← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050906.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050906.5 Rolnummer: P.05.0659.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2006-05-19 Raadplegingen: 197 - laatst gezien 2026-07-03 11:37 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Wanneer het Hof een beslissing van het hof van beroep vernietigt waarbij de appèlrechters zich bevoegd achtten om kennis te nemen van een niet correctionaliseerbare of niet gecorrectionaliseerde misdaad, breidt het de cassatie uit tot het beroepen vonnis en de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht en verwijst het de zaak naar een kamer van inbeschuldigingstelling. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Beklaagde en verdachte Vrije woorden: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Beklaagde en verdachte Misdaad Niet correctionaliseerbare misdaad Niet gecorrectionaliseerde misdaad Hof van beroep Bevoegdheid Beslissing Uitbreiding van de cassatie Verwijzing Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Bevoegdheid Misdaad Niet correctionaliseerbare misdaad Niet gecorrectionaliseerde misdaad Hof van beroep Beslissing Cassatieberoep Vernietiging Uitbreiding van de cassatie Verwijzing Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - STRAFZAKEN Vrije woorden: VERWIJZING NA CASSATIE - STRAFZAKEN Strafvordering Bevoegdheid Misdaad Niet correctionaliseerbare misdaad Niet gecorrectionaliseerde misdaad Hof van beroep Beslissing Cassatieberoep Vernietiging Uitbreiding van de cassatie Fiches 4 - 6 Concl. adv.-gen. M. TIMPERMAN, Cass., 6 sept. 2005, AR P.05.0659.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Beklaagde en verdachte Vrije woorden: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Beklaagde en verdachte Misdaad Niet correctionaliseerbare misdaad Niet gecorrectionaliseerde misdaad Hof van beroep Bevoegdheid Beslissing Uitbreiding van de cassatie Verwijzing Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Bevoegdheid Misdaad Niet correctionaliseerbare misdaad Niet gecorrectionaliseerde misdaad Hof van beroep Beslissing Cassatieberoep Vernietiging Uitbreiding van de cassatie Verwijzing Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - STRAFZAKEN Vrije woorden: VERWIJZING NA CASSATIE - STRAFZAKEN Strafvordering Bevoegdheid Misdaad Niet correctionaliseerbare misdaad Niet gecorrectionaliseerde misdaad Hof van beroep Beslissing Cassatieberoep Vernietiging Uitbreiding van de cassatie Nota: P.05.0659.N Advocaat-generaal Timperman heeft in substantie gezegd:

  1. Eisers werden vervolgd en veroordeeld voor een aantal vermogensdelicten waaronder diefstallen met geweld. Het hof van beroep ging met betrekking tot één van die feiten (tenlastelegging C), na een door het hof bevolen deskundigenonderzoek, over tot herkwalificatie in deze zin dat feiten aanvankelijk omschreven als een inbreuk op artikel 472 van het Strafwetboek werden heromschreven als zijnde een inbreuk op artikel 473 van het Strafwetboek, namelijk dat het geweld of de bedreigingen hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysische of psychische onbekwaamheid, hetzij een volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking tot gevolg had.
  2. Eiser L. voert in zijn enige middel terecht aan dat de appèlrechters zich, na herkwalificatie, onbevoegd hadden dienen te verklaren voor het geheel . Het feit is immers na herkwalificatie grotendeels niet meer correctionaliseerbaar, en in zoverre het wél nog correctionaliseerbaar is brengt het een strafverzwaring met zich mee en gaat het om een omstandigheid die het onderzoeksgerecht niet kon kennen op het ogenblik van de verwijzing. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 2, derde lid, 3° van de Wet van 4 oktober 1867 is bijgevolg gegrond. Schending van dezelfde wetsbepaling moet dan ambtshalve aangevoerd worden ten aanzien van de eisers H. en M. die geen cassatiemiddelen hebben voorgesteld.
  3. Omvang van de cassatie: Waar het vanzelfsprekend is dat Uw Hof het bestreden arrest dient te vernietigen, rijst de vraag of het vanuit overwegingen van proceseconomische aard niet aangewezen voorkomt om ook het in hoger beroep bestreden vonnis van de correctionele rechtbank alsmede de verwijzingsbeschikking van de raadkamer te vernietigen? De enkele vernietiging van het bestreden arrest zou tot gevolg hebben dat Uw Hof verwijst naar een ander hof van beroep dat zich in voorkomend geval onbevoegd zou moeten verklaren om kennis te nemen van de strafvordering. Dit zou dan aanleiding geven tot een procedure van regeling van rechtsgebied die zou uitmonden in een vernietiging van de verwijzingsbeschikking waardoor Uw Hof de zaak vervolgens zou verwijzen naar een hof van beroep, kamer van inbeschuldigingstelling. Aldus rijst de vraag of Uw Hof niet onmiddellijk naar een onderzoeksgerecht in hoger beroep zou kunnen verwijzen? Een juridische grondslag als dusdanig biedt zich weliswaar niet aan. Een oplossing via toepassing van de figuur van de ambtshalve regeling van rechtsgebied is uiteraard uitgesloten omdat de voorwaarden daartoe niet vervuld zijn: er is nooit enig bevoegdheidsconflict geweest, de procedure was niet gestremd en bovenal wordt het arrest van het hof van beroep gecasseerd. Een uitbreiding van de cassatie bij toepassing van de artikelen 408, eerste lid en 413, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering ligt evenmin voor de hand: dergelijke uitbreiding strekt zich uit tot de oudste nietige akte. In voorliggend geval zijn noch de verwijzingsbeschikking noch het vonnis van de correctionele rechtbank op zich aangetast door enige nietigheid. Niettemin dient te worden vastgesteld dat in de zaken waar Uw Hof overgaat tot een vernietiging van de verwijzingsbeschikking bij toepassing van de artikelen 525 en volgenden van het Wetboek van Strafvordering, of bij toepassing van de daarop gesteunde jurisprudentiële uitbreidingsgevallen, deze verwijzingsbeschikking doorgaans zelf niet aangetast is door enige nietigheid . Bijgevolg denk ik dat, om proceseconomische redenen, in voorliggend geval ook de beschikking van de raadkamer én het vonnis van de correctionele rechtbank dienen te worden vernietigd. Het principe van de afwezigheid van gezag van gewijsde van het tussen te komen arrest lijkt mij niet van aard om de voorgestelde gang van zaken te kunnen compliceren. Conclusie: Vernietiging van het bestreden arrest, van het vonnis van de correctionele rechtbank en van de verwijzingsbeschikking met verwijzing naar een kamer van inbeschuldigingstelling. (....) Tekst van de beslissing Nr. P.05.0659.N I. L S C A, eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Jan Van Leuven, advocaat bij de balie te Antwerpen. II. H P N J, eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Ann Collin, advocaat bij de balie te Antwerpen, III. M H P R, eiser, beklaagde, tegen M D, verweerder, burgerlijke partij. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 31 maart 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. Advocaat-generaal Timperman heeft in substantie gezegd:
  4. Eisers werden vervolgd en veroordeeld voor een aantal vermogensdelicten waaronder diefstallen met geweld. Het hof van beroep ging met betrekking tot één van die feiten (tenlastelegging C), na een door het hof bevolen deskundigenonderzoek, over tot herkwalificatie in deze zin dat feiten aanvankelijk omschreven als een inbreuk op artikel 472 van het Strafwetboek werden heromschreven als zijnde een inbreuk op artikel 473 van het Strafwetboek, namelijk dat het geweld of de bedreigingen hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysische of psychische onbekwaamheid, hetzij een volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking tot gevolg had.
  5. Eiser L. voert in zijn enige middel terecht aan dat de appèlrechters zich, na herkwalificatie, onbevoegd hadden dienen te verklaren voor het geheel . Het feit is immers na herkwalificatie grotendeels niet meer correctionaliseerbaar, en in zoverre het wél nog correctionaliseerbaar is brengt het een strafverzwaring met zich mee en gaat het om een omstandigheid die het onderzoeksgerecht niet kon kennen op het ogenblik van de verwijzing. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 2, derde lid, 3° van de Wet van 4 oktober 1867 is bijgevolg gegrond. Schending van dezelfde wetsbepaling moet dan ambtshalve aangevoerd worden ten aanzien van de eisers H. en M. die geen cassatiemiddelen hebben voorgesteld.
  6. Omvang van de cassatie: Waar het vanzelfsprekend is dat Uw Hof het bestreden arrest dient te vernietigen, rijst de vraag of het vanuit overwegingen van proceseconomische aard niet aangewezen voorkomt om ook het in hoger beroep bestreden vonnis van de correctionele rechtbank alsmede de verwijzingsbeschikking van de raadkamer te vernietigen? De enkele vernietiging van het bestreden arrest zou tot gevolg hebben dat Uw Hof verwijst naar een ander hof van beroep dat zich in voorkomend geval onbevoegd zou moeten verklaren om kennis te nemen van de strafvordering. Dit zou dan aanleiding geven tot een procedure van regeling van rechtsgebied die zou uitmonden in een vernietiging van de verwijzingsbeschikking door Uw Hof de zaak vervolgens zou verwijzen naar een hof van beroep, kamer van inbeschuldigingstelling. Aldus rijst de vraag of Uw Hof niet onmiddellijk naar een onderzoeksgerecht in graad van beroep zou kunnen verwijzen? Een juridische grondslag als dusdanig biedt zich weliswaar niet aan. Een oplossing via toepassing van de figuur van de ambtshalve regeling van rechtsgebied is uiteraard uitgesloten omdat de voorwaarden daartoe niet vervuld zijn: er is nooit enig bevoegdheidsconflict geweest, de procedure was niet gestremd en bovenal wordt het arrest van het hof van beroep gecasseerd. Een uitbreiding van de cassatie bij toepassing van de artikelen 408, eerste lid en 413, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering ligt evenmin voor de hand: dergelijke uitbreiding strekt zich uit tot de oudste nietige akte. In voorliggend geval zijn noch de verwijzingsbeschikking noch het vonnis van de correctionele rechtbank op zich aangetast door enige nietigheid. Niettemin dient te worden vastgesteld dat in de zaken waar Uw Hof overgaat tot een vernietiging van de verwijzingsbeschikking bij toepassing van de artikelen 525 en volgenden van het Wetboek van Strafvordering, of bij toepassing van de daarop gesteunde jurisprudentiële uitbreidingsgevallen, deze verwijzingsbeschikking doorgaans zelf niet aangetast is door enige nietigheid . Bijgevolg denk ik dat, om proceseconomische redenen, in voorliggend geval ook de beschikking van de raadkamer én het vonnis van de correctionele rechtbank dienen te worden vernietigd. Het principe van de afwezigheid van gezag van gewijsde van het tussen te komen arrest lijkt mij niet van aard om de voorgestelde gang van zaken te kunnen compliceren. Conclusie: Vernietiging van het bestreden arrest, van het vonnis van de correctionele rechtbank en van de verwijzingsbeschikking met verwijzing naar een kamer van inbeschuldiginstelling. III. Cassatiemiddelen De eiser sub I stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. De eisers sub II en III stellen geen middel voor. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van het middel van de eiser sub I Overwegende dat de eiser bij beschikking van de raadkamer van 29 november 2001 met aanneming van verzachtende omstandigheden naar de correctionele rechtbank werd verwezen onder meer wegens de telastlegging C, zijnde het misdrijf bedoeld in de artikelen 469 en 472 Strafwetboek; Overwegende dat het arrest de telastlegging C herkwalificeert door de verzwarende omstandigheid als bepaald in artikel 473 Strafwetboek aan te houden, met name dat het geweld of de bedreiging hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft gehad; Dat zoals heromschreven, dat feit strafbaar is met opsluiting van twintig tot dertig jaar, hetzij een zwaardere straf dan deze die van toepassing is op het misdrijf waarvoor de raadkamer bij de verwijzing verzachtende omstandigheden heeft aangenomen; Overwegende dat het arrest stelt dat de verzwarende omstandigheid bedoeld in artikel 473 Strafwetboek blijkt uit het deskundigenverslag neergelegd op 4 maart 2004 ingevolge de onderzoeksmaatregel bevolen bij tussenarrest van 27 november 2003; dat hieruit volgt dat die verzwarende omstandigheid de raadkamer bij de verwijzing onbekend was, zodat de feiten, zoals door het arrest geherkwalificeerd, niet gedekt zijn door de correctionalisering; Overwegende dat krachtens artikel 2, derde lid, 3°, van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 472 Strafwetboek die met toepassing van artikel 473 van dat wetboek met opsluiting van twintig tot dertig jaar wordt gestraft, correctionalisering enkel mogelijk is wanneer het geweld of de bedreiging voor het slachtoffer geen andere gevolgen heeft dan een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid; dat daarentegen geen correctionalisering mogelijk is wanneer het geweld of de bedreiging hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij het volledig verlies van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft gehad zoals de door het arrest geherkwalificeerde telastlegging vermeldt; Overwegende dat hieruit volgt dat het hof van beroep niet bevoegd was om kennis te nemen van de feiten van de telastlegging C zoals geherkwalificeerd; Overwegende dat er samenhang lijkt te bestaan tussen de feiten van de telastlegging C en deze van de overige telastleggingen waarvoor eiser naar de correctionele rechtbank werd verwezen; dat het hof van beroep derhalve evenmin bevoegd was om van die feiten kennis te nemen; Overwegende dat het arrest de eiser tot straf en in kosten veroordeelt wegens de bewezen verklaarde telastleggingen en het hof van beroep zich aldus bevoegd verklaart daarvan kennis te nemen; dat het aldus de beslissing niet naar recht verantwoordt; Dat het middel gegrond is; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering ingesteld tegen de eisers sub II en III Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 2, eerste en derde lid, 3°, wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden. Overwegende dat gelet op de redenen vermeld in het antwoord op het middel aangevoerd door de eiser sub I, het arrest de vermelde wetsbepalingen schendt; C. Omvang van de cassatie Overwegende dat de hierna uit te spreken vernietiging van de beslissingen op de strafvordering tegen de eisers, de vernietiging met zich meebrengt van de beslissing op de tegen hen ingestelde burgerlijke rechtsvordering die er het gevolg van is, alsmede van alle beslissingen tot de verwijzingsbeschikking; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest alsmede het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 november 2003, het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen van 22 oktober 2002 en de verwijzingsbeschikking van de Raadkamer te Antwerpen van 29 oktober 2001; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissingen; Laat de kosten ten laste van de Staat; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van honderd zesennegentig euro eenenzeventig cent, waarvan wat betreft
  7. L S: vijfenzestig euro zevenenvijftig cent verschuldigd, wat betreft
  8. H P: vijfenzestig euro zevenenvijftig cent verschuldigd, wat betreft
  9. M H: vijfenzestig euro zevenenvijftig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zes september tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050906.5 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061205.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.