van dezelfde wet wordt de beslissing inzake individuele hulpverlening genomen door de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk werk of door een van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen en is de beslissing met redenen omkleed. Luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, hieronder afgekort als Wet Motivering Bestuurshandelingen, moeten de bestuurshandelingen van de administratieve overheden bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is een administratieve overheid als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Een bestuurshandeling is, luidens artikel 1 van de wet Motivering Bestuurshandelingen, een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. Krachtens artikel 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en moet zij afdoende zijn. Uit de samenlezing van alle voornoemde bepalingen volgt dat een beslissing van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of van een van zijn organen waarbij de ten aanzien van een bepaald persoon of gezin verleende of toegekende maatschappelijke dienstverlening wordt ingetrokken, afgeschaft of geweigerd, uitdrukkelijk en afdoende moet zijn gemotiveerd.
- Bij drie beslissingen van het bijzonder comité voor sociale bijstand van verweerder van 20 augustus 2003 werd
(1)het "levensminimum" afgeschaft,
(2)de huur- en verwarmingstoelage geweigerd en
(3)de waarborg voor verpleging en verzorging in ziekenhuizen van het OCMW te Antwerpen afgeschaft. De beslissing van 20 augustus 2003 waarbij het "levensminimum" werd afgeschaft, vermeldt : "Reden : U werkt onvoldoende mee aan het onderzoek. U gaf geen gevolg aan de uitnodiging om gehoord te worden door het Bijzonder Comité". De beslissing van 20 augustus 2003 waarbij de huur- en verwarmingstoelage werden geweigerd, vermeldt : "Reden : U hebt de gestelde voorwaarden niet nageleefd". De beslissing van 20 augustus 2003 waarbij de waarborg voor verpleging/verzorging in ziekenhuizen van het OCMW te Antwerpen werd afgeschaft, vermeldt : "Reden : U werkt onvoldoende mee aan het sociaal onderzoek". De drie beslissingen van verweerder van 20 augustus 2003 maken aldus op generlei wijze gewag van de feitelijke en juridische overwegingen die aan de beslissingen ten grondslag liggen. De loutere motivering dat onvoldoende werd meegewerkt aan het sociaal onderzoek, of dat de gestelde voorwaarden niet werden nageleefd, zonder enige uitleg over de feitelijke omstandigheden en de juridische gronden waarop elk van die beslissingen steunt, volstaat niet. De Wet Motivering Bestuurshandelingen vereist immers een uitdrukkelijke en afdoende motivering in de akte en ook krachtens artikel 62bis, tweede lid, van de OCMW-wet is dergelijke motivering vereist. Zelfs als wordt aangenomen dat de motivering mag blijken uit een andere akte dan de beslissing zelf, is in deze zaak niet voldaan aan de motiveringsverplichting opgelegd door de voornoemde wettelijke bepalingen. Wanneer de motivering in een ander stuk dan de beslissing zelf vermeld wordt, moet immers vaststaan dat die motivering door de beslissingnemende overheid is overgenomen. De beslissingen van het bijzonder comité voor sociale bijstand van verweerder van 20 augustus 2003, die deel uitmaken van het aan het arbeidshof voorgelegde dossier samengesteld door het Arbeidsauditoraat bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen verwijzen op generlei wijze naar het administratief dossier of naar een ander stuk waaruit de motivering van die beslissingen blijkt. Bovendien blijkt niet dat het administratief dossier dat door het Arbeidsauditoraat bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen werd samengesteld en aan het arbeidshof werd voorgelegd, of een ander stuk waarin de motivering is vervat, vooraf of samen met de beslissing aan eiser werd overgemaakt. Het doel van artikel 62bis, tweede lid, van de OCMW-wet en van de Wet Motivering Bestuurshandelingen ligt nochtans erin dat de betrokkene de draagwijdte van de beslissing zou kunnen beoordelen uit het geheel der motieven, zodat een beslissing pas gemotiveerd kan zijn indien zij steunt op motieven die vroeger of ten laatste samen met de beslissing aan de betrokkene worden overgemaakt. Ten slotte blijken uit het administratief dossier dat door het Arbeidsauditoraat bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen werd samengesteld en aan het arbeidshof werd voorgelegd, enkel de feitelijke elementen die tot de beslissingen hebben geleid, maar komen de juridische motieven daarin niet aan bod. Eerst in een brief van verweerder van 8 september 2003 aan het arbeidsauditoraat, worden de beslissingen van 20 augustus 2003 juridisch gemotiveerd. Bij de beoordeling van de naleving van de motiveringsverplichting opgelegd door artikel 62bis, tweede lid, van de OCMW-wet en door de artikelen 2 en 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen, kan logischerwijze geen rekening gehouden worden met motieven vermeld in stukken die dateren van na de beslissing die beoordeeld wordt. Uit geen van de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dus dat de beslissingen van het bijzonder comité voor sociale bijstand van verweerder van 20 augustus 2003 afdoende gemotiveerd zijn. Zij zijn dan ook nietig wegens schending van artikel 62bis, tweede lid, van de OCMW-wet en van de Wet Motivering Bestuurshandelingen. Aangezien de artikelen 62 van de OCMW-wet en 1, 2 en 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen de openbare orde raken, minstens van dwingend recht zijn, diende het arbeidshof de schending ervan ambtshalve op te werpen. Gelet op de nietigheid van de door eiser bestreden beslissingen van het bijzonder comité voor sociale bijstand van verweerder van 20 augustus 2003, miskent het arbeidshof, door het hoger beroep van eiser ongegrond te verklaren, het wettelijk begrip van de motiveringsverplichting (schending van de artikelen 62bis, tweede lid, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs-handelingen). Het arbeidshof verklaart het hoger beroep van eiser niet wettig ongegrond en bevestigt bijgevolg niet wettig het vonnis van 15 december 2003 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen waarbij de beslissingen van het bijzonder comité voor sociale bijstand van verweerder van 20 augustus 2003 werden bevestigd (schending van alle in de aanhef van het middel opgesomde wettelijke bepalingen). IV. Beslissing van het Hof
- Middel Overwegende dat de arbeidsrechtbank, krachtens artikel 580, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, kennis neemt van de geschillen betreffende de toekenning, de herziening, de weigering en de terugbetaling door de gerechtigde van het bestaansminimum en de maatschappelijke dienstverlening ; Dat de rechter een toezicht met volle rechtsmacht uitoefent op de beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, hetgeen hem toelaat in de beoordeling van de feiten te treden en uitspraak te doen over het recht op het bestaansminimum en de maatschappelijke dienstverlening ; Dat de vaststelling door de rechter van de nietigheid van de beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wegens niet-naleving van de formele motiveringsplicht, niet afdoet aan zijn bevoegdheid uitspraak te doen over de rechten die voor de aanvrager voortvloeien uit de wettelijke bepalingen inzake het bestaansminimum en de maatschappelijke dienstverlening ; Dat de rechter het recht op bestaansminimum of maatschappelijke dienstverlening slechts mag erkennen, indien hij oordeelt dat de aanvrager aan alle wettelijke vereisten voldoet om daarop recht te hebben ; Overwegende dat het arbeidshof het beroep van eiser tegen de beslissingen van het bijzonder comité voor sociale bijstand van verweerder waarbij vanaf 1 september 2003 de hem verleende financiële steun, de waarborg van verpleging en de huur- en verwarmingstoelage wordt afgeschaft, ongegrond verklaart omdat eiser geen aanspraak kon maken op het gevorderde daar hij niet meewerkte aan het sociaal onderzoek, naliet de noodzakelijke inlichtingen te verschaffen en niet is aangetoond dat hij daadwerkelijk in Antwerpen verbleef ; Dat ook indien het arbeidshof de beslissingen van het bijzonder comité voor sociale bijstand van verweerder nietig zou hebben bevonden wegens miskenning van de formele motiveringsverplichting, het zich had dienen uit te spreken over de rechten van eiser in overeenstemming met de wettelijke bepalingen inzake het bestaansminimum en de maatschappelijke dienstverlening ; Dat de eventuele nietigheid van de beslissingen van het bijzonder comité voor sociale bijstand van verweerder wegens miskenning van de formele motiveringsverplichting en de omstandigheid dat het arbeidshof deze nietigheid niet heeft vastgesteld, geen invloed hebben op de wettigheid van de beslissing van het arbeidshof dat eiser geen aanspraak kon maken op het gevorderde ; Dat derhalve het middel, dat enkel steunt op de schending door het bijzonder comité voor sociale bijstand van de formele motiveringsverplichting, opgelegd door de Wet Motivering Bestuurshandelingen en door artikel 62bis, tweede lid, van de OCMW-wet, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is ;
- De kosten Overwegende dat, krachtens artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de kosten ten laste van verweerder moeten worden gelegd ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt verweerder in de kosten. De kosten begroot op de som van vierentwintig euro vierenzeventig cent, in debet, jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd achttien euro eenenveertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van zevenentwintig juni tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050627.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081104.2 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171211.8 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190520.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230612.3F.15 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241209.3F.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011112.11 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011217.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130610.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div