← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050823.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050823.6 Rolnummer: P.05.0805.N Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2005-11-28 Raadplegingen: 570 - laatst gezien 2026-07-04 11:41 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De artikelen 47novies, ,§ 2, tweede lid en 47novies, ,§ 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepalen niet dat in elk geval het proces-verbaal, bedoeld in artikel 47novies, ,§ 2, derde lid, de exacte periode tijdens dewelke de infiltratie kan worden uitgevoerd, dient te vermelden

(1).
(1)Zie concl. van het O.M. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Bijzondere opsporingsmethoden Infiltratie Vermelding in het strafdossier van de exacte periode van de maatregel Verplichting Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: OPENBAAR MINISTERIE Opsporingsonderzoek Bijzondere opsporingsmethoden Infiltratie Vermelding in het strafdossier van de exacte periode van de maatregel Verplichting Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Bijzondere opsporingsmethoden Infiltratie Vermelding in het strafdossier van de exacte periode van de maatregel Verplichting Fiches 4 - 5 De artikelen 6 en 8, E.V.R.M. verbieden niet de uitoefening van het recht van verdediging en het recht op eerlijk proces in bepaalde gevallen te regelen en te beperken; een dergelijke beperking kan verantwoord zijn indien ze evenredig is met het belang van de te bereiken doelstellingen, zoals de noodzaak bepaalde vormen van zware criminaliteit te bestrijden of de veiligheid van de infiltrant en/of informant te vrijwaren. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Artikel 6.3 Recht van verdediging Recht op een eerlijk proces Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Recht op eerbiediging van het privé-leven Fiches 6 - 8 Het recht van verdediging houdt niet noodzakelijk in dat de verdediging zelf in staat moet worden gesteld de regelmatigheid van de machtiging tot infiltratie en van de uitgevoerde machtiging te controleren; het kan in dergelijk geval volstaan dat een onafhankelijke en onpartijdige rechter op grond van de hem regelmatig overgelegde stukken en bekende feiten oordeelt dat de infiltratie is geschied met naleving van alle wettelijke voorschriften. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Machtiging tot infiltratie Controle Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Bijzondere opsporingsmethoden Machtiging tot infiltratie Controle Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: OPENBAAR MINISTERIE Opsporingsonderzoek Bijzondere opsporingsmethoden Machtiging tot infiltratie Controle Fiches 9 - 11 Het komt de rechter toe in feite te oordelen of het niet-vermelden van de periode tijdens dewelke de infiltratie kan worden uitgevoerd, in het proces-verbaal in de zin van art. 47novies, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering, rekening houdende met de in de zaak die hij dient te beoordelen, te bereiken doelstellingen, verantwoord kan zijn. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Bijzondere opsporingsmethoden Infiltratie Niet-vermelding in het strafdossier van de exacte periode van de maatregel Gevolg Beoordeling door de feitenrechter OPENBAAR MINISTERIE Opsporingsonderzoek Bijzondere opsporingsmethoden Infiltratie Niet-vermelding in het strafdossier van de exacte periode van de maatregel Gevolg Beoordeling door de feitenrechter BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Bijzondere opsporingsmethoden Infiltratie Niet-vermelding in het strafdossier van de exacte periode van de maatregel Gevolg Beoordeling door de feitenrechter Fiches 12 - 14 Concl. adv.-gen. VANDERMEERSCH, Cass., 23 aug. 2005, AR P.05.0805.N, A.C., 2005, nr ... Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Bijzondere opsporingsmethoden Infiltratie Vermelding in het strafdossier van de exacte periode van de maatregel Verplichting OPENBAAR MINISTERIE Opsporingsonderzoek Bijzondere opsporingsmethoden Infiltratie Vermelding in het strafdossier van de exacte periode van de maatregel Verplichting BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Bijzondere opsporingsmethoden Infiltratie Vermelding in het strafdossier van de exacte periode van de maatregel Verplichting Nota: P.05.0805.N Advocaat-generaal Vandermeersch heeft in substantie gezegd: In het eerste onderdeel van het eerste middel betogen de eisers dat "in het proces-verbaal zoals bedoeld in artikel 47novies, ,§ 2, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (eerste vervolg van PV. nr 105.278/04) geen melding wordt gemaakt van de periode tijdens welke de infiltratie kon worden uitgevoerd zoals vereist door artikel 47octies, ,§ 3, 5° van het Wetboek van Strafvordering". Artikel 47novies, ,§ 2, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt met name dat in een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot infiltratie en de vermeldingen bedoeld in artikel 47octies, ,§ 3, 1°, 2°, 3° en 5° worden opgenomen, waaronder o.m. de periode tijdens welke de infiltratie kan worden uitgevoerd en die niet langer mag zijn dan drie maanden te rekenen van de datum van de machtiging. Artikel 47novies, ,§ 2, lid 2, bepaalt anderzijds dat de officier van gerechtelijke politie, bedoeld in artikel 47octies, ,§ 3, 6°, proces-verbaal opstelt van de verschillende fasen van de uitvoering van de infiltratie, doch hierin geen elementen vermeldt die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant, de politieambtenaren, belast met de uitvoering van de infiltratie, en de in artikel 47octies, ,§ 1, tweede lid bedoelde burger, in het gedrang kunnen brengen. De vraag is nu of de bij artikel 47novies, ,§ 2, tweede lid, bepaalde uitzondering m.b.t. tot de afscherming van de gebruikte technieken of de veiligheid en de afscherming van de identiteit van bepaalde personen eveneens van toepassing is op het in artikel 47novies, ,§ 2, derde lid, bedoelde proces-verbaal. Volgens Johan DELMULLE
(1), laat de samenlezing van die twee bepalingen toe dat wanneer de exacte vermelding in het proces-verbaal van de datum of de periode van de observatie bijvoorbeeld de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant of van de politieambtenaren belast met de uitvoering van de observatie, in het gedrang zou kunnen brengen, er kan worden volstaan met in het proces-verbaal te vermelden dat de observatie of de infiltratie binnen de wettelijk bepaalde termijn werd uitgevoerd zonder opgave van de exacte begin- en einddatum ervan. De auteurs A. DE NAUW en F. SCHUERMANS
(2)delen dit standpunt maar stellen in dat geval voor in het in artikel 47novies, ,§ 2, derde lid, bedoelde proces-verbaal enkel de duur van de observatie of infiltratie te vermelden. Andere auteurs
(3)stellen dat de vermeldingen bedoeld in artikel 47octies, ,§ 3, 1°, 2°, 3° en 5°, o.m. de periode tijdens welke de infiltratie kan worden uitgevoerd, in het "open" dossier worden vermeld. Die auteurs brengen verder de mogelijkheid van het niet-vermelden van bepaalde elementen in het open dossier, zoals bedoeld in artikel 47novies, ,§ 2, tweede lid, enkel in verband met het opstellen van het proces-verbaal van de verschillende fasen van de uitvoering van de infiltratie. Volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 januari 2003, moeten de vermeldingen bedoeld in artikel 47septies, ,§ 2, derde lid, en 47novies, ,§ 2, derde lid, in het open dossier worden opgenomen als correctief op het bewaren van de machtiging tot observatie (of infiltratie) in het vertrouwelijk dossier en ten einde de rechtszekerheid en de rechten van verdediging te vrijwaren
(4). Tijdens de parlementaire voorbereiding heeft volksvertegenwoordiger GIET een amendement ingediend om ook de periode van de observatie en de infiltratie in het proces-verbaal te vermelden, en zulks zonder bezwaar van de Minister van Justitie
(5). Naar mijn oordeel ligt het antwoord op de vraag in de wettekst zelf. Artikel 47novies, ,§ 2, tweede lid, heeft enkel betrekking op het proces-verbaal van de verschillende fasen van de uitvoering van de infiltratie. Deze bepaling verwijst overigens in fine naar het schriftelijk verslag over elke fase in de uitvoering van de infiltratie, bedoeld in artikel, 47novies, ,§ 1, eerste lid. Artikel 47novies, ,§ 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering is aldus naar mijn mening niet van toepassing op het proces-verbaal bedoeld in artikel 47novies, ,§ 2, derde lid. De appèlrechters beslissen dat "uit het samenlezen van artikel 47novies, ,§ 2, tweede en derde lid, Wetboek van strafvordering, kan besloten worden dat nu de exacte vermelding in het proces-verbaal van de periode van infiltratie de veiligheid en het afschermen van de identiteit van de informanten en/of de politieambtenaren-infiltranten in concreto in gevaar zou kunnen brengen dit de enkele vermelding dat "de infiltratie en observatie hebben plaatsgevonden binnen de periode van de geldende machtiging" zoals opgenomen in het eerste vervolg van PV. nr 105.278/04 rechtvaardigt". Zij hebben zodoende hun beslissing niet naar recht verantwoord. Het eerste onderdeel van het middel lijkt mij gegrond. Conclusie : vernietiging van de bestreden beslissing. ___________________________
(1)J. DELMULLE, "Wat na het arrest van 21 december 2004 van het Arbitragehof ? De kamer van inbeschuldigingstelling als onpartijdige en onafhankelijke rechter belast met de controle voer de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie ? Een eerste toetsing aan de praktijk", T. Strafr., 2005, p. 232 ; zie ook H. BERKMOES en J. DELMULLE, "De bijzondere opsporingsmethoden en enige ander onderzoelsmethoden, Politeia, 2003, p. 130-131 en 172-174.
(2)A. DE NAUW en F. SCHUERMANS, "De wet betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige ander onderzoeksmethoden", R.W., 2003-2004, p. 939;
(3)R. VERTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2005, p. 314-316 ; J. MEESE, "Bijzondere opsporingsmethoden en andere onderzoeksmethoden", NjW, 2003, p. 1142-1143 ; M. DE RUE et C. DE VALKENEER, Les méthodes particulières de recherche et quelques autres méthodes d'enquête, Les dossiers du Journal des Tribunaux n°44, Bruxelles, Larcier, 2004, p. 88-92. Volgens R. VERSTRAETEN, moet de aanduiding van de periode in de machtiging als substantieel worden beschouwd.
(4)Parl. St. Kamer, 2001-02, nr 1688/001, p. 76-77 ; zie ook J. MEESE, "Bijzondere opsporingsmethoden en andere onderzoeksmethoden", NjW, 2003, p. 1142-1143.
(5)Parl. St. Kamer, 2001-02, nr 1688/013, p.
  1. Tekst van de beslissing Nr. P.05.0805.N I M E, eiser, beklaagde, gedetineerd. II P P, eiser, beklaagde, gedetineerd, met als raadsman Mr. Christine Mussche, advocaat bij de balie te Gent. III M E, voornoemd, eiser, beklaagde, gedetineerd. IV K Y, eiser, beklaagde, gedetineerd, met als raadsman Mr. Walter Van Steenbrugge, advocaat bij de balie te Gent. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest op 3 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen P P en K Y voeren in een memorie dezelfde twee middelen aan. Die memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. M E voert geen middelen aan. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Overwegende dat in strafzaken in de regel een tweede cassatieberoep tegen dezelfde beslissing niet ontvankelijk is ingevolge artikel 438 Wetboek van Strafvordering; Overwegende dat M E reeds op 12 mei 2005 cassatieberoep tegen het arrest heeft ingesteld zodat zijn tweede cassatieberoep van 13 mei 2005 niet ontvankelijk is; Overwegende dat het eerste cassatieberoep van M E, in zoverre het gericht is tegen de beslissing waarbij de door de eerste rechter uitgesproken vrijspraak wegens de telastlegging E bevestigd wordt, wegens gebrek aan belang evenmin ontvankelijk is; B. Onderzoek van de middelen
  2. Eerste middel 1.
  3. Eerste onderdeel Overwegende dat artikel 47novies, ,§ 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering onder meer stelt dat in een proces-verbaal verwezen wordt naar de machtiging tot infiltratie en de vermeldingen worden opgenomen bedoeld in artikel 47octies, ,§ 3, 1°, 2°, 3° en 5°; dat artikel 47octies, ,§ 3, Wetboek van Strafvordering opsomt welke vermeldingen worden opgenomen in de machtiging tot infiltratie, waaronder onder meer krachtens ,§ 3, 5°, de periode tijdens dewelke de infiltratie kan worden uitgevoerd en die niet langer mag zijn dan drie maanden te rekenen van de datum van de machtiging; Dat artikel 47novies, ,§ 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering evenwel bepaalt dat geen elementen worden vermeld die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant, de politieambtenaren, belast met de uitvoering van de infiltratie, en de in artikel 47octies, ,§ 1, tweede lid, bedoelde burger in het gedrang kunnen brengen; Overwegende dat het Arbitragehof bij arrest nr. 202/2004 van 21 december 2004 onder meer artikel 47novies, ,§ 1, tweede lid, en ,§ 2, Wetboek van Strafvordering heeft vernietigd maar de gevolgen ervan heeft gehandhaafd tot 31 december 2005; Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het ervan uitgaat dat in elk geval het proces-verbaal, bedoeld in het thans nog geldende artikel 47novies, ,§2, derde lid, Wetboek van Strafvordering, de exacte periode tijdens dewelke de infiltratie kan worden uitgevoerd, dient te vermelden, faalt naar recht; Overwegende dat de artikelen 6 en 8 EVRM niet verbieden de uitoefening van het recht van verdediging en het recht op eerlijk proces in bepaalde gevallen te regelen en te beperken; Dat dergelijke beperking verantwoord kan zijn indien ze evenredig is met het belang van de te bereiken doelstellingen, zoals de noodzaak bepaalde vormen van zware criminaliteit te bestrijden of de veiligheid van de infiltrant en/of informant te vrijwaren; Dat hieruit volgt dat het recht van verdediging niet noodzakelijk inhoudt dat de verdediging zelf in staat moet worden gesteld de regelmatigheid van de machtiging tot infiltratie en van de uitgevoerde machtiging te controleren; dat het in dergelijk geval kan volstaan dat een onafhankelijke en onpartijdige rechter op grond van de hem regelmatig overgelegde stukken en bekende feiten oordeelt dat de infiltratie is geschied mits naleving van alle wettelijke voorschriften; Dat het onderdeel in zoverre eveneens faalt naar recht; Overwegende dat, voor het overige, het onderdeel, in zoverre het opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de appèlrechters dat "de exacte vermelding in het proces-verbaal van de periode van de infiltratie de veiligheid en het afschermen van de identiteit van de informanten en/of politieambtenaren-infiltranten in concreto in gevaar zou kunnen brengen", niet ontvankelijk is; 1.
  4. Tweede onderdeel Overwegende dat het arrest het proces-verbaal nr. 105278/04 niet uitlegt in de zin zoals het onderdeel voorhoudt; Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist; Overwegende dat, voor het overige, artikel 47novies, ,§ 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat geen elementen worden vermeld die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant, de politieambtenaren, belast met de uitvoering van de infiltratie, en de in artikel 47octies, ,§ 1, tweede lid, bedoelde burger in het gedrang kunnen brengen; Dat het onderdeel, in zoverre het voorhoudt dat de rechter niet vermag te verwijzen naar de veiligheid van een informant ter verantwoording van de niet-vermelding van de periode tijdens dewelke de infiltratie kan worden uitgevoerd, faalt naar recht;
  5. Tweede middel Overwegende dat het Arbitragehof bij arrest nr. 202/2004 van 21 december 2004 onder meer de artikelen 47undecies en 56bis, tweede lid, in zoverre het kan worden toegepast in samenhang met artikel 28septies Wetboek van Strafvordering heeft vernietigd maar de gevolgen ervan heeft gehandhaafd tot 31 december 2005; Overwegende dat, zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel, de artikelen 6 en 8 EVRM niet verbieden de uitoefening van het recht van verdediging en het recht op eerlijk proces in bepaalde gevallen te regelen en te beperken; Overwegende dat het aan de rechter toekomt in feite te oordelen of het niet-vermelden van de periode tijdens dewelke de infiltratie kan worden uitgevoerd, in het proces-verbaal in de zin van artikel 47novies, ,§ 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering, rekening houdende met de in de zaak die hij dient te beoordelen, te bereiken doelstellingen, verantwoord kan zijn; Dat het middel in zoverre het tegen dit oordeel opkomt, niet ontvankelijk is; Overwegende dat, voor het overige, de appèlrechters op grond van de thans nog vigerende wetgeving zonder schending van de artikelen 6 en 8 EVRM, meer bepaald van het recht van verdediging, op wapengelijkheid en eerlijk proces, wettig hebben kunnen oordelen dat eisers rechten niet zijn miskend vermits: - de onderzoeksrechter die inzage nam van het vertrouwelijk dossier en hierover verslag uitbracht, te dezen moet worden beschouwd als een onpartijdige rechter in de zin van artikel 6 EVRM vermits hij op dat ogenblik geen uitspraak deed over rechtshandelingen die hijzelf stelde of onder zijn verantwoordelijkheid gebeurden, maar wel over rechtshandelingen die reeds voltrokken waren nog voor hij gelast werd met de zaak; - uit het verslag van de onderzoeksrechter aan de kamer van inbeschuldigingstelling blijkt dat de machtiging werd verleend voor een periode die niet langer was dan drie maanden; - de kamer van inbeschuldigingstelling aldus de regelmatigheid van de machtiging tot infiltratie en de uitgevoerde infiltratie heeft kunnen controleren; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van driehonderd en tien euro tweeënvijftig cent, waarvan
  6. op het cassatieberoep van M E, ingesteld op 12 mei 2005: zevenenzeventig euro drieënzestig cent verschuldigd,
  7. op het cassatieberoep van M E, ingesteld op 13 mei 2005: zevenenzeventig euro drieënzestig cent verschuldigd,
  8. op het cassatieberoep van P P: zevenenzeventig euro drieënzestig cent verschuldigd, en
  9. op het cassatieberoep van K Y: zevenenzeventig euro drieënzestig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, de raadsheren Jean de Codt, Eric Stassijns, Christine Matray, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van drieëntwintig augustus tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050823.6 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060607.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070925.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.12 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.