id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050628.18 Rolnummer: P.05.0658.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2006-02-03 Raadplegingen: 644 - laatst gezien 2026-07-04 10:34 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Krachtens de artt. 135, ,§ 2, en 235bis, ,§,§ 3, 5 en 6, Sv moet de kamer van inbeschuldigingstelling bij de regeling van de rechtspleging van het voltooide gerechtelijk onderzoek, over het in conclusie aangevoerde middel van verval van de strafvordering door verjaring oordelen
(1)Zie concl. adv.-gen. Vandermeersch, Cass., 28 juni 2005, AR P.05.0658.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Raadkamer Beschikking tot verwijzing Hoger beroep van de inverdenkinggestelde Kamer van inbeschuldigingstelling Strafvordering Verjaring Bevoegdheid Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Algemeen Vrije woorden: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Algemeen Onderzoeksgerechten Raadkamer Beschikking tot verwijzing Hoger beroep van de inverdenkinggestelde Kamer van inbeschuldigingstelling Bevoegdheid Fiches 5 - 8 Concl. adv.-gen. Vandermeersch, Cass., 28 juni 2005, AR P.05.0658.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Raadkamer Beschikking tot verwijzing Hoger beroep van de inverdenkinggestelde Kamer van inbeschuldigingstelling Conclusie Middel waarbij de verjaring van de strafvordering wordt aangevoerd Opdracht van het onderzoeksgerecht Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Algemeen Vrije woorden: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Algemeen Onderzoeksgerechten Regeling van de rechtspleging Conclusie Middel waarbij de verjaring van de strafvordering wordt aangevoerd Opdracht van het onderzoeksgerecht Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Raadkamer Beschikking tot verwijzing Hoger beroep van de inverdenkinggestelde Kamer van inbeschuldigingstelling Strafvordering Verjaring Bevoegdheid Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Algemeen Vrije woorden: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Algemeen Onderzoeksgerechten Raadkamer Beschikking tot verwijzing Hoger beroep van de inverdenkinggestelde Kamer van inbeschuldigingstelling Bevoegdheid Nota: P.05.0658.N Advocaat-generaal Vandermeersch heeft in substantie gezegd: In het eerste onderdeel van het eerste middel verwijt eiser de appèlrechters dat ze beslissen dat zij in het kader van het beperkte hoger beroep met toepassing van artikel 135, ,§ 2 van het Wetboek van Strafvordering, niet ertoe gehouden zijn te onderzoeken of het tijdstip van de respectievelijke tenlasteleggingen diende te worden beperkt omdat dit onderzoek verband zou houden met het bestaan van de voldoende bezwaren. Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiser tegen de verwijzingsbeschikking ontvankelijk in zoverre eiser had opgeworpen dat de strafvordering voor de ten laste gelegde feiten A, B en C, vervallen is door verjaring. Krachtens de artikelen 135, ,§ 2, en 235bis, ,§,§ 3, 5 en 6 van het Wetboek van Strafvordering, moet de kamer van inbeschuldigingstelling bij de regeling van de rechtspleging oordelen over het in conclusie aangevoerde middel van verval van de strafvordering door verjaring (Zie Cass., 11 mei 2004, A.R. P.04.0247.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040511.30 en Cass., 20 okt. 2004, A.R. P.04.0742.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041020.11) Wanneer verschillende misdrijven de uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet en aldus slechts één enkel misdrijf opleveren, begint de verjaring van de strafvordering ten aanzien van het geheel van de feiten pas te lopen vanaf de dag van het laatste van die feiten op voorwaarde dat elk gepleegd strafbaar feit niet is gescheiden door een tijdspanne die langer is dan de verjaringstermijn (Cass., 27 maart 1984, A.R. 7628, nr 428 en 5 april 1996, A.R. 94.0002.F, nr 111) Het Hof heeft beslist dat de vaststelling dat verschillende misdrijven uit hetzelfde misdadig opzet voortvloeien slechts aan de bodemrechter is voorbehouden in zoverre de uit te spreken straf dient te worden bepaald en dat artikel 65 van het Strafwetboek de onderzoeksgerechten die moeten nagaan of de strafvordering al dan niet verjaard is, niet verbiedt om, op grond van een beoordeling die niet bindend is voor de feitenrechter, te beslissen dat de feiten, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, een collectief misdrijf opleveren zodat de verjaring slechts begint te lopen vanaf het ogenblik dat het laatste misdrijf werd gepleegd (Cass., 20 okt. 2004, A.R. P.04.0742.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041020.11) Moet die beoordeling in abstracto gebeuren, d.i. op basis van de gegevens die vermeld worden in de tenlastelegging of moet de kamer van inbeschuldigingstelling in concreto onderzoeken op welk tijdstip de verjaring een aanvang neemt ? Bij arrest van 14 oktober 2003 (A.R.P.03.0848.N) heeft het Hof geoordeeld dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet hoefde te antwoorden op het verweer i.v.m. het tijdstip van de tenlasteleggingen dat verband houdt met het bestaan van bezwaren, waarvoor geen ontvankelijk hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking kon worden ingesteld Naderhand, bij arrest van 11 mei 2004 (A.R., P.04.0247.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040511.30) heeft het Hof beslist dat het onderzoeksgerecht bij het beoordelen van het middel van verval van de strafvordering zich niet kan vergenoegen met een prima facie onderzoek van die verjaring maar op grond van de precieze feiten waarvan het oordeelt dat daaromtrent tegen de verdachten voldoende bezwaren bestaan, moet onderzoeken of deze feiten, mocht de vonnisrechter deze bewezen achten, al dan niet verjaard zijn. Het onderzoek van de exceptie m.b.t. de verjaring, met inbegrip van de aanvang van die verjaring behoort tot de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling. Om werkelijk te zijn moet die beoordeling m.i. in concreto gebeuren, d.i. aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak, hetgeen het al dan niet bestaan van bezwaren kan inhouden. Het middel lijkt mij gegrond. De andere grieven kunnen tot geen ruimere cassatie leiden en behoeven derhalve geen antwoord. Conclusie : vernietiging Tekst van de beslissing Nr. P.05.0658.N N S, eiser, inverdenkinggestelde, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 7 april 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Overwegende dat het cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen beslissingen van het bestreden arrest die geen eindbeslissingen inhouden noch uitspraak doen in een der gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, niet ontvankelijk is; B. Onderzoek van de middelen
- Eerste middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat krachtens de artikelen 135, ,§ 2, en 235bis, ,§,§ 3, 5 en 6, Wetboek van Strafvordering, de kamer van inbeschuldigingstelling bij de regeling van de rechtspleging van het voltooide gerechtelijke onderzoek, over het in conclusie aangevoerde middel van verval van de strafvordering door verjaring moet oordelen; Overwegende dat de datum of de termijn van het plegen van het feit tot het debat over het bestaan zelf van het feit en de daartoe bestaande bezwaren behoort; Dat enkel de raadkamer en niet de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van artikel 135, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering over deze bezwaren oordeelt; Dat het debat over de verjaring van de strafvordering voor de kamer van inbeschuldigingstelling niet tot voorwerp kan hebben de datum van het laatst gepleegde feit, waaromtrent de raadkamer het bestaan van voldoende bezwaren bij niet voor hoger beroep vatbare beslissing heeft vastgesteld; Overwegende dat eiser voor de kamer van inbeschuldigingstelling de verjaring aanvoerde daar: - voor de telastleggingen A.II, B.II en C, het bewijs niet werd geleverd dat de rekening "Baraka" hem toebehoorde; dat zij integendeel sedert 2 augustus 1994 aan een ander persoon toebehoorde, en eiser zelf niet verplicht was om de geldverrichtingen in de boekhouding te vermelden; dat sinds voormelde datum meer dan 10 jaar waren verlopen; - voor de telastleggingen A.I en B.I, die betrekking hebben op de rekening "Olympus", de feiten niet tegelijk niet konden verjaard zijn wat hem betreft en wèl konden verjaard zijn wat een medebetichte betreft; dat daarenboven, anders dan in de eindvordering van het openbaar ministerie als aanvangsdatum van de verjaringstermijn was gesteld, hijzelf op datum van 24 juni 2000 geen enkel feit had gepleegd; Overwegende dat de kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt dat zij het verweer dat verband houdt met het bestaan van voldoende bezwaren, en waarvoor geen ontvankelijk hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking kon worden ingesteld, niet hoefde te onderzoeken; dat zij aldus haar beslissing naar recht verantwoordt; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het bestreden arrest met de motivering die het middel aanhaalt, eisers conclusie beantwoordt; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
- Tweede middel 2.
- Eerste onderdeel Overwegende dat het onderdeel geheel opkomt tegen het oordeel in feite van de appèlrechters dat de ten laste gelegde feiten zoals omschreven in de vordering van het openbaar ministerie voldoende werden gepreciseerd en eiser voldoende is ingelicht zodat het hem mogelijk is om zijn verweermiddelen voor te brengen zonder in zijn recht van verdediging te zijn geschaad; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is; 2.
- Tweede onderdeel Overwegende dat de appèlrechters preciseren dat in de telastlegging de boekhouding van eiser in haar geheel als zijnde vervalst werd omschreven, en mede op grond daarvan de aan eiser ten laste gelegde feiten voldoende nauwkeurig omschreven achten; dat zij zodoende van deze akte een uitlegging geven die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van vijfentachtig euro vierendertig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van achtentwintig juni tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050628.18 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131210.3 ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090618.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040511.30 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041020.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060405.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.10 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061205.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061219.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.13 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111108.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div