← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050719.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050719.14 Rolnummer: P.05.1008.N Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2006-02-03 Raadplegingen: 713 - laatst gezien 2026-07-03 11:44 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer de invrijheidstelling van een verdachte afhankelijk is van de voorafgaande betaling van een borgsom en de verdachte na betaling van de borgsom in vrijheid werd gesteld, komt het enkel de rechter die over de strafvordering uitspraak doet of heeft gedaan toe over de borgsom te oordelen

(1).
(1)Zie Cass., 2 dec. 2003, AR P.03.1332.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031202.10, www.cass.be Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Borgsom Verzoek tot teruggave Uitspraak Bevoegde rechter Fiches 2 - 3 Is niet ontvankelijk het cassatieberoep gericht tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat de vordering tot terugbetaling van de borgsom niet ontvankelijk verklaart aangezien dat arrest geen eindbeslissing is, noch uitspraak doet in een der gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Borgsom Verzoek tot teruggave Kamer van inbeschuldigingstelling Arrest Niet-ontvankelijkheid van de aanvraag Cassatieberoep Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Borgsom Verzoek tot teruggave Kamer van inbeschuldigingstelling Arrest Niet-ontvankelijkheid van de aanvraag Cassatieberoep Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.05.1008.N V., S.H. A., eiser, inverdenkinggestelde, met als raadslieden Mr. Karel Van Hoorebeke, advocaat bij de balie te Gent en Mr. Luc Truyens, advocaat bij de balie te Dendermonde. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 7 juli 2005, gewezen door het Hof van Beroep te Gent, Kamer van Inbeschuldigingstelling; II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Dit verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. IV. Beslissing van het Hof A. Over het middel in zijn geheel Overwegende dat bij arrest, op 5 december 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, de voorlopige hechtenis van eiser niet werd gehandhaafd mits de betaling van een borgsom ten bedrage van 120.000 euro ; dat deze waarborgsom op 6 december 2002 werd gestort bij de Deposito en Consignatiekas te Gent en eiser op dezelfde dag in vrijheid werd gesteld ; Overwegende dat eiser bij verzoekschrift van 21 juni 2005 om de teruggave heeft verzocht van de borgsom ; Overwegende dat het cassatieberoep van eiser gericht is tegen de beslissing van de appèlrechters die eisers verzoek tot teruggave van de borgsom, opgelegd ingevolge artikel 35, ,§4, eerste lid en ,§5, Voorlopige Hechteniswet, niet ontvankelijk verklaren ; Overwegende dat krachtens artikel 35, ,§1, Voorlopige Hechteniswet, de onderzoeksrechter, in de gevallen waarin de voorlopige hechtenis kan worden bevolen of gehandhaafd onder de in artikel 16, ,§1, bepaalde voorwaarden, de verdachte in vrijheid kan laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden; dat krachtens artikel 35, ,§4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, de onderzoeksrechter ook de voorafgaande en volledige betaling van een borgsom kan vorderen, waarvan hij het bedrag bepaalt; Dat beide maatregelen gelijktijdig kunnen worden opgelegd; Overwegende dat, krachtens artikel 36, ,§1, vierde en vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet, de verdachte in de loop van het onderzoek aan de raadkamer kan vragen dat de opgelegde voorwaarden geheel of gedeeltelijk worden opgeheven of gewijzigd of dat hij wordt vrijgesteld van alle voorwaarden of van sommige daarvan; Overwegende dat door de opgelegde voorwaarden wordt bedoeld de voorwaarden in de zin van artikel 35, ,§1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet; Overwegende dat de voorwaarden in de zin van artikel 35, ,§1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, voorwaarden zijn die moeten worden nageleefd na de invrijheidstelling voor een hernieuwbare maximumperiode van drie maanden; Overwegende dat de betaling van een borgsom geen voorwaarde is in de zin van artikel 35, ,§1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet; Dat de invrijheidstelling onder borgsom een beslissing is waarbij de handhaving van de voorlopige hechtenis wordt bevolen tot de vereiste zekerheid is betaald; dat na betaling van de borgsom de verdachte in vrijheid wordt gesteld; Overwegende dat, wanneer de invrijheidstelling van een verdachte afhankelijk is van de voorafgaande betaling van een borgsom en de verdachte na betaling van de borgsom in vrijheid werd gesteld, het enkel de rechter die over de strafvordering uitspraak doet of heeft gedaan, toekomt over de bestemming van de borgsom te oordelen; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, dat de vordering tot terugbetaling van de borgsom niet ontvankelijk verklaart, geen eindbeslissing is, noch uitspraak doet in een der gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering; Dat het cassatieberoep voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk is ; B. Onderzoek van het middel Overwegende dat het middel geen betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en, behoudens wat hierboven is uiteengezet, geen verder antwoord behoeft; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van drieënzestig euro negenendertig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, te Brussel, door raadsheer Eric Dirix, waarnemend voorzitter, de raadsheren Frédéric Close, Paul Mathieu, Didier Batselé en Paul Maffei, en uitgesproken in openbare terechtzitting van negentien juli tweeduizend en vijf, door raadsheer Eric Dirix, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050719.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070628.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031202.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081022.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130313.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170307.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220413.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.