← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050906.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Zelfde feiten - Eenheid van opzet - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 07-02-1992 - Art. 35 Verdrag of internationale overeenkomst - 30-03-1961 - Art. 36, 2a i) en ii) Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - Artt. 54 en 71 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden:

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Zelfde feiten - Eenheid van opzet - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 07-02-1992 - Art. 35 Verdrag of internationale overeenkomst - 30-03-1961 - Art. 36, 2a i) en ii) Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - Artt. 54 en 71 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Europese Unie -

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Zelfde feiten - Eenheid van opzet - Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 07-02-1992 - Art. 35 Verdrag of internationale overeenkomst - 30-03-1961 - Art. 36, 2a

  1. i)en
  2. ii)Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - Artt. 54 en 71 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Beginsel "non bis in idem" - Europese Unie -

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Zelfde feiten - Eenheid van opzet - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 07-02-1992 - Art. 35 Verdrag of internationale overeenkomst - 30-03-1961 - Art. 36, 2a

  1. i)en
  2. ii)Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - Artt. 54 en 71 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 5 - 8 Wanneer voor het Hof de vraag rijst of aan de regel 'kan niet vervolgd worden ter zake van dezelfde feiten' uit artikel 54 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985, die uitleg moet gegeven worden dat wanneer onder 'dezelfde feiten' ook dienen te worden begrepen verschillende feiten die door eenheid van opzet verbonden zijn en aldus één feit opleveren, dit inhoudt dat een beklaagde voor het misdrijf van witwassen in België niet meer vervolgbaar wordt wanneer hij voor andere feiten, gepleegd met hetzelfde opzet, veroordeeld werd in Nederland, ongeacht alle andere feiten die binnen dezelfde tijdsruimte werden gepleegd, maar die pas na het onherroepelijk buitenlands vonnis in België aan het licht zullen komen en/of vervolgd worden, dan wel of in dit geval de feitenrechter deze andere feiten bijkomend kan bestraffen, rekening houdend met de reeds uitgesproken straffen, behoudens indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, en zonder dat het geheel van de straffen uitgesproken het maximum van de zwaarste straf mag te boven gaan, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: Europese Unie -

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Veroordeling in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Door eenheid van misdadig opzet verbonden feiten - Vervolgbaarheid in België - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 07-02-1992 - Art. 35 Verdrag of internationale overeenkomst - 30-03-1961 - Art. 36, 2a i) en ii) Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - Artt. 54 en 71 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Europese Unie -

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Veroordeling in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Door eenheid van misdadig opzet verbonden feiten - Vervolgbaarheid in België - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 07-02-1992 - Art. 35 Verdrag of internationale overeenkomst - 30-03-1961 - Art. 36, 2a i) en ii) Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - Artt. 54 en 71 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Europese Unie -

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Veroordeling in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Door eenheid van misdadig opzet verbonden feiten - Vervolgbaarheid in België - Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 07-02-1992 - Art. 35 Verdrag of internationale overeenkomst - 30-03-1961 - Art. 36, 2a i) en ii) Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - Artt. 54 en 71 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Beginsel "non bis in idem" - Europese Unie -

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Veroordeling in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Door eenheid van misdadig opzet verbonden feiten - Vervolgbaarheid in België - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 07-02-1992 - Art. 35 Verdrag of internationale overeenkomst - 30-03-1961 - Art. 36, 2a

  1. i)en
  2. ii)Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - Artt. 54 en 71 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 9 - 16 Concl. adv.-gen. M. TIMPERMAN, Cass., 6 sept. 2005, AR P.05.0583.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: Europese Unie -

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Zelfde feiten - Eenheid van opzet - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden:

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Zelfde feiten - Eenheid van opzet - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Europese Unie -

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Zelfde feiten - Eenheid van opzet - Vraag om uitlegging Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Beginsel "non bis in idem" - Europese Unie -

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Zelfde feiten - Eenheid van opzet - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: Europese Unie -

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Veroordeling in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Door eenheid van misdadig opzet verbonden feiten - Vervolgbaarheid in België - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Europese Unie -

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Veroordeling in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Door eenheid van misdadig opzet verbonden feiten - Vervolgbaarheid in België - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Europese Unie -

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Veroordeling in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Door eenheid van misdadig opzet verbonden feiten - Vervolgbaarheid in België - Vraag om uitlegging Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Beginsel "non bis in idem" - Europese Unie -

Artikel 54

- Verdovende middelen - Sluikhandel - Financiële manipulaties in verband met sluikhandel - Feiten gepleegd in België en in het buitenland - Veroordeling in het buitenland - Afzonderlijke feiten - Door eenheid van misdadig opzet verbonden feiten - Vervolgbaarheid in België - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Tekst van de beslissing Nr. P.05.0583.N I. G G J, eiser, inverdenkinggestelde. II. G G J, reeds vermeld, eiser, beklaagde, tegen 1. R E, 2. G M, 3. L M, 4. M H, verweerders, burgerlijke partijen. III. V M J C, eiser, beklaagde. IV. K N, eiseres, beklaagde, met als raadslieden Mr. Raf Verstraeten en Mr. Caroline De Baets, advocaten bij de balie te Brussel. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep sub I is gericht tegen het arrest, op 19 maart 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling. De cassatieberoepen sub II, III en IV zijn gericht tegen het arrest, op 15 maart 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. Advocaat-generaal Timperman heeft in substantie gezegd: Wat betreft eiseres K.: 1. Eiseres, alhier vervolgd wegens feiten van witwassen in België in een periode tussen 2 november 1994 en 13 februari 1996, had voor de feitenrechter de onontvankelijkheid van de strafvordering opgeworpen op grond van het gezag van gewijsde van een vonnis van de arrondissementsrechtbank te Middelburg (Nl) van 11 december 1998 dat haar veroordeelde wegens feiten van opzetheling en overtreding van de opiumwet in de periode van 1 oktober 1994 tot en met 10 februari 1997. 2. Met overname van de redengeving van de eerste rechter verwierpen de appèlrechters de exceptie, waarbij zij onder andere oordeelden dat het Verdrag van New York van 30 maart 1961 primeert op de bepalingen van de SUO zodat de in België vervolgde witwaspraktijken niettegenstaande de eenheid van opzet tussen die feiten en diegene gepleegd in Nederland, als afzonderlijke feiten dienen te worden beschouwd. 3. Wat het aspect van de primauteit van het Verdrag van New York op de Schengenuitvoeringsovereenkomst betreft ligt het oordeel van de appèlrechters volledig in de lijn van de rechtsspraak van Uw Hof. Reeds meermaals oordeelde Uw Hof dat ongeacht het in artikel 54 van de Schengenovereenkomst vervatte 'non bis in idem-beginsel' uit de bepalingen van artikel 71 van die overeenkomst, van artikel 36.2.a (

  1. i)van het Enkelvoudig Verdrag van 30 maart 1961 inzake verdovende middelen en van artikel 22.2.a (
  2. i)van het Verdrag van 21 februari 1971 inzake psychotrope stoffen volgt dat de op het grondgebied van verschillende overeenkomstsluitende partijen gepleegde feiten, wat de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen betreft, afzonderlijke misdrijven zijn die afzonderlijk worden bestraft. In mijn conclusie voor het arrest van Uw Hof van 05 oktober 2004, gewezen naar aanleiding van een gelijkaardige doch niet identieke casus, heeft mijn ambt op grond van overwegingen van rechtspolitieke, rechtstechnische en rechtsvergelijkende aard reeds de vraag gesteld of zulk standpunt niet aan herziening toe was . Pro memorie en voor alle duidelijkheid én een goed onderscheid: de casus die toen aan de orde was betrof een partij drugs die vanuit België naar Noorwegen werden getransporteerd. Eén van de daders werd in Noorwegen veroordeeld wegens invoer van verdovende middelen en nadien in België vervolgd wegens uitvoer van diezelfde partij drugs. Bijkomend werd hij in België vervolgd voor feiten van witwassen. In deze context had mijn ambt aan uw Hof gesuggereerd een derde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen die er zou in bestaan hebben of de werking van artikel 54 SUO ook blijft gelden na een eerdere veroordeling door een Noorse rechtbank wegens inbreuken op de drugswetgeving, op zulke wijze dat een Belgische rechter verhinderd wordt, na aanneming va n eenheid van opzet tussen inbreuken op de drugswetgeving en strafbare feiten van witwassen, een straf op te leggen? Uw Hof heeft deze laatste vraag toen niet gesteld; mijn ambt had trouwens meteen toegegeven dat ze, in die toen voorliggende casus, niet echt 'prejudicieel' was. Het onderscheid met de huidige zaak is dat de problematiek van de eenheid van opzet thans op het voorplan staat en geen betrekking heeft op verschillende feiten gepleegd in België maar wel op verschillende feiten gepleegd in verschillende Staten (cfr. infra). 4. Het eerste middel bestrijdt de zienswijze van de appèlrechters met betrekking tot de hiërarchie tussen de overeenkomsten, en voert aan dat aan de geldingskracht van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst geen afbreuk wordt gedaan door artikel 71 van diezelfde overeenkomst juncto artikel 36.2.a (
  3. i)en 36.2.a (ii). Subsidiair, voor zover Uw Hof zou aanvaarden dat laatstgenoemde bepalingen een invloed hebben op artikel 54 SUO, wordt in het middel het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voorgesteld. Die vraag bestaat er dan in of artikel 54 SUO zo moet worden uitgelegd dat de strafbare feiten waarvoor eiseres in Nederland werd veroordeeld, en de strafbare feiten waarvoor zij thans in België wordt vervolgd te beschouwen zijn als dezelfde feiten in de zin van dat artikel? Het komt mij voor dat, in het licht van Uw arrest van 5 oktober 2004, de prejudiciële vraag kan worden gesteld mits de hiernavolgende verfijningen of nuanceringen. 5. Eiseres zelf omschrijft de feiten waarvoor zij thans in België wordt vervolgd als het omzetten bij wisselkantoren van sommen die in Nederland werden ontvangen afkomstig uit de handel in verdovende middelen , zoals dit zou blijken uit de vaststellingen van het bestreden arrest zelf . Waar de appèlrechters weliswaar oordelen, door overname van de motieven van de eerste rechter, dat de gelden die het voorwerp uitmaken van de in België vervolgde misdrijven afkomstig zijn uit de verkoop van drugs, denk ik niet dat zij ergens stellen, of dat hun redenen zo mogen worden begrepen, dat die gelden dezelfde zouden zijn als deze afkomstig uit de in Nederland strafrechtelijk beteugelde feiten. De appèlrechters lijken slechts te oordelen dat er eenheid van opzet is tussen de witwaspraktijken in België en de in Nederland reeds berechte feiten, met andere woorden dat het om verschillende feiten gaat die verbonden zijn door een zelfde misdadig opzet zodat zij, moesten zij alle binnen het Rijk zijn gepleegd, één juridisch feit zouden opleveren te bestraffen bij toepassing van artikel 65 van het Strafwetboek. Dit heeft tot gevolg dat de door eiseres gesuggereerde prejudiciële vraag anders dient te worden geformuleerd en erin zou bestaan of het in artikel 54 SUO vervatte begrip dezelfde feiten zo moet worden uitgelegd dat het ook verschillende (drugsgerelateerde) feiten omvat gepleegd in verschillende staten die echter, in toepassing van het juridisch instrumentarium van de thans vervolgende Staat, als één juridisch feit moeten worden beschouwd. In geval van positief antwoord vloeit daar de vraag uit voort of artikel 54 SUO dan inhoudt dat eiseres in België helemaal niet meer vervolgbaar is wegens witwassen van zodra ze veroordeeld werd in Nederland voor een gelijkaardig feit gepleegd met hetzelfde misdadig opzet, dan wel of een vervolging met het oog op een proportionele bestraffing bij toepassing van artikel 65 alinea 2 van het Strafwetboek nog mogelijk is? 6. Op het tweede middel, dat de veroordeling tot verbeurdverklaring van een geldsom bekritiseert, dient m.i. gelet op de problematiek van het eerste middel en de daaraan verbonden prejudiciële vraagstelling, vooralsnog geen antwoord te worden gegeven. Conclusie: opschorting van de uitspraak over het cassatieberoep totdat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak zal gedaan hebben over de prejudiciële vraagstelling. III. Cassatiemiddelen Eiseres sub IV stelt in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De eisers sub I, II en III stellen geen middel voor. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van eiser sub II Overwegende dat de beslissing op de civielrechtelijke vordering van de verweerder M H bij verstek is gewezen; dat het cassatieberoep dat is ingesteld vóór de gewone termijn van verzet is verstreken, in zoverre voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk is; B. Onderzoek van de middelen van eiseres sub IV Eerste middel Overwegende dat eiseres in België wordt vervolgd wegens verschillende inbreuken op artikel 505, eerste lid, 2°, hetzij artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4° Strafwetboek wegens wisseltransacties in België tussen 2 november 1994 en 13 februari 1996; Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eiseres op 11 december 1998 in Nederland door de Arrondissementsrechtbank van Middelburg werd veroordeeld wegens het meermaals medeplegen van opzetheling in de periode van 1 oktober 1994 tot en met 1 mei 1995, te Terneuzen, in elk geval in Nederland, en het opzettelijk handelen in strijd met een in de opiumwet gegeven verbod, in de periode van 1 oktober 1994 tot en met 10 februari 1997; Dat het bestreden arrest, met overname van de motieven van het beroepen vonnis, oordeelt dat eiseres zich niet kan beroepen op artikel 54 Schengenuitvoeringsovereenkomst daar met toepassing van artikel 71 van dezelfde overeenkomst en artikel 36.2.a.i en ii van het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake de verdovende middelen, opgemaakt op 30 maart 1961 te New York, naar analogie met de drugsdelicten zelf, de daarmee verband houdende witwaspraktijken in België dienen aangezien te worden als afzonderlijke feiten, en dit niettegenstaande de eenheid van opzet tussen de in België gepleegde witwasdelicten en dezelfde misdrijven gepleegd in Nederland; Overwegende dat het middel aanvoert dat de appèlrechters, ingevolge het voormelde vonnis van de Arrondissementsrechtbank van Middelburg, niet zonder schending van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990, eiseres konden veroordelen wegens voormelde witwasdelicten; Dat het middel dienaangaande ondergeschikt het Hof verzoekt hiernavolgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie: "Moet artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990, gelezen in samenhang met artikel 71 van die overeenkomst, aldus worden uitgelegd dat strafbare feiten bestaande in het in Nederland verwerven, voorhanden hebben gehad en/of hebben overgedragen van geldsommen in buitenlandse valuta, afkomstig uit de handel in verdovende middelen (waarvoor vervolgd en veroordeeld in Nederland als opzetheling, met inbreuk op artikel 416 Wetboek van Strafrecht) enerzijds, en strafbare feiten bestaande in het in België omzetten bij wisselkantoren, van de betreffende geldsommen afkomstig uit de handel in verdovende middelen, die in Nederland werden ontvangen (vervolgd in België als heling en andere verrichtingen met betrekking tot zaken die uit een misdrijf voorkomen, met inbreuk op artikel 505 Strafwetboek) anderzijds, te beschouwen zijn als 'dezelfde feiten' in de zin van het vermelde artikel 54 ?"; Overwegende dat, anders dan zoals in het middel wordt gesteld, het oordeel van de appèlrechters dat tussen de alhier gepleegde witwasdelicten en dezelfde misdrijven gepleegd in Nederland "eenheid van opzet" bestaat, niet noodzakelijk de vaststelling inhoudt dat de geldsommen die het voorwerp uitmaken van de witwasdelicten in België de geldsommen zijn afkomstig uit de handel in verdovende middelen, die in Nederland werden verworven, voorhanden waren of werden overgedragen en waarvoor eiseres aldaar werd veroordeeld; Dat uit voormeld oordeel alleen volgt dat het in beide landen om verschillende feiten gaat die evenwel de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet zodat zij mochten zij allen in België zijn gepleegd als één juridisch feit zouden worden beschouwd dat overeenkomstig artikel 65 Strafwetboek zou worden bestraft; Dat aldus de vraag rijst of aan het begrip "dezelfde feiten" uit artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, in samenhang gelezen met artikel 71 van die overeenkomst, de uitleg moet worden gegeven dat hieronder ook dienen te worden begrepen verschillende feiten, bestaande in het in een Overeenkomstsluitende Staat omzetten bij wisselkantoren van geldsommen afkomstig uit de handel in verdovende middelen, en het ontvangen in een andere Overeenkomstsluitende Staat van geldsommen afkomstig uit de handel in verdovende middelen, welke feiten door eenheid van opzet verbonden zijn en aldus naar Belgisch recht strafrechtelijk één feit opleveren; Dat bijgevolg de door eiseres voorgestelde vraag in die zin wordt aangepast; Overwegende dat in zoverre deze vraag bevestigend wordt beantwoord, een tweede vraag rijst over het begrip "kan niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten" uit artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, meer bepaald of hieraan de uitleg moet worden gegeven dat wanneer onder "dezelfde feiten" ook dienen te worden begrepen verschillende feiten die door eenheid van opzet verbonden zijn en aldus één feit opleveren, hetgeen inhoudt dat een beklaagde voor het misdrijf van witwassen in België niet meer vervolgbaar wordt zodra hij voor andere feiten, gepleegd met eenzelfde opzet, bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing veroordeeld werd in Nederland, ongeacht alle andere feiten die binnen diezelfde tijdsruimte werden gepleegd, maar die pas na het buitenlandse vonnis in België aan het licht zullen komen en/of vervolgd worden, dan wèl of in dit geval een bijkomende bestraffing, zoals bepaald in artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toegelaten is; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering tegen de eisers sub I, II en III Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet zijn gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen van G G en M V; Veroordeelt hen in de kosten van hun cassatieberoepen. Gezegde kosten begroot op de som van vierhonderd en een euro zevenennegentig cent verschuldigd. Schort de uitspraak over het cassatieberoep van N K op totdat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wijze van prejudiciële beslissing over de hierna volgende vragen uitspraak zal hebben gedaan: 1. "Moet artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990, gelezen in samenhang met artikel 71 van die overeenkomst, aldus worden uitgelegd dat strafbare feiten bestaande in het in Nederland verwerven, voorhanden hebben gehad en/of hebben overgedragen van geldsommen in buitenlandse valuta, afkomstig uit de handel in verdovende middelen (waarvoor vervolgd en veroordeeld in Nederland als opzetheling, met inbreuk op artikel 416 Wetboek van Strafrecht), die verschillend zijn van de strafbare feiten bestaande in het in België omzetten bij wisselkantoren, van geldsommen afkomstig uit de handel in verdovende middelen, die in Nederland werden ontvangen (vervolgd in België als heling en andere verrichtingen met betrekking tot zaken die uit een misdrijf voorkomen, met inbreuk op artikel 505 Strafwetboek) ook als 'dezelfde feiten' in de zin van het vermelde artikel 54 te beschouwen zijn wanneer de rechter vaststelt dat zij door eenheid van opzet verbonden zijn en aldus juridisch één feit opleveren?" 2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: "Moet aan het begrip 'kan niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten' uit artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, die uitleg worden gegeven dat wanneer onder 'dezelfde feiten' ook dienen te worden begrepen verschillende feiten die door eenheid van opzet verbonden zijn en aldus één feit opleveren, dit inhoudt dat een beklaagde voor het misdrijf van witwassen in België niet meer vervolgbaar wordt zodra hij voor andere feiten, gepleegd met eenzelfde opzet, veroordeeld werd in Nederland, ongeacht alle andere feiten die binnen diezelfde tijdsruimte werden gepleegd, maar die pas na het onherroepelijk buitenlands vonnis in België aan het licht zullen komen en/of vervolgd worden, dan wèl of in dit geval de feitenrechter deze andere feiten bijkomend kan bestraffen, rekening houdend met de reeds uitgesproken straffen, behoudens indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, en zonder dat het geheel van de straffen uitgesproken het maximum van de zwaarste straf mag te boven gaan?" Gelast de overzending aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van een door de voorzitter en de griffier van het Hof ondertekende expeditie van deze beslissing; Houdt in zoverre de beslissing over de kosten aan. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door raadsheer Ghislain Dhaeyer, waarnemend voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zes september tweeduizend en vijf, door raadsheer Ghislain Dhaeyer, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050906.4 Gerelateerde publicatie(
  4. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071127.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.